RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/660543-16 (ontneming) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 14 juni 2019 in de ontnemingszaak tegen [veroordeelde] , geboren op [1968] te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande, wonende in Mexico. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: de schriftelijke vordering van de officier van justitie ten bedrage van € 57.661,20, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; het strafdossier onder parketnummer 16/660543-16; het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 14 juni 2019 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/660543-16; het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van 25 februari 2016; de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 31 mei
- 2Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei
- De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen veroordeelde, bekend onder hetzelfde parketnummer. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.P.N. Robben en van hetgeen mr. B. Roodveldt, advocaat te Koog aan de Zaan, namens [veroordeelde] , naar voren heeft gebracht. 3De beoordeling 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de schriftelijk ingediende vordering van € 57.661,20 gehandhaafd en gevorderd dat een betalingsverplichting wordt opgelegd van € 51.895,
- De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de uitgangspunten en berekeningen zoals weergegeven in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier geen aanwijzingen bevat waaruit afgeleid kan worden dat veroordeelde meer dan een paar honderd euro heeft ontvangen. Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen dient tevens rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel kan op € 250,00, worden gesteld, inclusief de korting vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/660543-16 bij vonnis van 14 juni 2019 veroordeeld ter zake van: medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan, blijkt uit voormeld vonnis en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde een faciliterende rol heeft vervuld ten behoeve van de hennepkwekerij, maar dat niet aannemelijk is geworden dat de opbrengst van deze hennepkwekerij rechtstreeks aan hem toekwam. Het dossier in de onderliggende strafzaak bevat onvoldoende aanwijzingen om enig voordeel vast te stellen, zodat niet vastgesteld kan worden dat veroordeelde enig wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De rechtbank zal daarom de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen. 4De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht af. Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf, voorzitter, mrs. Y.M. Vanwersch en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni
- Proces-verbaal met bijlagen van 26 mei 2016, genummerd PL0900-2015042276, opgemaakt door politie Midden-Nederland.