← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2019:6716

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummer: C/16/465019 / FO RK 18-1280 Beschikking van 27 augustus 2019 in de zaak van: [de man] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vader, advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de moeder, advocaat mr. M.J.P. Leenders. 1Verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank heeft eerder op 9 november 2018 een beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar die beschikking. 1.
  2. De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen: het F-formulier van 7 februari 2019 van de moeder met brief; het F-formulier van 21 februari 2019 van de vader; het F-formulier van 6 mei 2019 van de vader; het F-formulier van 6 mei 2019 van de moeder met bijlage. 1.
  3. De zitting was op 15 augustus
  4. Hierbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat; de moeder met haar advocaat; mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 2Vaststaande feiten 2.
  5. Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de voorgaande beschikking. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat het minderjarige kind van partijen is: - [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013, hierna: [voornaam van minderjarige] .
  6. Beoordeling van het verzochte 3.
  7. Bij beschikking van 9 november 2018 zijn de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van de ouderschapsbemiddeling. 3.
  8. Over de reguliere zorgregeling hebben partijen overeenstemming bereikt. Tussen partijen is alleen nog in geschil wie het halen en brengen van [voornaam van minderjarige] ter uitvoering van de zorgregeling op zich moet nemen. 3.
  9. Gebleken is dat de ouders niet in staat zijn om afspraken te maken over het halen en brengen van [voornaam van minderjarige] en dat het hen niet lukt om een compromis te sluiten. 3.
  10. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het halen en brengen van [voornaam van minderjarige] ter uitvoering van de zorgregeling een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders is en dat dit halen en brengen gelijk, dus bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. Dit halen en brengen is een onderdeel van de ouderlijke verantwoordelijkheid en de moeder dient zich, evenals de vader, in te spannen om het contact tussen de vader en [voornaam van minderjarige] daadwerkelijk plaats te laten vinden. Bovendien heeft de Raad op de zitting uitgelegd dat het delen van het halen en brengen een signaal naar het kind afgeeft van vertrouwen in de andere ouder. De rechtbank is van oordeel dat dit belang zwaarder weegt dan de door de moeder genoemde bezwaren van reistijd, financiën en het feit dat [voornaam van minderjarige] moet omschakelen naar de nieuwe situatie. De rechtbank zal daarom vaststellen dat de ouders het halen en brengen bij helfte delen, waarbij de vader [voornaam van minderjarige] naar de moeder brengt en de moeder [voornaam van minderjarige] naar de vader brengt. 3.
  11. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de zorgregeling beschouwt de rechtbank als ingetrokken. 4Beslissing De rechtbank: 4.
  12. stelt vast dat de ouders het halen en brengen van [voornaam van minderjarige] bij helfte delen, waarbij de vader [voornaam van minderjarige] naar de moeder brengt en de moeder [voornaam van minderjarige] naar de vader brengt; 4.
  13. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  14. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. van Maanen, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. H.E. Broersma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus
  15. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.