RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 7479059 UE VERZ 19-21 LH/1040 Beschikking van 28 februari 2019 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [verzoeker] , verzoekende partij, tevens verwerende partij gemachtigde: mr. M.E. Stefels, tegen: de stichting [verweerder] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [school] of de school, verwerende partij, tevens verzoekende partij, gemachtigde: mr. C.M. van der Velden-Rijnsburger. 1Het verloop van de procedure 1.1. [verzoeker] heeft op 22 januari 2019 een verzoekschrift ingediend, primair onder meer strekkende tot vernietiging van het hem op 22 november 2018 door het [school] gegeven ontslag op staande voet, en tevens houdende het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. 1.2. Het [school] heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen voor het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet zou vernietigen. 1.3. De zaak is behandeld ter zitting van 19 februari 2019. [verzoeker] is ter zitting verschenen, vergezeld door mr. Stefels. Voor het [school] zijn verschenen de heer [A] , voorzitter van het College van Bestuur, en mevrouw [B] , Hoofd P&O van het [school] , vergezeld door mr. Van der Velden-Rijnsburger. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht. Mr. Stefels deed dat mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen. Ter zitting heeft de kantonrechter, samen met partijen, de door het [school] in het geding gebrachte camerabeelden van 22 november 2018 bekeken. Partijen hebben geantwoord op vragen van de kantonrechter en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. 1.4. Daarna is partijen aangekondigd dat uitspraak zal worden gedaan. 2De feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op [1957] (en nu dus 61 jaar), is op 1 juni 2001 in dienst getreden van het [school] , een mbo-school in media, vormgeving en communicatie. Sinds 1 maart 2005 vervult [verzoeker] de functie van technisch medewerker binnen de afdeling Facilitaire Zaken, laatstelijk (sinds 2016) op de locatie aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Het laatstgenoten loon heeft € 2.916,-- bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering) bedragen. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de mbo-cao van toepassing verklaard. 2.2. Als technisch medewerker is [verzoeker] verantwoordelijk voor het toezicht op, en het beheer en onderhoud van gebouwen, inventaris en apparatuur. In zijn functie heeft hij onder meer contacten met de gebruikers van de gebouwen, onder wie de leerlingen van de school. [verzoeker] vervult als onderwijsondersteunende medewerker, net als het onderwijzend personeel een sleutelpositie bij de handhaving van de orde en veiligheid op de school. 2.3. Op donderdag 22 november 2018, omstreeks 13.20 uur, was [verzoeker] in het kader van de uitoefening van zijn functie onderweg naar de hoofdvestiging van het [school] aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Uit camerabeelden blijkt dat zich toen voor de school een groepje van zeven leerlingen bevond, van waaruit een plastic zakje met (naar het lijkt) boterhammen op straat werd gegooid. Omdat niemand het zakje weer opraapte, sprak [verzoeker] de jongens erop aan en vroeg een van hen ( [verzoeker] had niet gezien wie gegooid had) om het zakje op te rapen en in de nabije vuilnisbak te doen. Deze ongeveer 14-jarige jongen, die later [C] bleek te heten, weigerde dat ook na herhaald vragen van [verzoeker] te doen, omdat hij het zakje niet had weggegooid. Degene die dat wél had gedaan, reageerde evenmin op het verzoek van [verzoeker] . [verzoeker] stoorde zich zichtbaar aan het gedrag van de jongens (de camerabeelden zijn zonder geluid) en de groep ergerde zich kennelijk aan het optreden van [verzoeker] . Daarop heeft [verzoeker] het zakje zelf opgeraapt en in de afvalbak gegooid, genoemde [C] vermanend toesprekend. Toen hij daarna zijn weg vervolgde, hoorde hij dat deze [C] hem (zoals die zelf later verklaarde: op hogere toon) iets nariep. Daarop heeft [verzoeker] zich omgedraaid en de jongen gevraagd even met hem mee te lopen, omdat hij hem apart van de groep wilde spreken. Om de hoek, onder ‘de brug’, is [verzoeker] , achternagelopen door de rest van de groep, op [C] , die met een drinkflesje in z’n linkerhand op hem stond te wachten, toegelopen. Op de camerabeelden is te zien hoe [verzoeker] , toen hij vlak bij [C] was, de jongen twee keer met z’n rechterhand van zich afduwde, de eerste keer tegen diens borst en de tweede keer, toen de jongen al achteruit liep, tegen diens keel. Een van de inmiddels toegestroomde andere jongens wierp daarna iets naar [verzoeker] . Dezelfde jongen schopte hem vervolgens van achteren tegen zijn heup. Terug op het schoolplein heeft [verzoeker] [C] nog kort toegesproken, waarna de jongens zich verwijderden en [verzoeker] de school binnen ging. 2.4. [verzoeker] heeft het voorval gemeld aan de dienstdoende toezichthouder. [C] heeft zich over [verzoeker] beklaagd bij de school. Nadat het [school] de camerabeelden van het incident had bekeken, is [verzoeker] aan het eind van de middag van dezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. In dat gesprek, die dag omstreeks 17.15 uur, heeft het [school] [verzoeker] op staande voet ontslagen. 2.5. In de ontslagbrief van 23 november 2018, waarbij het [school] het ontslag aan [verzoeker] bevestigde, is hem het volgende meegedeeld: ‘Op de camerabeelden is te zien dat je de betreffende leerling vanaf het schoolplein apart hebt genomen (onder de poort). Je hebt de leerling vervolgens tot tweemaal toe bij de keel beetgepakt en hem vanuit die positie geduwd.(-) Jij hebt erkend dat je de leerling één duw hebt gegeven, maar je ontkende dat je hem nogmaals hebt geduwd en hem bij de keel hebt beetgepakt. Je bagatelliseerde jouw gedrag en noemde het incident een “verstappertje”. (-) Wij kwalificeren het tot tweemaal toe beetpakken van een leerling bij zijn keel en de twee duwen, zowel elk op zichzelf genomen als ook in hun onderlinge samenhang bezien, als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW, die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Bij deze beslissing hebben wij alle (persoonlijke) omstandigheden meegenomen, waaronder het feit dat jouw handelswijze/gedrag in het verleden (zie o.a. de brief d.d. 12 november 2014) ook al onderwerp van gesprek is geweest, [school] ( [school] , kantonrechter) jou op dat moment ‘het voordeel van de twijfel heeft gegeven’ en toen is besloten jou een laatste kans te geven. Hierbij bevestig ik jou derhalve schriftelijk het gisteren aan jou verleende ontslag op staande voet.’ 2.6. Bij e-mail van 26 november 2018 van zijn gemachtigde heeft [verzoeker] tegen het ontslag geprotesteerd, zich beschikbaar gesteld voor werk en aangekondigd rechterlijke vernietiging van het ontslag te zullen vragen. Het [school] heeft [verzoeker] en zijn gemachtigde de camerabeelden van het voorval van 22 november 2018 getoond, maar wilde - ook na de brief van mr. Stefels van 6 december 2018 - van een voortzetting van het dienstverband niet weten. [verzoeker] is daarom niet meer in de gelegenheid gesteld zijn werkzaamheden te verrichten. De loonbetaling is per 22 november 2018 gestopt. 3De verzoeken van [verzoeker] 3.1. verzoekt de kantonrechter primair om de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 22 november 2018 te vernietigen. Hij verzoekt om het [school] te veroordelen om hem binnen 48 uur na betekening van de te wijzen beschikking toegang te verlenen tot de werkplek en hem in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat het [school] daaraan niet voldoet, alsmede om hem het overeengekomen loon, vakantiebijslag en eindejaarsuitkering (naar rato) van € 3.392,-- bruto per maand te betalen over de periode van 22 november 2018 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling en de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid tot de voldoening. [verzoeker] vordert tevens dat het [school] wordt veroordeeld om aan hem deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag dat het [school] hieraan niet voldoet (met een maximum van € 10.000,--). Tevens vordert [verzoeker] de veroordeling van het [school] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Subsidiair en meer subsidiair vordert [verzoeker] dat het [school] wordt veroordeeld om aan hem een billijke vergoeding, de schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn en de transitievergoeding, met de wettelijke rente daarover, te betalen, met verstrekking van (een) deugdelijke bruto/netto specificatie(s), op straffe van verbeurte van een dwangsom. 3.2. [verzoeker] verzoekt bovendien om, bij wege van voorlopige voorziening, het [school] voor de duur van de procedure te veroordelen tot - kort gezegd - wedertewerkstelling en loonbetaling. 3.3. [verzoeker] legt aan zijn (primaire) verzoek en vordering ten grondslag dat het [school] de arbeidsovereenkomst op 22 november 2018 niet rechtsgeldig, want in strijd met het bepaalde in artikel 7:671 Burgerlijk Wetboek (BW), heeft opgezegd. Een dringende reden voor een ontslag op staande voet ontbrak, omdat hij de leerling alleen, hoog tegen de borst, van zich af heeft geduwd, maar hem niet bij de keel heeft vastgepakt. Nu dat laatste (het bij de keel beetpakken) kennelijk voor het [school] de kern van het hem gemaakte verwijt vormde, had met een waarschuwing kunnen, en moeten, worden volstaan. Twee duwen rechtvaardigen volgens [verzoeker] niet de zwaarste sanctie van een ontslag op staande voet, temeer nu een duidelijke richtlijn over hoe om te gaan met escalerende situaties ontbreekt en [verzoeker] voor het laatst acht jaar geleden (in of omstreeks 2010) een agressietraining heeft gehad. Verder benadrukt [verzoeker] dat bij de beoordeling van zijn gedrag rekening moet worden gehouden met de aanloop naar het voorval onder ‘de brug’. Toen [verzoeker] de jongens daarvóór aansprak op het weggooien van het zakje, hetgeen hij als medewerker van de school tot zijn taak rekent, weigerden zij het botweg om de rommel op te ruimen. Nadat hij dat toen maar zelf gedaan en [C] streng toegesproken had, werd [verzoeker] - terwijl hij alweer van de groep wegliep - voor ‘ouwe lul’ uitgescholden. Ook toen hij [C] in verband daarmee apart had genomen en onder ‘de brug’ naar hem toeliep, stelde de jongen zich uitdagend op en schold hem uit (‘Waar blijf je nou ouwe lul, je wou toch praten. Kom dan, kom dan’). Dat heeft gemaakt dat hij uit z’n slof is geschoten en, zoals hij nu - terugkijkend - beseft, niet de rust heeft bewaard die van hem verwacht mocht worden. 3.4. Het [school] verweert zich tegen toewijzing van het (primaire) verzoek en de vordering van [verzoeker] . De arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is op 22 november 2018 onverwijld wegens een dringende reden opgezegd. Daarmee is een rechtsgeldig einde aan het dienstverband gekomen. Het [school] wijst erop dat [verzoeker] , na de schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim die hem op 12 november 2014 is gegeven, al een ‘gewaarschuwd man’ was. Hij wist dat hij zich voortaan als een goed werknemer moest gedragen, en dat anders ontslag niet was uitgesloten. Op 22 november 2018 heeft [verzoeker] zich niettemin jegens een leerling zeer ernstig misdragen. Hij heeft de jongen ( [C] ) tot tweemaal toe bij de keel beetgepakt en hem vanuit die positie, in een vloeiende beweging, geduwd. Het gebruiken van fysiek geweld tegen leerlingen is uit den boze en wordt, zo blijkt ook uit de gedragscode van de school, niet geaccepteerd. Het [school] draagt, extern en intern, de verantwoordelijkheid dat de school een veilige leer- en werkomgeving is. Voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, verzoekt het [school] (met een beroep op HR 13 juli 2018 JAR 2018, 203 inzake ‘ [naam] ’) om te bepalen dat zij vanaf 22 november 2018 aan [verzoeker] geen loon verschuldigd is. Indien het ontslag op staande voet zou worden vernietigd, beroept het [school] zich (meer subsidiair) op matiging van de loonvordering in de zin van artikel 7:680a Burgerlijk Wetboek (BW). 4Het verzoek van het [school] 4.1. Voor het geval het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet zou worden toegewezen, verzoekt het [school] om de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden. De school baseert dit verzoek op de zogenoemde e-, subsidiair op de g-grond. [verzoeker] heeft zich op 22 november 2018 dermate verwijtbaar gedragen en de arbeidsverhouding met hem is daardoor zodanig verstoord, dat van het [school] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met hem te laten voortduren. Het [school] wijst er in dit verband op dat veel studenten het incident van 22 november 2018 hebben gezien en zich niet meer veilig voelen als [verzoeker] terug zou keren. [verzoeker] heeft, als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, geen recht op een transitievergoeding, omdat de ontbinding het gevolg is van zijn ernstig verwijtbaar handelen, aldus de school. 4.2. [verzoeker] verweert zich tegen toewijzing van dit ontbindingsverzoek. Hij meent dat voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen redelijke grond aanwezig is. 5De beoordeling van het geschil Het ontslag op staande voet 5.1. Het draait in dit geding om de vraag of het [school] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 22 november 2018 op staande voet heeft kunnen beëindigen. Omdat tussen partijen vast staat dat aan de (dubbele) onverwijldheidseis is voldaan (het ontslag is op 22 november 2018 gegeven en de ontslagreden is bij brief van 23 november 2018 meegedeeld), komt het in dit geding aan op de vraag of het ontslag op staande voet is, en kon worden, gebaseerd op een dringende reden. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt. En verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Toegespitst op het geschil van partijen overweegt de kantonrechter het volgende. 5.2. Vast staat dat het [school] zich er, blijkens haar brief van 23 november 2018, voor het door haar verleende ontslag op staande voet op beroept dat [verzoeker] op 22 november 2018 een leerling (genoemde [C] ) tot tweemaal toe bij de keel heeft beetgepakt en twee keer heeft geduwd. Voor zover het [school] zich in dit geding op het standpunt zou hebben willen stellen dat sprake is van een situatie waarin ‘de druppel de emmer doet overlopen’ en dat aan het ontslag mede het eerdere plichtsverzuim, waarvoor [verzoeker] in november 2014 is berispt, ten grondslag ligt, wordt zij daarin niet gevolgd. Blijkens de ontslagbrief van 23 november 2018 is alleen het voorval van 22 november 2018 voor de school de dringende reden voor het ontslag op staande voet geweest. De (aanleiding tot
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.