RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/706919-15 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 13 januari 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1974] , wonende te [adres] , [woonplaats] (Duitsland). 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2018 (regie) en 21 maart 2019 (regie) en op 18 en 19 november en 30 december 2019. Op 18 en 19 november 2019 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden, waarbij de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd is behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Op 30 december 2019 is het onderzoek op de terechtzitting gesloten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen en standpunten van officier van justitie mr. B. Nitrauw en van hetgeen verdachte en mr. H.M.G. Peters, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode van 1 maart 2015 tot en met 9 februari 2016 in Utrecht en/of elders in Nederland en/of Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie die als doel het plegen van opiumwetdelicten had. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Inleiding - deelname aan een criminele organisatie Onderliggende strafzaak tegen zeven verdachten heeft betrekking op het onderzoek 09Cosby, dat is gestart naar aanleiding van door de politie ontvangen informatie dat enkele leden van de familie [familie] zich bezig zouden houden met de invoer van hasj. Gedurende het onderzoek zijn daar tegen de verschillende verdachten nog andere verdenkingen van strafbare feiten bijgekomen. Aan alle verdachten is de deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd welke organisatie als doel had het plegen van Opiumwet feiten. In de optiek van het Openbaar Ministerie richtte die organisatie zich op de hasjhandel in Nederland in het algemeen, het opzetten van hennepkwekerijen in Spanje en op de levering van hasj aan coffeeshops in Amsterdam. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte gedurende ruim acht maanden deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie. Verdachte heeft volgens de officier van justitie in deze periode samengewerkt met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Het doel van de organisatie was het bouwen van hennepkwekerijen in Spanje, de export van hennep naar Nederland en de algemene hasjhandel in Nederland. Volgens het Openbaar Ministerie is aan alle vereisten om te kunnen spreken van een criminele organisatie voldaan, waarbij verdachte een uitvoerende rol had (onder andere het bouwen van hennepkwekerijen). 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs voor de onder de gedachtestreepjes ten laste gelegde handelingen. In het geval dat de rechtbank de gedraging(
(5)van die grote en hij zei: "Ehh???". En ik zei tegen hem 37!!! En hij zei toen: "Nee, nee, nee, nee, nee, begrijp je mij?". [medeverdachte 3] : Ja. [medeverdachte 1] : Daarna ben ik naar huis gegaan en ik zag 5 van die kleine dingen. Ik zei tegen hem: "Vijf grote". Maar hij was toen al in Gouda of in Den Haag. Toen zei hij, het hoeft niet en ik zei tegen hem, je moet komen, want er zitten mensen te wachten. Maar hij had geen zin om terug te komen. [medeverdachte 3] : Ja. [medeverdachte 1] : En toen .... (ntv) ... zei die, wat is dit allemaal, je moet oppassen dat er niets fout gaat of zo. [medeverdachte 3] : Alleen daarvoor had je het niet moet doen. [medeverdachte 1] : Maar luister eens, je weet toch hoe ik bezit, ik moet nou alles doen. [medeverdachte 3] : Ja. [medeverdachte 1] : Ze pakte dat en ze zou gaan en meteen terugkomen. Maar .... [medeverdachte 3] : Ja. [medeverdachte 1] : Je weet hoe zij doen, alles open en zo. [medeverdachte 3] : Ja, ja, ja, ga verder. [medeverdachte 1] : Je weet hoe ze het doen, het duurde lang, het duurde 1 uur. Toen heeft hij gebeld en ik zei tegen hem klaar, over tien minuten kom ik. Begrijp je? [medeverdachte 3] : Ja. [medeverdachte 1] : Hij zei, oke, klaar, ik wacht af, als alles goed gegaan is. Om 21:46 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] : [medeverdachte 3] zegt dat die ouwe man een egoïstisch en gierig man is. (…) [medeverdachte 1] zegt dat hij in feiten voor 300 euro heeft gewerkt en dat hij dat zelf gepakt heeft, maar niet weet hoe hij zou gaan reageren. (…). [medeverdachte 1] zegt: “Je weet hoe ik ben, als iemand tegen mij zegt, Amsterdam, Amsterdam, en als ik naar Amsterdam ga, dan wil ik gewoon heen en terug, klaar, maar het ging niet zo en ik was bang”. [medeverdachte 3] zegt dat die auto niet van mij was en [medeverdachte 1] zegt, ik zei ook tegen hem, ik zei: “Je had ook tegen mij kunnen zeggen, geef mij maar, wat maakt het uit, of ik je hier geef of ik geef je het in Utrecht”. [medeverdachte 3] zegt dat ene hem niet interesseert, maar wat hem wel interesseert is die oude, die altijd zo is en niets met hem kunnen bereiken. (…) [medeverdachte 3] zegt dat die man niks is en dat hij zelf die auto heeft verzekerd, APKgekeurd en alles geregeld heeft. [medeverdachte 1] vraagt hem hoe het kan dat hij dat niet geregeld heeft, terwijl hij daar 3 maanden was. [medeverdachte 3] weet dus niet hoe die man denkt en vraagt hem of [verdachte] nog daar is. [medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] misschien a.s. zaterdag gaat vertrekken en vraagt hem zijn moeder daar goed aangekomen is. [medeverdachte 3] zegt dat zij boven zijn en dat hij lang heeft moeten wachten op de luchthaven op ze. Om 22:36 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] : [medeverdachte 2] : Ben je thuis. [medeverdachte 1] : Nee, dat ene ligt daar. [medeverdachte 2] : Waar? [medeverdachte 1] : Waar je zit, daar achter, je moet een beetje verschuiven. Daar onder. Waar jij altijd zit. [medeverdachte 2] : Oke, [medeverdachte 1] : Klaar. [medeverdachte 2] : Oke. [medeverdachte 1] : Ik heb 300 van meegenomen. Heb ik nodig. [medeverdachte 2] : Oke, is goed. Verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde (en ook op dit moment) een relatie heeft met [G] . Ook verklaarde verdachte dat hij samen met [medeverdachte 1] op 12 augustus 2015 in Amsterdam was. 4.8 Gesprekken op 26 tot en met 29 september 2015 Op 26 september 2015 om 19:43 uur belt NNman 7683 naar [medeverdachte 3] : [medeverdachte 3] : (…) ik weet niet of ik morgen 13.00 uur wakker ben. NN: Weetje wat het is? Die oudjes, je weet toch hoe ze zijn, die oudjes, je weet wel, hij had ook wat te doen. (…) NN: hij heeft wat te doen, snap je? [medeverdachte 3] : Ja. (…) ehhh kijk ik kan niets anders zeggen dan in de middag. Hoe laat weet ik niet, begrijp je? Maar het is wel klaar. (…) [medeverdachte 3] : Nee, klaar, het ligt niet aan mij hier. Het ligt aan diegene die het komt brengen. (…) [medeverdachte 3] : Nee, dat had ik niet gevraagd, ik heb hem net gesproken, hij zei tegen mij "die huisnummer" 13 en half. NN: Ja. [medeverdachte 3] : Want dan ga ik hem even nou .. (mtv) .... hoe laat morgen? NN: 13 en half of 14? [medeverdachte 3] : 13 en half. NN: Dus geen 15? [medeverdachte 3] : Jij krijgt nog die andere die over was van mij, is goed, een goede extraatje, ja NN: Ja, dus 15 toch? [medeverdachte 3] : Ja, een goede extraatje (…) NN: Ok? Dus je snap toch, huisnummer 7 morgen, en huisnummer 8 maandag. [medeverdachte 3] : Ja, ja. (…) Op 27 september 2015 om 00:08 uur sms’t [medeverdachte 3] naar Nnman 7683 Morgen zeker tijd niet precies maar wollah morgen heb je ze Op 27 september 2015 om 00:19 uur sms’t Nnman 7683 naar [medeverdachte 3] : Oké dus voor 4 toch Op 27 september 2015 om 14:29 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] : [medeverdachte 3] vraagt: is hij nog niet gekomen? [medeverdachte 2] : nee, hij is er niet (…) Op 28 september 2015 om 14.57 belt Nnman 7683 naar [medeverdachte 3] : [medeverdachte 3] : Oke, kom naar [adres] . Ik ben klaar. Op 28 september 2015 om 14:59 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] : [medeverdachte 3] : hallo, moet ik hem vragen te komen? [medeverdachte 2] : ze zijn hier, ze zijn hier. [medeverdachte 3] : ok, ok Op 28 september 2015 om 15:07 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] : [medeverdachte 2] : hoeveel heeft hij nodig? [medeverdachte 3] : hij komt zo naar mij toe, en dan zal ik jou vertellen hoeveel [medeverdachte 2] : gaat hij eerst bekijken? [medeverdachte 3] : nee, oke, er valt verder voor hem niets te zien, het is toch dezelfde? [medeverdachte 2] : is dezelfde [medeverdachte 3] : ok, er valt niets te zien [medeverdachte 2] : Hoeveel moet ik halen, Zeven? Zes, zeven? [medeverdachte 3] : In ieder geval, haal 7, haal in ieder geval 7 [medeverdachte 2] : Ok Op 29 september 2015 om 09:56 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] : [medeverdachte 3] : he [medeverdachte 2] : .... gekomen? (ntv.) [medeverdachte 3] : nee, hij is onderweg. Ik ben beneden, ik ben koffie aan het drinken, ik kom eraan Op 29 september 2015 om 11:01 uur belt Nnman 7683 naar [medeverdachte 3] : N: Broer, er is hier geen 8, je hebt mij geen 8 gegeven [medeverdachte 3] : Hoeveel is daar? Dan moet ik even naar boven lopen. N: Je hebt mij ding eh gegeven, 13 (fon.ntv), elke zoveel, hoeveel zit in elke? (…) [medeverdachte 3] Wacht even, ik app jou nu terug. Op 29 september 2015 om 11:07 uur belt Nnman 7683 naar [medeverdachte 3] : NN: Hey man, eh huisnummer .. [medeverdachte 3] : Begrepen? NN: .. ja man, huisnummer 1 eh, is er nog wel van die merk, of niet? Daar van die eh .. [medeverdachte 3] : Ja, volgende week weer. NN: Oh, vandaag dus niet eh dinge .. ? [medeverdachte 3] : Nee. (…) [medeverdachte 3] : Saffie, oké, tot zo. NN: Dus eh huisnummer 14 he, klaar he? [medeverdachte 3] : Ja, saffie, doei. Op 29 september 2015 om 13:15 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] : [medeverdachte 2] : is hij gekomen? [medeverdachte 3] : ehh ja, ik heb je bril gevonden, ik heb ze bij bij dat bankstel, in dat hoekje gelegd [medeverdachte 2] : is goed Op 22 oktober 2015 vindt een ovc-gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] : [verdachte] : Oh ja, eh, een plakkie hash van die ouwe kan ik kwijt, waar ik kom. Maarja, plakkie is niks. [medeverdachte 1] : Hij heeft niks meer. [verdachte] : Is alles weg? [medeverdachte 1] : Ja De politie heeft op basis van onderzoek in een landelijk registratiesysteem en op internet geconcludeerd dat een gemiddelde prijs van € 4.500,- voor de tussenhandel van 1 kilogram hasjiesj aannemelijk is. Bij de doorzoeking in de woning aan de [adres] te [woonplaats] is op de slaapkamer van [medeverdachte 2] een geldbedrag achter de verwarming aangetroffen. Dit betrof een geldbedrag van in totaal € 75.050,-. Een deel van het geld was verpakt in een witte enveloppe en een deel in een zogenoemde sealbag. Op de sealbag en de enveloppe stond handgeschreven: 29-09-
- [medeverdachte 2] heeft bij de politie over het aangetroffen geld op zijn slaapkamer het volgende verklaard: “Als ik er geld instop of uithaal dan schrijf ik dat op de envelop. Ik streep de datum door of ik pak een nieuwe envelop. (…) Ik verander alleen de datum als er iets gebeurt.” 4.9 Bewijsoverwegingen gesprekken augustus en september 2015 Versluierd taalgebruik In de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wordt overduidelijk versluierd taalgebruik gehanteerd. Voor de gespreksdeelnemers is duidelijk wat bedoeld wordt, echter is dit – op voorhand – voor een derde niet het geval. Bij de uitleg van versluierd taalgebruik of codetaal komt het vooral aan op de betekenis die voor het bewijs moet worden toegekend aan de inhoud van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, de kring van personen met wie die gesprekken zijn gevoerd, alsmede de continuïteit waarin zij voorkomen en overige gedragingen dan wel gebeurtenissen, waarvan is vastgesteld dat deze respectievelijk zijn verricht en zich hebben voorgedaan, zoals reisbewegingen en ontmoetingen. Voorts kan een rol spelen dat bepaalde goederen/ verdovende middelen op een voor de bewijslevering relevante plaats en/of tijdstip zijn aangetroffen. Uit de voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met enige continuïteit dezelfde versluierde termijn gebruikten om over specifieke onderwerpen te spreken. Ook blijkt dat de medeverdachten elkaar begrijpen wanneer in cryptische termen wordt gesproken. Uit de gesprekken in onderlinge samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat de gesprekken betrekking hebben op de verkoop van hasj dan wel hennep. Naast de omstandigheid dat in een enkel gesprek letterlijk over coffeeshops en plakken hasj wordt gesproken, acht de rechtbank hiertoe het volgende van belang. Levering op 12 augustus 2015 Uit de weergegeven bewijsmiddelen met betrekking tot de periode van 11 en 12 augustus 2015 blijkt dat met enige regelmaat wordt gesproken over cijfers: “vijf bosjes trekdrop” voor “maat 42”. En over “vijf grote” en “vijf kleine”, “ze betalen zes, zeven”, “Ze betalen vier”. “37 moet je ze niet geven”, “Die is voor 40”. “in totaal was het 124 minder” en “300 van genomen”. Ook wordt er gesproken over “dingen” en “spul”. De rechtbank leidt uit bovenstaande bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 1] met verdachte op 12 augustus 2015 naar [G] in Amsterdam is gegaan om hasj (vijf bosjes trekdrop) af te leveren. De drugs is door [medeverdachte 2] klaargelegd (vijf grote) en [medeverdachte 2] wordt geconsulteerd over de koopprijs (niet voor 37) en wordt gebeld als er te weinig drugs blijkt te zijn (124 minder). Het met de verkoop van de hasj verdiende geld wordt in de woning van [medeverdachte 2] neergelegd (‘onder waar hij altijd zit’). [medeverdachte 3] wordt hierbij door [medeverdachte 1] om advies gevraagd en zij plegen overleg. [medeverdachte 1] beklaagt zich na afloop bij [medeverdachte 3] over het feit dat hij maar voor 300 euro heeft gewerkt en dat zelf heeft gepakt en later op de avond als hij [medeverdachte 2] op de hoogte stelt waar het geld ligt, vertelt hij dat hij ‘300 heeft meegenomen’. Bezien in onderlinge samenhang met de bewijsmiddelen van de overige zaaksdossiers – leidt de rechtbank af dat met “vijf bosjes trekdrop voor maat 42”, vijf kilo hasj voor € 4.200,- wordt bedoeld. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een gemiddelde prijs van € 4.500,- voor een kilo hasj een aannemelijk bedrag is. Verder acht de rechtbank van belang dat [G] werkzaam is voor een vijftal coffeeshops in Amsterdam. Tot slot betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geen andere uitleg hebben gegeven voor de gevoerde tapgesprekken en Sms-berichten. Verdachte komt bij bovenstaande deal naar voren als contactpersoon van de leverancier en afzetter. Levering eind september 2015 Uit de weergegeven bewijsmiddelen met betrekking tot de periode van 26 tot en met 29 september 2015 blijkt dat met enige regelmaat wordt gesproken over cijfers: “huisnummer 15” voor “huisnummer 7”, “huisnummer 8” en “7” en “8”, voor “4”. De rechtbank leidt uit bovenstaande bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 3] vanaf 26 september 2015 gesprekken voert met een Nnman over het leveren van in totaal 15 kilo hasj, bestaande uit een levering van 8 en 7 kilo, voor € 4.000 per kilo. Op 28 september 2016 vindt de eerste levering plaats op de [adres] (‘kom [adres] ’), waarbij [medeverdachte 2] de zeven kilo hasj haalt (‘haal in elk geval 7’) en [medeverdachte 3] informeert of de wederpartij er al is. Op 29 september 2015 wordt de resterende 8 kilo geleverd, waarbij er uiteindelijk te weinig wordt geleverd (‘broer, er is hier geen 8’). Het geld wordt bij [medeverdachte 2] thuis gelegd (‘ik heb je bril (…) bij dat bankstel gelegd’). Bezien in onderlinge samenhang met de bewijsmiddelen van de overige zaaksdossiers – leidt de rechtbank af dat met “huisnummer 15”, voor ‘4’ vijftien kilo hasj voor €4.000,- per kilo wordt bedoeld. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat uit voormeld proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een gemiddelde prijs van € 4.500,- voor een kilo hasj aannemelijk is. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] geen andere uitleg hebben gegeven voor de gevoerde tapgesprekken en Sms-berichten. Tot slot acht de rechtbank van belang dat op de in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen enveloppe met € 75.050,- als datum 29-09-2015 staat vermeld, zijnde de leveringsdatum van de hasj. Conclusie overdrachten verdovende middelen De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in samenwerking met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hoeveelheden hasj heeft overgedragen en verkocht (feit 1, derde gedachtestreepje). Ook acht de rechtbank bewezen dat de woning van [medeverdachte 2] hierbij dienst deed als opslagplek voor de te verkopen hasj en het verdiende geld (feit 1, vierde gedachtestreepje). 4.10 Beoordeling van het ten laste gelegde – criminele organisatie De vraag die de rechtbank moet beoordelen is of het hierboven bewezenverklaarde handelen een criminele organisatie oplevert en of verdachte door het ten aanzien van hem bewezenverklaarde handelen heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie. Van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als blijkt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Daarnaast moet verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, ondersteunen. Voor de bewezenverklaring van ‘een organisatie’ als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Samenwerkingsverband met een zekere structuur De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier volgt dat er sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere structuur en verdeling van taken. [medeverdachte 1] heeft daarbij de grootste rol. Hij heeft contact met de overige leden van de organisatie, heeft contact met de afnemers van de drugs, is het centrale aanspreekpunt en de initiatiefnemer bij het opzetten van een hennepkwekerij in Spanje. [medeverdachte 3] wordt om raad gevraagd en op de hoogte gehouden van de verkoop van de drugs in Nederland en het opzetten van de hennepkwekerij in Spanje. Ook heeft [medeverdachte 3] contact met de overige leden van de criminele organisatie, waaronder verdachte. Verder heeft [medeverdachte 3] geld ter beschikking gesteld ten behoeve van de hennepkwekerij in Spanje. De drugs en het geld dat met de verkoop daarvan in Nederland werd verdiend, werden bewaard in de woning van [medeverdachte 2] . Uit de tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] de drugs telkens klaar zet en het geld bewaart. Verdachte heeft een faciliterende rol. Hij brengt [medeverdachte 1] in contact met zijn vriendin voor de verkoop van hasj aan coffeeshops in Amsterdam en gaat in opdracht van [medeverdachte 1] naar Spanje om een hennepkwekerij op te zetten. De rechtbank overweegt dat het gebruik van versluierd taalgebruik en codewoorden – en de voorafgaande afstemming van dit taalgebruik – ook wijst op een georganiseerde samenwerking. Deze contacten, bezien in samenhang met de bewezenverklaarde overdrachten en de bewezenverklaarde hennepkwekerij in Spanje, rechtvaardigen de conclusie dat in de tenlastegelegde periode sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere organisatiegraad tussen meerdere personen, die de handel van hasj en het opzetten van hennepkwekerijen in Spanje tot oogmerk had. Samenwerkingsverband van een zekere duurzaamheid Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de nauwe samenwerking in ieder geval voor de periode van 19 mei 2015 tot 9 februari 2016 (de datum van de politie-inval) kan worden vastgesteld. Op 19 mei 2015 heeft [medeverdachte 1] een van de eerste telefonische gesprekken over de hennepkwekerij in Spanje en verdachte heeft verklaard dat hij op 22 mei 2015 al naar Spanje is afgereisd. De rechtbank is van oordeel dat een periode van ruim acht maanden dusdanig lang is dat van een duurzaam verband kan worden gesproken. Deelname aan de organisatie Uit het voorgaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] deelnam aan de organisatie, nu zij allen gedragingen hebben verricht die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Dat verdachte – meer dan in algemene zin – wist van het oogmerk van de organisatie volgt uit voorgaande overwegingen. Conclusie criminele organisatie De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , in de periode van 19 mei 2015 tot en met 9 februari 2016, deelnam aan een criminele organisatie die het oogmerk had tot het plegen van hennepteelt en hasjhandel. De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde feit aldus wettig en overtuigend bewezen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: in de periode van 19 mei 2015 tot en met 9 februari 2016 in de gemeente Utrecht en elders in Nederland en in Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en anderen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of artikel 11a van de Opiumwet, namelijk: - ( in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en - het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van grote hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en - het voorhanden hebben van ruimten en gelden, waarvan hij, verdachte en andere personen wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat dit/deze bestemd was/waren tot het plegen van een van de in artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Kwalificatie-uitsluiting tweede gedachtestreepje (import) Ten tijde van het ten laste gelegde was in de wettekst van artikel 11b Opiumwet artikel 10 lid 4 (im- en export) Opiumwet nog niet opgenomen. Dit betekent dat de import (als doel van de organisatie) wel bewezen kan worden, maar niet kan worden gekwalificeerd. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde ontslaan van alle rechtsvervolging. Overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 lid 3 en lid 5 en artikel 11a van de Opiumwet. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een taakstraf van 200 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis; - een gevangenisstraf van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit om bij eventuele strafoplegging rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Om die redenen acht de raadsvrouw het passend de zaak af te doen met een werkstraf. Deze werkstraf zou eventueel gecombineerd kunnen worden met een korte voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij bepleit om in ieder geval niet over te gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft ruim acht maanden deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze organisatie had als doel het opzetten van hennepkwekerijen in Spanje en de hasjhandel in Nederland. Het in georganiseerd verband plegen van dergelijke strafbare feiten werkt ontwrichtend voor de samenleving. Verdachte had een faciliterende/uitvoerende rol binnen deze organisatie. Zo bouwde hij de hennepkwekerij en was hij bij de hasjhandel betrokken als contactpersoon van leverancier en afzetters (coffeeshops). Door deel te nemen aan de criminele organisatie heeft verdachte geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in softdrugs met zich brengt. Het ongereguleerd handelen in drugs brengt een bedreiging voor de volksgezondheid met zich mee en leidt tot onrust in de samenleving. Achter de illegale handel in drugs gaat bovendien een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Verdachte heeft door zijn deelname aan de criminele organisatie daaraan een bijdrage geleverd. Verdachte heeft zich om alle hierboven genoemde gevolgen niet bekommerd en zich kennelijk louter laten leiden door eigen winstbejag. Persoonlijke omstandigheden Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 15 november
- Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld. Verdachte heeft geen relevante veroordelingen op zijn strafblad staan betreffende de Opiumwet. Dit gegeven weegt de rechtbank in het voordeel noch in het nadeel van verdachte mee. Overschrijding redelijke termijn De rechtbank stelt vast dat verdachte op 9 februari 2016 in verzekering is gesteld. Op die datum is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangevangen. Dit is namelijk het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De behandeling in eerste aanleg is niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis afgerond, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn is met ruim 23 maanden overschreden. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden. Strafoplegging Bij de vaststelling van de duur van de op te leggen straffen heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen in vergelijkbare gevallen is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor de langdurige deelname van verdachte aan de criminele organisatie in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn en de rol die verdachte binnen de criminele organisatie heeft vervuld, zal de rechtbank in dit specifieke geval volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het opleggen van de voorwaardelijke gevangenisstraf betrekt de rechtbank ook nog dat de kans op recidive aanwezig is, gelet op de langdurige deelname van verdachte aan een criminele organisatie. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 200 uur, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. 9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden; - bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. H.F. Koenis en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Harskamp-Snoeren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari
- Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 09 februari 2016 in de gemeente Utrecht en/of (elders) in Nederland en/of in Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en/of een of meer anderen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of artikel 11a van de Opiumwet, namelijk: - ( in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of - het voorhanden hebben van ruimten, gelden en/of andere betaalmiddelen en/of gegevens, waarvan hij, verdachte en/of een of meer andere perso(o)n(en) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze bestemd was/waren tot het plegen van een van de in artikel 11 derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten; Art. 11 lid 1 Opiumwet Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 2 mei 2016, genummerd 2014203884, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] , pagina
- Een tapgesprek van 19 mei 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 juli 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 juli 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 juli 2015, pagina
- Een tapgesprek van 26 juli 2015, pagina
- Een tapgesprek van 2 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina’s 1233-1234 Een proces-verbaal van bevindingen uitwerking OVC-gesprek van 26 augustus 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen uitwerking OVC-gesprek van 26 augustus 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen uitwerking OVC-gesprek van 26 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 26 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 27 augustus 2015, pagina 777 en
- Een tapgesprek van 1 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 2 september 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen uitwerking OVC-gesprek van 5 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen uitwerking OVC-gesprek van 5 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen uitwerking OVC-gesprek van 5 oktober 2015, pagina
- Een geschrift, zijnde een vertaald observatieverslag m.b.t. 6 oktober 2015, pagina
- Een geschrift, zijnde een vertaald observatieverslag m.b.t. 6 oktober 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 oktober 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 oktober 2016, pagina
- Een tapgesprek van 14 oktober 2015, pagina 858 Een tapgesprek van 14 oktober 2015 om 13:13 uur, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 oktober 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een tapgesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een tapgesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Een tapgesprek van 19 november 2015, pagina
- Een tapgesprek van 19 november 2015, pagina
- Een tapgesprek van 29 november 2015, pagina
- Een tapgesprek van 29 november 2015, pagina
- Een tapgesprek van 3 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 3 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 13 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 13 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 16 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 16 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 16 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 20 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 26 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 26 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 26 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 3 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 3 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 3 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 11 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 11 januari 2016, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking ovc-gesprek van 18 januari 2016, pagina
- Een proces-verbaal van uitwerking ovc-gesprek van 18 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 22 januari 2016, pagina
- Een geschrift, zijnde een overzicht in het Engels van geldoverdracht, pagina
- Een tapgesprek van 27 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 27 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 27 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 27 januari 2016, pagina
- Een tapgesprek van 28 januari 2016, pagina 1124 Een tapgesprek van 28 januari 2016, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2016, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , pagina
- Een tapgesprek (sms) van 11 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 11 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek (sms) van 11 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 11 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 11 augustus 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen van 31 december 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen van 31 december 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen van 31 december 2015, pagina
- Een tapgesprek van 11 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een (sms) tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een (sms) tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen van 1 april 2016, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen van 1 april 2016, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina’s 1231-
- Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina’s 1233-1234 Een tapgesprek van 12 augustus 2015, pagina
- Een proces-verbaal van terechtzitting d.d. 18 november
- Een tapgesprek van 26 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 27 september 2015, pagina 1241 Een tapgesprek van 27 september 2015, pagina 1241 Een tapgesprek van 27 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 28 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 28 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 28 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 29 september 2015, pagina 1244-
- Een tapgesprek van 29 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 29 september 2015, pagina
- Een tapgesprek van 29 september 2015, pagina
- Een ovc-gesprek van 22 oktober 2015, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2016, pagina 1247-
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina
- Hof Amsterdam 14-12-2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0303.