← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2019:6332

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/1419 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.M. Wijngaard), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: mr. V. Verdouw). Procesverloop Bij besluit van 27 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 29 juni 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat hij meer dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het betreft een loongerelateerde WGA-uitkering. Bij besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser ontvangt met ingang van 29 juni 2018 een WIA-uitkering, omdat hij voor 37,32% arbeidsongeschikt wordt geacht. Eiser vindt dat hij meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder zijn aangenomen. Eiser heeft hiervoor diverse diagnoses en klachten genoemd. Ook heeft hij medische informatie overgelegd, onder andere een rapportage van verzekeringsarts mr. G.J. Kruithof van 19 augustus
  3. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Als iemand het niet eens is met een medisch oordeel van een verzekeringsarts, kan de rechtbank hem hierin niet zomaar gelijk geven. De rechtbank heeft daarvoor medische stukken nodig waaruit blijkt dat het oordeel van de verzekeringsarts onjuist is. Dit betekent ook dat als iemand zich meer beperkt voelt dan door de verzekeringsarts van verweerder is vastgesteld, hij dit met medische stukken moet kunnen onderbouwen.
  4. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser overgelegde medische informatie niet voldoende is om de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder te weerleggen.
  5. Hierbij is het van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder in alle rapportages uitvoerig heeft gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen zijn aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en waarom niet van meer beperkingen moet worden uitgegaan. De rechtbank vindt de uitleg van de verzekeringsarts begrijpelijk en kan deze volgen. De rechtbank verwijst voor de uitleg en onderbouwing van de verzekeringsarts naar de rapportages van 4 februari 2019, 17 juni 2019, 20 september 2019 en 10 oktober
  6. Uit de door eiser overgelegde medische informatie blijkt onvoldoende dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder onjuist is. De rechtbank merkt op dat ook de eigen deskundige van eiser, Kruithof, het voor het grootste gedeelte eens is met de verzekeringsarts van verweerder. Kruithof denkt alleen anders over de arbeidsduurbeperking en item 5.11 van de FML (specifieke voorwaarden voor statistische houdingen in arbeid).
  7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de argumenten van Kruithof over het aannemen van meer beperkingen met betrekking tot arbeidsduur en item 5.11 van de FML, niet voldoende medisch objectiveerbaar onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder heeft voldoende uitgelegd dat 1 uur aaneengesloten zitten niet inhoudt dat eiser in een statische houding moet blijven zitten. Eiser heeft de mogelijkheid om te verzitten, dit onderbreekt het zitten niet. Uit de argumenten en onderbouwing van Kruithof blijkt, mede tegen de achtergrond van de uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder, onvoldoende om te concluderen dat wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder hierover zegt onjuist is. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij regelmatig moet kunnen staan vanwege zijn maagklachten. Eiser heeft echter de noodzaak van het staan, niet met medische gegevens onderbouwd. De heupklachten geven ook geen aanleiding om aan te nemen dat eiser, met de mogelijkheid tot verzitten, niet 1 uur achtereen kan zitten. De rechtbank verwijst hiervoor onder meer naar de uitleg in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder van 10 oktober
  8. De stelling van eiser dat er een urenbeperking moet worden aangenomen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder voldoende weerlegd in onder meer de rapportage van 10 oktober
  9. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder geen sprake van een aandoening die op zich gepaard gaat met een verlies aan energie. Ook is er geen sprake van een duidelijk verhoogde rustbehoefte bij eiser en uit preventieve overwegingen hoeft er ook geen urenbeperking te worden aangenomen. Eiser is ook niet verminderd beschikbaar voor arbeid. Kruithof voert hiertegen onvoldoende aan om niet van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van verweerder uit te gaan. De noodzaak voor een urenbeperking wordt niet met voldoende medische gegevens onderbouwd.
  10. Hieruit volgt dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de beperkingen die verweerder bij eiser heeft aangenomen en zoals die zijn vastgelegd in de FML van 4 februari
  11. Verweerder mag er dus van uitgaan dat eiser de geduide functies moet kunnen verrichten.
  12. Verweerder heeft eiser terecht voor 37,32% arbeidsongeschikt geacht. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december
  13. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.