RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/660542-16 (ontneming) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 14 juni 2019 in de ontnemingszaak tegen [verdachte] , geboren op [1967] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [woonplaats] , [adres] . 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: de schriftelijke vordering van de officier van justitie ten bedrage van € 57.661,20, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; het strafdossier onder parketnummer 16/660542-16; het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 14 juni 2019 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/660542-16; het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van 25 februari 2016; de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 31 mei
- 2Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei
- De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen [verdachte] , bekend onder hetzelfde parketnummer. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.P.N. Robben en van hetgeen [verdachte] en mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 3De beoordeling 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de schriftelijk ingediende vordering van € 57.661,20 gehandhaafd en gevorderd dat een betalingsverplichting wordt opgelegd van € 51.895,
- De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de uitgangspunten en berekeningen zoals weergegeven in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft in de strafzaak vrijspraak bepleit en heeft gelet hierop verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat [verdachte] voordeel heeft genoten of wat het voordeel van [verdachte] zou zijn. 3.3 Het oordeel van de rechtbank [verdachte] is door de rechtbank bij vonnis van 14 juni 2019 vrijgesproken van het ten laste gelegde, het gronddelict voor de onderhavige ontnemingsvordering. De rechtbank zal om die reden de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 5De beslissing De rechtbank: - verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf , voorzitter, mrs. Y.M. Vanwersch en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni 2019.