vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/659772-18; 16/652627-18; 21/000053-16 (tul) (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 26 november 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1999] te [geboorteplaats] , woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] . 1HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 november 2019. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht. Namens de benadeelde partij is verschenen mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de zaak met parketnummer 16/659772-18: feit 1: in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 10 oktober 2018 in Houten en/of Utrecht en/of Valkenswaard zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van [slachtoffer 1] ; feit 2: in de periode van 28 september 2018 tot en met 10 oktober 2018 in Houten en/of Utrecht zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 1] met de dood en/of zware mishandeling; feit 3: op 24 augustus 2018 in Houten zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] ; feit 4: in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 10 oktober 2018 in Houten en/of Utrecht zich schuldig heeft gemaakt aan dwang van [slachtoffer 1] ; feit 5: in de periode van 1 februari 2018 tot en met 10 oktober 2018 in Houten en/of Utrecht zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 2] met de dood en/of zware mishandeling; in de zaak met parketnummer 16/652627-18: primair: op 11 augustus 2018 in Veenendaal zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ; subsidiair: op 11 augustus 2018 in Veenendaal zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] . 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft in de zaak met parketnummer 16/659772-18 aangevoerd dat stalking een klachtdelict is en dat de klacht niet genoegzaam is gedaan, zodat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Artikel 164 Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat een klacht bestaat uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] op 9 oktober 2018 aangifte heeft gedaan van stalking, smaad en bedreiging. De hulpofficier van justitie heeft in een ambtsedig proces-verbaal van diezelfde datum verklaard dat [slachtoffer 1] uitdrukkelijk heeft verzocht om tot vervolging van de mogelijke dader(
- s)over te gaan. Aldus is sprake van een klacht in de zin van artikel 164 Sv, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie In de zaak met parketnummer 16/659772-18: De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, waaronder de aangiftes, de processen-verbaal betreffende het WhatsApp-verkeer tussen verdachte en aangeefster en verklaringen van getuigen. In de zaak met parketnummer 16/652627-18: De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, waaronder de processen-verbaal betreffende de camerabeelden en de verklaringen van de betrokkenen. 4.2 Het standpunt van de verdediging In de zaak met parketnummer 16/659772-18: De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Van stalking is geen sprake, omdat aangeefster wisselend gedrag heeft vertoond, waarbij zij nu eens afstootte en dan weer aantrok. Van dwang of bedreiging is ook geen sprake geweest en het dossier bevat daarvoor ook onvoldoende bewijs. Verdachte heeft aangeefster niet mishandeld, maar op zijn hoogst een duwtje gegeven. Verdachte heeft aangever [slachtoffer 2] niet bedreigd. De aangifte van [slachtoffer 2] vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. In de zaak met parketnummer 16/652627-18: De raadsman heeft betoogd dat er weliswaar is gevochten, maar dat verdachte zich heeft moeten verdedigen, zodat sprake is van noodweer, danwel noodweerexces. Voor het subsidiair ten laste gelegde leidt dat in geval van noodweer tot vrijspraak. 4.3 Het oordeel van de rechtbank In de zaak met parketnummer 16/652772- 8: 1 Bewijsmiddelen Feiten 1, 2 en 4 Aangeefster [slachtoffer 1] , woonachtig in [woonplaats] , heeft op 9 oktober 2018 aangifte gedaan tegen verdachte en verklaard dat zij begin augustus 2018 heel erg ruzie hebben gehad. Zij heeft toen via de telefoon nogmaals duidelijk gezegd dat zij er klaar mee was en een punt achter de relatie wilde. Zij heeft hem toen via WhatsApp duidelijk gemaakt dat zij geen contact meer met hem wilde en hem niet wilde spreken. [verdachte] bleef elke dag bellen en appen en wilde elke dag afspreken. Op 24 augustus 2018 was aangeefster [slachtoffer 1] naar het bedrijf [bedrijf 1] in [vestigingsplaats] . Toen zij [bedrijf 1] uitliep, zag zij dat [verdachte] op haar af kwam lopen. Zij zei tegen hem dat zij geen contact wilde en dat hij weg moest gaan. Toen zij vervolgens op haar scooter wilde wegrijden, ging [verdachte] achterop zitten. Zij schreeuwde tegen hem dat hij weg moest gaan en haar met rust moest laten.2 Op I september 2018 begon aangeefster [slachtoffer 1] aan een stage bij [bedrijf 2] de [vestigingsplaats] in [vestigingsplaats] . Toen zij op 2 september 2018 richting de receptie liep, zag zij ineens [verdachte] staan in de receptie. Zij heeft een maand stage gelopen bij [bedrijf 2] . [verdachte] is daar niet meer geweest. Hij heeft wel nog één keer gebeld naar haar stage of zij aanwezig was. Er kwam toen een collega naar haar toe dat hij ene [verdachte] voor haar aan de telefoon had. Op 28 september 2018 was haar laatste stagedag. Tijdens de stage heeft zij [verdachte] meerder keren telefonisch gesproken. Zij zei toen dat hij moest ophouden en haar met rust moest laten. [verdachte] begon haar toen te bedreigen. Dat deed hij vooral via de app. [verdachte] heeft haar bedreigd door bijvoorbeeld te zeggen "een kogel praat niet", ')e hebt een kanker probleem", "je tanden gaan naar de grond", "ik pak je en dat weet je", "ik ga je harde stompen geven", "je gaat klappen krijgen", "ik ga je helemaal de kanker inslaan", "ik zweet het op mijn moeder, ga iemand knallen van jou kant". Hij stuurde ook "ik ga vandaag 24 uur je huis observeren, ik pak je, je weet toch".3 1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 juli 2019, genummerd 20182930642, opgemaakt door Districtsrecherche Stad-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 275. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. 2 Een proces-verbaal van aangifte, p. 12. 3 Een proces-verbaal van aangifte, p. 13. Aangeefster [slachtoffer 1] verklaarde in het begin van de relatie samen met [verdachte] een snapchat account te hebben gehad. Daar maakten zij samen foto's en filmpjes van zichzelf. Deze filmpjes gebruikte [verdachte] vervolgens om naar aangeefsters stiefvader te sturen als dreiging dat zij niet met verdachte wilde afspreken. Aangeefster heeft meerdere keren gezegd dat [verdachte] die filmpjes niet mocht gebruiken. Toch heeft hij op 1 oktober 2018 een filmpje naar haar stiefvader gestuurd. Aangeefster wil dat het stopt. Het maakt haar helemaal gek en beïnvloedt haar hele gezin. Elke keer ontstaat er onderling ruzie. Aangeefster en haar moeder zaten tijdelijk in een [hotel] , omdat het met haar broer niet meer gaat, omdat de spanning gewoon om te snijden is. Omdat [verdachte] ook met kogels dreigt, weten ze niet wat hij gaat doen.4 Tijdens de aangifte had aangeefster [slachtoffer 1] haar telefoon op de tafel liggen. De verbalisant zag dat er al vrij snel een oproep binnenkwam op haar telefoon van ene " [verdachte] " en hij hoorde aangeef ster [slachtoffer 1] zeggen dat dat [verdachte] betrof. Tussendoor kwamen ook oproepen binnen van "Anoniem" en " [A] " en hij hoorde aangeefster [slachtoffer 1] zeggen dat dat ook [verdachte] betrof en dat hij altijd met andere telefoonnummers belde. Na ongeveer een half uur drukte aangeefster [slachtoffer 1] haar telefoonscherm aan en zag ik in het scherm staan dat zij l06 berichten had ontvangen op WhatsApp. Zij liet mij zien dat dit allemaal berichten waren van [verdachte] .5 Op 11 oktober 2018 is de telefoon van de aangeefster uitgelezen door de Digitale Recherche Maarssen. Hieruit bleek dat er tussen de aangeefster en de verdachte 11.074 chatberichten waren op WhatsApp. In de WhatsApp-geschiedenis waren de bedreigingen waar aangeefster over verklaarde en die geuit werden door de verdachte, te herleiden naar een dag, datum en tijdstip. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlagen bij het proces-verbaal.6 In die bijlagen staan onder meer de volgende, zakelijk weergegeven, berichten: 1 oktober 2018: of ik zie jou, of ik stuur7 het. Zeg maar ja of nee. Je krijgt nog een kans. Nee, dan stuur ik het. Ik sla jouw tanden naar de grond.8 Ik ga jou harde stompen geven.9 Stuur nu 10 filmpjes en die foto's.11 - 8 oktober 2018: Vanaf vandaag 24 uur voor je deur. Ik observeer je, ik pakje. Let op mijn woorden.12 Ik knal je kapot.13 Luister, kom naar mij toe of ik knal.14 De politie heeft de bestanden bekeken die zijn veilig gesteld vanaf het toestel van aangeefster [slachtoffer 1] . Het WhatsApp gesprek tussen aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] begon op 22 september 2018 om 10.43.36 uur. Het laatste bericht was van 10 oktober 2018 om 15.59.19 uur. Het gesprek bestond uit 627 pagina's. Het viel op dat het merendeel eenrichtingsverkeer was. De verdachte stuurde veelvuldig berichten naar aangeefster [slachtoffer 1] in vaak hele korte tijd.15 4 Een proces-verbaal van aangifte, p. 14. 5 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 26. 6 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 47. 7 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 48. 8 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 49. 9 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 50. 10 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 54. 11 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 55. 12 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 51. 13 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 62. 14 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 63. 15 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 100. De politie heeft de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] op de telefoon van [verdachte] veiliggesteld.16 Daarin zag de verbalisant het volgende. De berichten dateren van 5 oktober 2018 om 17.01 uur tot en met 10 oktober 2018 16.00 uur. Wat opvalt is dat er, behoudens de nachtelijke uren, nagenoeg elke minuut door [verdachte] een bericht wordt gestuurd aan [slachtoffer 1] . Na telling zag de verbalisant dat [verdachte] 4377 berichten had verzonden aan [slachtoffer 1] en dat [slachtoffer 1] 1341 berichten had verzonden aan [verdachte] . De strekking van de berichten is dat [verdachte] continu contact zoekt met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] reageert daar gematigd op en geeft vaak aan dat hij moet ophouden. [verdachte] blijft aandringen op contact, hetgeen [slachtoffer 1] niet wil.17 Uit de berichten van [verdachte] lijkt het erop dat hij [slachtoffer 1] ervan verdenkt met een ander jongen het bed te hebben gedeeld. [verdachte] reageert daar extreem boos op en dreigt daarbij [slachtoffer 1] , haar familie en die jongen dood te schieten.18 Op 8 oktober 2010 stuurt [accountnaam verdachte] (waar de naam van [verdachte] aan is gekoppeld19) aan [accountnaam slachtoffer 1] (waar de naam van [slachtoffer 1] aan is gekoppeld20): "Heb niks meer te verliezen".21 Getuige [getuige 1] (de moeder van aangeefster [slachtoffer 1] ) heeft verklaard dat haar vriend, [B] , een app heeft gekregen van [verdachte] met daarin een filmpje waarin te zien is dat haar dochter met [verdachte] in een kamer staat. Haar dochter was alleen gekleed in ondergoed.22 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij op 24 augustus 2018 een ruzie heeft gezien in het Kooikerspark in Houten. Zij zag een meisje dat overstuur was en hard schreeuwde en huilde. Zij hoorde het meisje zeggen dat de jongen haar brommer op de grond had gegooid en dat hij haar niet weg liet gaan.23 Verdachte heeft verklaard dat hij haar die dag misschien een duwtje heeft gegeven.24 Feit 5 [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van bedreiging in de periode van 1 februari 2018 tot en met 10 oktober 2018. Hij verklaarde dat hij regelmatig door [verdachte] werd bedreigd via sms, WhatsApp en Instagram. De bedreigingen die naar hem werden geuit zijn veel en verschillend, maar vooral met de dood.25 [slachtoffer 2] heeft nadien een e-mail gestuurd met daarin de bijlage die hij had toegezegd tijdens zijn aangifte.26 Daarin staan de volgende berichten: "Zie ik jou al rennen of je bent de od dood", "ga niet vechten, ben moe. Begin alleen te vuren",27 "Je gaat naast je neef liggen", "En naast je kkk opa",28 "je gaat dooooddddd", "naast je kkkkokkk opa ligghen en je neeffff'29 en "Ik maak je dooodddd".30 16 Proces-verbaal aanvullend einddossier, p. 142. 17 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 145. 18 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 146. 19 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 145. 20 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 145. 21 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 152. 22 Een proces-verbaal van verhoor getuige, p. 36. 23 Een proces-verbaal van verhoor getuige, p. 39. 24 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 12 oktober 2018. 25 Een proces-verbaal van aangifte, p. 32. 26 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 91. 27 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 94. 28 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 95. 29 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 97. 30 Bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 99. Bij de politie heeft verdachte verklaard: Ja, ik zag het eerlijk. Ik heb ruzies met hem gehad en hij heeft mij ook gewoon bedreigd.31 _______________________ 31 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 81. Bewijsoverwegingen Belaging (feit
- l)Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang, namelijk de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Aangeefster heeft begin augustus aan verdachte duidelijk gemaakt dat zij een punt achter hun relatie wilde zetten. In de daaropvolgende periode is verdachte veelvuldig en intensief contact met haar blijven zoeken. In de periode vanaf 22 september tot en met 10 oktober 2018 zijn door verdachte een grote hoeveelheid WhatsApp-berichten verstuurd aan aangeefster [slachtoffer 1] . Het betreft 627 pagina's aan berichten, waarvan het merendeel afkomstig is van verdachte en waarbij verdachte vanaf 5 oktober 2018 nagenoeg elke minuut een bericht aan aangeefster heeft verstuurd. Uit de berichten blijkt dat verdachte steeds wilde afspreken en ging dreigen wanneer aangeefster afhoudend reageerde. De gedragingen van verdachte hebben ingrijpende gevolgen gehad voor het persoonlijke leven van aangeefster. Zij heeft verklaard dat het haar helemaal gek maakte en dat het ook consequenties heeft gehad voor het hele gezin. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan zodanig zijn geweest dat van een wederrechtelijke en stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster sprake is geweest. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging, met dien verstande dat de rechtbank uitgaat van een startdatum van 24 augustus 2018. Op die dag hadden verdachte en aangeefster ruzie. Dat is gezien door getuige [getuige 2] . Verdachte heeft verklaard dat hij haar die dag misschien een duwtje heeft gegeven. Voor de periode van 1 augustus 2018 tot 24 augustus 2018 bevat het dossier naast de aangifte van aangeefster [slachtoffer 1] onvoldoende ondersteunend bewijs, mede gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer 1] verdachte die periode had geblokkeerd. Voor die periode zal verdachte dan ook worden vrijgesproken. Bedreiging (feit 2) Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 lid 1 Sr) is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde - naar objectieve maatstaven - de redelijke vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou worden gegeven, alsmede dat het opzet van verdachte daarop was gericht. Naar het oordeel van de rechtbank kon bij aangeefster [slachtoffer 1] naar objectieve maatstaven de redelijke vrees ontstaan dat verdachte zijn dreigementen zou uitvoeren. De omstandigheden die de rechtbank hierbij meeweegt zijn de volgende. Verdachte heeft in de periode van 22 september 2018 tot en met 10 oktober 2018 een grote hoeveelheid WhatsApp-berichten aan aangeefster verstuurd, waarbij haar - met uitzondering van de nachtelijke uren - geen rust werd gegund. Als aangeefster afhoudend reageerde op verzoeken om af te spreken, volgde agressie van de kant van verdachte. Verdachte uitte zich in niet mis te verstane bewoordingen, zocht verdachte tegen haar wil op haar stageplek op en maakte op 24 augustus 2018 ook fysiek ruzie met haar. Onder deze omstandigheden kon bij verdachte de redelijke vrees ontstaan en staat ook vast dat het opzet van verdachte hier ook op was gericht. Het was immers zijn bedoeling aangeefster [slachtoffer 1] ertoe te bewegen de relatie met hem voort te zetten, danwel te hervatten. Dwang (feit 4) Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] heeft gedwongen contact met hem te dulden, terwijl zij dat eigenlijk niet wilde. Het opzet van verdachte was daar ook op gericht, gelet op de inhoud van zijn berichten, waarin aangeefster [slachtoffer 1] zich verzet tegen contact en verdachte het contact nu juist opzocht. In zoverre is sprake geweest van dwang in de zin van artikel 284 Sr. Alhoewel verdachte naar alle waarschijnlijk ook wilde bewerkstelligen dat aangeefster [slachtoffer 1] geen contact zou onderhouden met andere jongens, bevat het dossier geen bewijs van het feit dat aangeefster [slachtoffer 1] door de handelwijze van verdachte ook daadwerkelijk heeft nagelaten. Voor dat deel van het ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken. Bedreiging [slachtoffer 2] (feit 5) Voor het beoordelingskader wordt verwezen naar de bewijsoverweging bij feit 2 hierboven. Naar het oordeel van de rechtbank kon ook bij [slachtoffer 2] de redelijke vrees ontstaan dat verdachte zijn dreigementen zou uitvoeren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte probeerde via [slachtoffer 2] contact te krijgen met aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte zelf heeft verklaard ruzie te hebben met [slachtoffer 2] . Gelet op de vastberadenheid van verdachte, kon ook bij [slachtoffer 2] naar objectieve maatstaven de redelijke vrees ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou worden gegeven. Het opzet van verdachte was daar ook op gericht. Vrijspraak feit 3 De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte ten laste gelegde mishandeling (feit 3) niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de aangifte van aangeefster [slachtoffer 1] onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 2] dat verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] ruzie hebben gehad, maar [getuige 2] heeft de ten laste gelegde feitelijkheden (slaan, stompen, naar de grond duwen en het hoofd tegen de grond slaan) niet waargenomen. Zij verklaart dat zij niet heeft gezien dat verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] aan elkaar aan het duwen en trekken waren en dat zij bij aangeefster [slachtoffer 1] geen zichtbare verwondingen heeft gezien. Aldus is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde handelingen. De officier van justitie heeft in dit verband nog gewezen op de verklaring van getuige [getuige 1] (de moeder van aangeefster [slachtoffer 1] ). Zij verklaarde dat de broer van aangeefster [slachtoffer 1] haar een WhatsApp-bericht had getoond waarin verdachte zei dat hij [slachtoffer 1] al eens had geslagen in Houten bij de Kooikerplas. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze verklaring niet leiden tot een ander oordeel, nu genoemd bericht zich niet in het dossier bevindt en voor de rechtbank niet is na te gaan of een dergelijk bericht inderdaad door verdachte is verstuurd. In de zaak met parketnummer 16/652627-18:32 Bewijsmiddelen Verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, hoorde op 11 augustus 2018 dat cameratoezicht Utrecht zicht had op een grote vechtpartij waarbij meerdere mensen betrokken waren. Hij hield twee personen staande, de broers [broers] .33 Hij hoorde van de collega van cameratoezicht dat de genoemde verdachten beiden volop hadden gevochten. Daarop zijn zij aangehouden.34 In een proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd dat op zaterdag 11 augustus 2018 een mishandeling c/q openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden op de Markt in Veenendaal. Uit de beelden van de bewakingscamera's bleek dat er opnamen waren gemaakt van de vermoedelijke verdachte(n). Op de beelden is het volgende te zien: - 03:38:50 uur: twee personen staan recht tegenover elkaar. De verbalisant herkent [medeverdachte] en [slachtoffer 3] .35 - 03:38:59 uur: [medeverdachte] beweegt diverse malen zijn hoofd dreigend naar [slachtoffer 3] . Na het dreigen haalt [medeverdachte] met zijn rechterhand uit naar [slachtoffer 3] en hij raakt [slachtoffer 3] op zijn kin. - 03:39:00 uur: er komt een nieuw persoon in beeld. De verbalisant herkent deze persoon als [verdachte] . [verdachte] loopt direct naar [medeverdachte] en [slachtoffer 3] toe. - 03:39:05 uur: te zien is dat [verdachte] zich direct met de ruzie tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 3] bemoeit. - 03:39:10 uur: er ontstaat een vechtpartij tussen [medeverdachte] en [verdachte] tegen [slachtoffer 3] . Er wordt door alle betrokkenen over en weer geslagen en geduwd. [slachtoffer 3] valt tijdens de vechtpartij op de grond. Terwijl hij op de grond ligt, krijgt hij diverse trappen op zijn lichaam van [verdachte] en [medeverdachte] . Dit zijn zeker vijf stuks gegeven door [verdachte] . [slachtoffer 4] gaat zich dan ook met de vechtpartij bemoeien. Er is nog een persoon die zich met de vechtpartij bemoeit. Zijn identiteit is onbekend gebleven.36 -03:39:16: na een paar seconden staat [slachtoffer 3] weer op zijn benen en hij beweegt naar achteren. De vechtpartij tussen [medeverdachte] en [verdachte] en [slachtoffer 3] gaat door. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] slaan en schoppen [verdachte] [slachtoffer 3] en andersom. Het is een gevecht tussen deze drie personen. Het is [verdachte] en [medeverdachte] tegen [slachtoffer 3] .37 __________________ 32 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 11 augustus 2018, genummerd PL0900- 2018232764, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 88. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. 33 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 72. 34 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 73. 35 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 86. 36 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 87. 37 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 88. Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Uit de bewijsmiddelen volgt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich op 11 augustus 2018 in Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld. Hij is samen met zijn broer betrokken geweest bij een vechtpartij op straat waarbij hij heeft geslagen, geschopt en geduwd. De gewelddadige handelingen van verdachte en zijn broer richtten zich tegen [slachtoffer 3] . Verdachte heeft daarbij een zodanig wezenlijke bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld, dat sprake is van het in vereniging plegen van geweld. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het geweld zich ook heeft gericht tegen [slachtoffer 4] , zodat verdachte voor dat deel zal worden vrijgesproken. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: in de zaak met parketnummer 16/659772-18: Feit 1: in de periode van 24 augustus 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Houten en Utrecht en Valkenswaard, wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door - meermalen op verschillende tijdstippen naar de telefoon van die [slachtoffer 1] te bellen en te berichten (appen); en - meermalen op verschillende tijdstippen die [slachtoffer 1] te verzoeken om af te spreken; en - zich op te houden op de locatie van de stage van die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1] toen en daar aan het werk was); en - te bellen naar de stage van die [slachtoffer 1] ; en - meermalen te dreigen die [slachtoffer 1] en/of haar familieleden iets aan te doen; en - meermalen te dreigen (compromitterende) video's van die [slachtoffer 1] te verspreiden; en/of - eenmaal daadwerkelijk een (compromitterende) video van die [slachtoffer 1] heeft verspreid, met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen; Feit 2: in de periode van 28 september 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Houten en Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (langs elektronische weg) dreigend de woorden toe te voegen: "een kogel praat niet" en/of "je hebt een kanker probleem" en/of "ik sla je tanden naar de grond" en/of "ik pakje" en/of "ik ga jou harde stompen geven" en/of "je gaat klappen krijgen" en/of "ik ga je helemaal de kanker inslaan" en/of "ik zweer het op mijn moeder, ga iemand knallen van jou(
- w)kant" en/of "vanaf vandaag 24 uur voor je deur, ik observeer je, ik pakje, let op mijn woorden" en/of "ik knal jou kapot als ik jou zie" en/of "luister kom naar mij toe of ik knal" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Feit 4: in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Houten en Utrecht een ander, te weten [slachtoffer 1] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en derden, te weten de broer en moeder en vader van die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen of te dulden, te weten steeds opnieuw contact te krijgen/onderhouden, door - die [slachtoffer 1] te bellen en te berichten(appen); en - die [slachtoffer 1] (langs elektronische weg) dreigend de woorden toe te voegen: "een kogel praat niet" en/of "je hebt een kanker probleem" en/of "je broer gaat kapot" en/of "je tel gaat kapot" en/of "ik sla je tanden naar de grond" en/of "ik pakje" en/of "ik heb niks meer te verliezen" en/of "ik ga jou harde stompen geven" en/of "je gaat klappen krijgen" en/of "ik ga je helemaal de kanker inslaan" en/of "ik zweer het op mijn moeder, ga iemand knallen van jou(
- w)kant" en/of "vanaf vandaag 24 uur voor je deur, ik observeer je, ik pak je, let op mijn woorden" en/of "ik knal jou kapot als ik jou zie" en/of "luister kom naar mij toe of ik knal", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en - (meermalen) te dreigen (compromitterende) foto's en/of video's van die [slachtoffer 1] te verspreiden; en - eenmaal daadwerkelijk een (compromitterende) video van die [slachtoffer 1] heeft verspreid; Feit 5: in of omstreeks de periode van l februari 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Houten en/of Utrecht, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (langs elektronische weg) dreigend de woorden toe te voegen: "zie ik jou al rennen of je bent de od dood" en/of "begin alleen te vuren" en/of "je gaat naast je neef liggen" en/of "en naast je kkk opa" en/of "je gaat dooooddddd" en/of "naast je kkk opa ligghen enje neef' en/of "ik maak je dooodddd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; in de zaak met parketnummer l 6/652627-18 primair: op 11 augustus 2018 te Veenendaal, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Markt, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het slaan en trappen en duwen van die voornoemde [slachtoffer 3] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT In de zaak met parketnummer 16/659772-18: De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als: Feit 1 en feit 4: Eendaadse samenloop van belaging en een ander door bedreiging met geweld en feitelijkheden, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; Feit 2 en feit 5: Telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. In de zaak met parketnummer l6/652627-18 6.1 Het standpunt van de verdediging Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Er was onenigheid ontstaan tussen de broer van verdachte en [slachtoffer 3] . Verdachte liep daar naartoe om de zaak te sussen. Eenmaal aangekomen kreeg hij een low kick van [slachtoffer 3] . Dat betrof de eerste geweldshandeling. Verdachte schoot zijn broer te hulp, zodat is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Het toegepaste geweld was niet onevenredig, omdat [slachtoffer 3] ook heeft geschopt en geslagen. 6.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. De confrontatie is gezocht door de broer van verdachte en verdachte komt zich met de situatie bemoeien op het moment dat er nog geen geweld is toegepast. Voorts is niet voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, omdat [slachtoffer 3] op enig moment op de grond valt en verdachte en zijn broer hem vervolgens blijven schoppen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag hebben gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de eerste geweldshandeling afkomstig is van de broer van verdachte. Nadat hij eerst een aantal dreigende bewegingen had gemaakt, haalt hij met zijn rechterhand uit naar [slachtoffer 3] die daarbij op zijn kin wordt geraakt. Vervolgens begeeft verdachte zich naar de situatie en bemoeit hij zich direct met de ruzie. [slachtoffer 3] reageert met schoppen in de richting van verdachte en diens broer. Daarna ontstaat een vechtpartij tussen deze drie personen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, in navolging van zijn broer, de confrontatie gezocht met [slachtoffer 3] , zodat de handelingen van verdachte, gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Zijn handelingen moeten - naar de kern bezien - als aanvallend worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden komt verdachte geen beroep op noodweer toe. Dat verdachte op een later moment wordt aangevallen door [slachtoffer 4] , maakt dat niet anders. Voor zover op dat moment al sprake zou zijn van een noodweersituatie, geldt dat die situatie niet bestond ten tijde van de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 3] . Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 7DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE In de zaak met parketnummer 16/659772-18 Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. In de zaak met parketnummer 16/652627-18 Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van noodweerexces. De raadsman heeft (subsidiair) gesteld dat de verdachte weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door (het onmiddellijk dreigend gevaar voor) de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie (zie onder rubriek 6. hierboven), zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen, zodat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8MOTIVERING VAN DE STRAFFEN EN MAATREGELEN 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 270 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 109 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren; - aan verdachte de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, strekkende tot beperking van de vrijheid van verdachte, op te leggen voor de duur van drie jaar, waarbij wordt bevolen dat verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zich niet zal ophouden op de [straat] , [woonplaats] , of binnen een straal van 500 meter daaromheen. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan vordert de officier van justitie voor iedere overtreding drie weken vervangende hechtenis, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie heeft voorts gevorderd te bepalen dat het vonnis en de maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Een gevangenisstraf van 270 dagen is buitenproportioneel. Verdachte heeft voor deze zaken al 161 dagen in voorlopige hechtenis gezeten en zelfs dat was al te veel. De oriëntatiepunten van het LOVS gaan bij openlijke geweldpleging uit van een taakstraf, bij bedreiging van een geldboete van € 250,00. Bij belaging gaan de richtlijnen van het openbaar ministerie uit van een taakstraf van 80-120 uur en 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf bij een periode van 0-3 maanden. In casu is de periode nog korter. Bij de feiten 2 en 4 is sprake van eendaadse samenloop, danwel een voortgezette handeling. Het gevorderde locatieverbod is te ruim en dient beperkt te worden tot de directe woonomgeving van aangeefster [slachtoffer 1] . Dadelijke uitvoerbaarheid is niet aan de orde, omdat er geen sprake is van een concreet gevaar; er is al heel lang geen sprake meer van contact tussen verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] . 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking, bedreiging met de dood en zwaar lichamelijk letsel en dwang van aangeefster [slachtoffer 1] . De rode lijn daarvan is dat aangeefster [slachtoffer 1] de relatie met verdachte heeft beëindigd en verdachte dat niet heeft kunnen verkroppen. Tegen die achtergrond heeft verdachte ook de broer van aangeefster [slachtoffer 1] met de dood bedreigd. Stalking, bedreiging met de dood en zwaar lichamelijk letsel en dwang zijn strafbare feiten die voor slachtoffers een grote impact hebben. Ook in dit geval hebben de feiten een grote impact gehad op aangeefster [slachtoffer 1] en haar familie. Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Ook dat is een ernstig feit dat bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer en het publiek in het algemeen. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennis genomen van een rapportage Pro Justitia betreffende de persoon van verdachte, opgemaakt op 5 november 2019 door drs. B.G.J. Gunnewijk (kinder- en jeugdpsychiater), een rapportage Pro Justitia van drs. R.M.C. Hoogstraten (GZ-psycholoog) van 17 juni 2019, en een brief van laatstgenoemde psycholoog van 4 november 2019. Psychiater Gunnewijk concludeert dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk antisociale kenmerken en een zwakbegaafd niveau van cognitief functioneren. Hij constateert geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Omdat de psychiater geen duidelijke aanwijzingen heeft gevonden dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens verdachtes keuzes bij het ten laste gelegde heeft beïnvloed, is het advies hem de feiten volledig toe te rekenen en wordt niet geadviseerd tot het opleggen van enige vorm van behandeling. Het recidiverisico wordt als redelijk hoog ingeschat. De psycholoog Hoogstraten komt in zijn rapportage van 17 juni 2019 tot een iets andere conclusie. Volgens hem is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de vorm van laagbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken die maakt dat het ten laste gelegde verdachte verminderd is toe te rekenen. Hij adviseert een klinische observatie van verdachte. In zijn brief van 4 november 2019 handhaaft hij dit advies, ondanks het feit dat hij verdachte al enige tijd niet heeft gesproken. Het recidiverisico wordt ingeschat als zeer hoog. In navolging van de officier van justitie en de verdediging, zal de rechtbank het advies van de psychiater volgen. De psychiater heeft blijkens de verschillende rapportages uitgebreider met verdachte gesproken en moet daarom worden geacht beter in staat te zijn geweest over verdachte te rapporteren. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het bewezenverklaarde volledig aan verdachte valt toe te rekenen. De reclassering heeft in een advies van 31 oktober 2019 geadviseerd dat er wel aanwijzingen zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht, maar dat de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden beperkt of uitgeput zijn, omdat verdachte niet ontvankelijk is gebleken voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning en de jeugdreclassering verdachte onvoldoende heeft kunnen bereiken. Het jeugdstrafrecht is naar de mening van de reclassering dan ook contra-geïndiceerd. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare, zodat het volwassenenstrafrecht zal worden toegepast. De reclassering heeft ten slotte geconcludeerd dat zij geen mogelijkheden ziet ten aanzien van interventies binnen een regulier ambulant kader. Oplegging straf en maatregel Aan de verdediging dient te worden toegegeven dat voor de bewezen verklaarde feiten, ieder op zichzelf beschouwd, in het algemeen geen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat de combinatie van de verschillende feiten (die volledig aan verdachte zijn toe te rekenen) maakt dat een (deels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf passend en geboden is. Voor het bepalen van de duur daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang. In het nadeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat hij in de zaak met parketnummer 16/659772-18 geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen heeft genomen. Zowel bij de politie als ter zitting heeft hij volgehouden dat de duizenden app berichten die zich in het dossier bevinden niet van hem afkomstig zijn. Tegelijkertijd is voor de juistheid van zijn stelling geen enkele aanwijzing gevonden en heeft hij geweigerd de politie toegang te verschaffen tot zijn telefoon. Ook in de zaak met parketnummer 16/652627-18 heeft verdachte volhard in zijn lezing van de feiten, terwijl die geenszins stroken met de beelden van de beveiligingscamera's. In het nadeel van verdachte laat de rechtbank voorts meewegen dat verdachte blijkens een uittreksel justitiële documentatie van 1 oktober 2019, op 7 februari 2017 is veroordeeld voor ontucht, het uitgeven van vals geld en diefstal met geweld. Verdachte is anderhalf jaar daarna gerecidiveerd in delicten waarbij opnieuw sprake was van geweld (parketnummer 16/652627-18) en het dreigen met ernstig geweld (parketnummer 16/659772-18). In het voordeel van verdachte weegt mee dat sprake is van eendaadse samenloop voor de feiten I en 4 onder parketnummer 16/659772-18. Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 220 dagen, waarvan 59 dagen voorwaardelijk, met aftrek, passend en geboden is. De rechtbank acht die straf op zijn plaats gelet op bovengenoemde omstandigheden die in het nadeel van verdachte meewegen. De rechtbank ziet vanwege het recidivegevaar tevens aanleiding om een contactverbod met [slachtoffer 1] en een locatieverbod op te leggen. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank deze verboden niet opleggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van het Strafrecht, maar als bijzondere voorwaarden. De proeftijd bedraagt 2 jaar. De rechtbank zal bepalen dat het vonnis dadelijk uitvoerbaar is, nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 9TEN AANZIEN VAN DE BENADEELDE PARTIJ In de zaak met parketnummer 16/652627-18 heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij vordert een bedrag van € 799,00 bestaande uit€ 299,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde openlijk geweld jegens hem op 11 augustus 2018. 1.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering hoofdelijk geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie vordert het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. 1.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [slachtoffer 3] in zijn vordering, danwel afwijzing, omdat sprake is van eigen schuld van de kant van [slachtoffer 3] . 1.3. Het oordeel van de rechtbank Behandeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank - gelet op de omstandigheden zoals gebleken uit het dossier - een onevenredige belasting van het strafgeding op. Een goede beoordeling van de vordering vergt immers nader onderzoek naar onder meer de vraag in hoeverre sprake is van eigen schuld van de zijde van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 10TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING Bij de stukken bevindt zich de op 29 oktober 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 21/000053-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 7 februari 2017 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren en drie maanden jeugddetentie, met bevel dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een akte van 18 juli 2018 met de kennisgeving als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals blijkt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Dat geeft in beginsel aanleiding tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten. De rechtbank zal de tenuitvoerlegging echter slechts voor een gedeelte gelasten en in plaats van de jeugddetentie een taakstraf gelasten. Evenals de officier van justitie, acht de rechtbank het niet in het belang van de maatschappij om verdachte in (jeugd)detentie te laten zitten. De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van een maand jeugddetentie, maar bepaalt dat deze wordt omgezet in het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 1 maand hechtenis voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht. 11TOEPASSELUKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 141,284,285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 12BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak verklaart het onder 3 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 16/659772-18 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld; verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf en maatregel veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 220 dagen; bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 59 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(
- n)niet heeft nageleefd; stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast; als voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: * zich niet ophoudt op de [straat] , [woonplaats] , of binnen een straal van 500 meter daaromheen; * zich onthoudt van contact met [slachtoffer 1] (direct, indirect en ook als deze persoon zelf contact zoekt); Benadeelde partij in zaak met parketnummer 16/652627-18 verklaart [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; Vordering tenuitvoerlegging in zaak met parketnummer 21/000053-16 wijst de vordering gedeeltelijk toe; gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de door de het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden bij arrest van 7 februari 2017 opgelegde voorwaardelijke straf te weten een jeugddetentie voor de duur van 1 maand; gelast in plaats van deze vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uren; beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 1 maand hechtenis; Dadelijke uitvoerbaarheid beveelt dat dit vonnis dadelijk uitvoerbaar is; Voorlopige hechtenis heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. A.C. van den Boogaard en L.E. Verschoor-Bergsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2019. Mr. I.L. Gerrits en mr. L.E. Verschoor-Bergsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE: De tenlastelegging Parketnummer 16/659772-18 l. hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Houten en/of Utrecht en/of Valkenswaard, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door - meermalen op verschillende tijdstippen naar de telefoon van die [slachtoffer 1] te bellen en/of te berichten (appen) en/of - meermalen op verschillende tijdstippen die [slachtoffer 1] te verzoeken om af te spreken en/of - zich op te houden op de locatie van het/de werk/stage van die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1] (toen en daar) aan het werk was) en/of - te bellen naar het/de werk/stage van die [slachtoffer 1] en/of - meermalen te dreigen die [slachtoffer 1] en/of haar familieleden iets aan te doen en/of - (meermalen) te dreigen (compromitterende) foto's en/of video's van die [slachtoffer 1] openbaar te maken en/of te verspreiden en/of - eenmaal daadwerkelijk een (compromitterende) video van die [slachtoffer 1] heeft verspreid, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen; art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht 2. hij in of omstreeks de periode van 28 september 2018 tot en met l0 oktober 2018 te Houten en/of Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (langs elektronische weg) dreigend de woorden toe te voegen: "een kogel praat niet" en/of "je hebt een kanker probleem" en/of "ik sla je tanden naar de grond" en/of "ik pakje" en/of "ik ga jou harde stompen geven" en/of "je gaat klappen krijgen" en/of "ik ga je helemaal de kanker inslaan" en/of "ik zweer het op mijn moeder, ga iemand knallen van jou(
- w)kant" en/of "vanaf vandaag 24 uur voor je deur, ik observeer je, ik pak je, let op mijn woorden" en/of "ik knal jou kapot als ik jou zie" en/of "luister kom naar mij toe of ik knal" en/of "nieuwe automatische dingen had opgehaald, geen genade voor mensen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht 3. hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te Houten, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door met zijn, verdachtes, elleboog tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of die [slachtoffer 1] naar de grond te duwen en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen de grond te slaan/duwen; art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht 4. hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Houten en/of Utrecht, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten de broer en/of moeder en/of vader van die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten steeds opnieuw contact te krijgen/onderhouden en/of ervoor te zorgen dat die [slachtoffer 1] geen contact heeft/krijgt met andere mannen/jongens, door - die [slachtoffer 1] te bellen en/of te berichten(appen) en/of - die [slachtoffer 1] (langs elektronische weg) dreigend de woorden toe te voegen: "een kogel praat niet" en/of "je hebt een kanker probleem" en/of "je broer gaat kapot" en/of "je tel gaat kapot" en/of "ik sla je tanden naar de grond" en/of "ik pakje" en/of "ik heb niks meer te verliezen" en/of "ik ga jou harde stompen geven" en/of "je gaat klappen krijgen" en/of "ik ga je helemaal de kanker inslaan" en/of "ik zweer het op mijn moeder, ga iemand knallen van jou(
- w)kant" en/of "vanaf vandaag 24 uur voor je deur, ik observeer je, ik pak je, let op mijn woorden" en/of "ik knal jou kapot als ik jou zie" en/of "luister kom naar mij toe of ik knal" en/of "nieuwe automatische dingen had opgehaald, geen genade voor mensen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of - (meermalen) te dreigen (compromitterende) foto's en/of video's van die [slachtoffer 1] openbaar te maken en/of te verspreiden en/of - eenmaal daadwerkelijk een (compromitterende) video van die [slachtoffer 1] heeft verspreid; art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 5. hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Houten en/of Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (langs elektronische weg) dreigend de woorden toe te voegen: "zie ik jou al rennen of je bent de od dood" en/of "begin alleen te vuren" en/of "je gaat naast je neef liggen" en/of "en naast je kkk opa" en/of "je gaat dooooddddd" en/of "naast je kkk opa ligghen en je neef' en/of "ik maak je dooodddd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht Parketnummer 16/652627-18 Primair hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Veenendaal, althans in arrondissement Midden-Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Markt, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , welk geweld bestond uit het slaan en/of trappen en/of duwen en/of gooien van die voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ; art 14 I lid 1 Wetboek van Strafrecht Subsidiair hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Veenendaal, althans in arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te slaan en/of te trappen en/of te duwen en/of te gooien; art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht