RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Amersfoort zaaknummer: 7879841 AE VERZ 19-38 CS/30362 Beschikking van 21 augustus 2019 inzake [verzoekster] , wonend in [woonplaats] , verder ook te noemen [verzoekster] , verzoekende partij, gemachtigde: DAS, tegen: de besloten vennootschap [verweerster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [verweerster] , verwerende partij, niet verschenen. 1Het verloop van de procedure 1.
- Hoe deze procedure is verlopen, blijkt uit het volgende: - het verzoekschrift van [verzoekster] , dat door de rechtbank is ontvangen op 28 juni 2019; - de oproepingsbrief die door de rechtbank is gestuurd aan de advocaat mr. [A] , die eerder optrad voor [verweerster] ; - de brief van mr. [A] , waarin hij de rechtbank meedeelt dat hij in deze procedure niet voor [verweerster] optreedt. 1.
- Op 6 augustus 2019 is de zaak op een zitting met de rechter besproken. [verzoekster] is verschenen met haar gemachtigde P. Sium. [verweerster] was niet aanwezig. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.
- De rechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is. 2De beoordeling 2.
- [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1981, is op 1 mei 2018 in dienst getreden bij [verweerster] in de functie van Backoffice manager voor een loon van € 2.800,-- bruto per maand. De overeenkomst (voor bepaalde tijd) is geëindigd op 1 mei
- 2.
- [verzoekster] verzoekt de kantonrechter [verweerster] te veroordelen tot betaling van een aanzegvergoeding van € 2.706,67 bruto, met rente en kosten. Op grond van artikel 7:668 lid 1 BW moest [verweerster] [verzoekster] schriftelijk uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege zou eindigen informeren: a. over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en b. bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder zij de arbeidsovereenkomst wilde voortzetten. [verzoekster] heeft vóór 31 maart 2019 hierover niets vernomen van [verweerster] en maakt daarom aanspraak op de in lid 3 van dit wetsartikel genoemde vergoeding. 2.
- [verweerster] heeft door niet te verschijnen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te reageren op het verzoek van [verzoekster] . Op de zitting heeft [verzoekster] aan de rechter een aangetekende brief getoond, waarbij zij de oproepingsbrief van de rechtbank en het verzoekschrift ook aan [verweerster] heeft gestuurd. De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat [verweerster] op de hoogte was van de zitting, maar desondanks niet is verschenen. Uit de brief van mr. [A] kan verder worden afgeleid dat [verweerster] eerder aan [verzoekster] heeft toegezegd dat het in deze procedure verzochte bedrag zou worden betaald. 2.
- Het verzoek tot betaling van de vergoeding van artikel 7:668 lid 3 BW komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. Het verzoek wordt daarom toegewezen, met daarover de wettelijke rente zoals [verzoekster] dat heeft verzocht. 2.
- [verweerster] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter stelt de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] vast op € 651,-- (€ 231,- aan griffierecht en € 420,- (2 punten x € 210,-) aan salaris voor de gemachtigde). 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [verweerster] aan [verzoekster] te betalen € 2.706,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling; 3.
- veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [verzoekster] vastgesteld op 651,--; 3.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.G. de Weerd en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2019.