RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/3189-T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.P. Volk), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Inleiding 1.1 Eiser is werkzaam geweest als bezorger van dagbladen via een overeenkomst van opdracht met [bedrijf] . Op 13 april 2017 is eiser door medische klachten uitgevallen voor deze werkzaamheden. Per 15 juni 2017 heeft hij de overeenkomst met [bedrijf] beëindigd. Eiser heeft geen uitkering op grond van de Ziektewet (Zw) aangevraagd. Op 24 februari 2019 heeft hij een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) gedaan. 1.2 Verweerder heeft de WIA-aanvraag in de beslissing van 15 april 2019 afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser niet voldaan aan een van de voorwaarden voor een WIA-uitkering, namelijk dat hij gedurende 104 weken recht heeft gehad op een Zw-uitkering. Eiser was het daar niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. 1.3 Verweerder heeft in de beslissing van 16 juli 2019 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft de beslissing dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering gehandhaafd. De motivering is wel gewijzigd, namelijk dat eiser niet verzekerd is voor de WIA, omdat hij niet als werknemer is aan te merken. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook vermeld dat eiser de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt omdat hij zich niet ziek heeft gemeld, maar dat dit geen onderdeel van deze beslissing is omdat eiser niet verzekerd is voor de WIA. 1.4 Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd bij brief van 16 januari 2020. 1.5 De zaak is behandeld op de zitting van 27 januari 2020. Eiser was aanwezig en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen tijdens de zitting. Waar gaat het over in deze zaak? 2.1 Eiser is het er niet mee eens dat hij geen WIA-uitkering krijgt. Hij vindt dat hij wel werknemer en dus verzekerde voor de WIA is. Ook vindt hij dat hij de wachttijd heeft volgemaakt en gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. 2.2 De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of eiser verzekerd is voor de WIA. Als dat zo is, komt de vraag aan de orde of eiser recht heeft op een WIA-uitkering. Wat vindt de rechtbank? Is eiser werknemer en dus verzekerd? 3.1 Het eerste punt dat belangrijk is voor de beoordeling van deze zaak, is de vraag of eiser verzekerd is voor de WIA. Eiser vindt van wel, verweerder vindt van niet. Om verplicht verzekerd te zijn voor de WIA, moet een persoon werknemer zijn. In de Zw is aangegeven wanneer iemand als werknemer wordt beschouwd. Als dat zo is, is hij ook werknemer voor de WIA. 3.2 De Zw kent verschillende categorieën werknemers. Een daarvan is de persoon met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Partijen zijn het erover eens dat eiser die niet had. In de schriftelijk uitgewisselde stukken hebben partijen het er ook over gehad of eiser kan vallen onder de categorie van de thuiswerkers. Verweerder vindt van niet en eiser is het daarmee eens. 3.3 Eiser vindt dat hij in de categorie valt van personen die tegen beloning persoonlijk arbeid verrichten en van wie de arbeidsverhouding maatschappelijk gelijk kan worden gesteld aan een dienstbetrekking (gelijkgestelden). Verweerder heeft niet aangegeven wat hij daarvan vindt. 3.3 Eiser had met [bedrijf] een overeenkomst van opdracht (de overeenkomst) gesloten over zijn werkzaamheden. De ingangsdatum is 23 april 2012. In de overeenkomst is onder meer vermeld dat eiser niet verplicht is de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en zich voor eigen rekening en risico kan laten vervangen. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. Ook is vermeld dat als de vergoeding van eiser meer bedraagt dan 40% van het wettelijk minimumloon, daarop inhoudingen voor loonbelasting en sociale premies worden toegepast. 3.4 De rechtbank zal beoordelen of eiser een gelijkgestelde was. Hiervoor gelden een aantal voorwaarden. Die voorwaarden worden genoemd in het Besluit aanwijzing gevallen waarin de arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd (Rariteitenbesluit). De eerste voorwaarde is dat de gelijkgestelde de arbeid persoonlijk verricht. Verweerder heeft in het kader van de thuiswerkers, voor wie deze voorwaarde ook geldt, aangegeven dat deze voorwaarde niet vervuld is, omdat eiser het werk zonder toestemming aan iemand anders kon uitbesteden en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. In de overeenkomst van eiser staat inderdaad dat hij niet verplicht is de werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Maar uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over deze voorwaarde blijkt dat het erom gaat dat men in de praktijk de arbeid persoonlijk verricht en dat het niet noodzakelijk is dat men zich daartoe contractueel verbonden heeft. De CRvB heeft ook geoordeeld dat er nog steeds sprake is van feitelijk persoonlijk de arbeid verrichten als men zich incidenteel een keer laat vervangen. Eiser heeft jarenlang persoonlijk de kranten bezorgd en heeft zich slechts incidenteel laten vervangen door zijn echtgenote of een ander familielid als hij zelf niet kon. De rechtbank vindt daarom dat hier voldaan is aan de voorwaarde dat eiser de arbeid persoonlijk verrichtte. Een volgende voorwaarde is dat het persoonlijk verrichten van de arbeid gedurende doorgaans minstens twee dagen per week moet gebeuren. Bij eiser was dat zo, want hij bezorgde de dagbladen zes dagen per week. De derde voorwaarde is dat de arbeidsverhouding is aangegaan voor een aaneengesloten periode van tenminste dertig dagen. De overeenkomst van eiser is aangegaan voor onbepaalde tijd, dus hier is aan voldaan. De laatste voorwaarde is dat het bruto-inkomsten uit de arbeidsverhouding per week minstens gelijk moet zijn aan 40% van het wettelijk minimumloon. Uit zowel de betalingsspecificaties van het loon van eiser als de gegevens uit de polisadministratie van verweerder die zich in het dossier bevinden, blijkt dat de inkomsten van eiser boven deze grens lagen. Ook blijkt uit de betalingsspecificaties en de polisadministratie dat daadwerkelijk loonheffing en premie volksverzekeringen zijn ingehouden, wat volgens de overeenkomst alleen gebeurt als de vergoeding van eiser voor zijn werkzaamheden meer bedraagt dan 40% van het wettelijk minimumloon. Tussenconclusie 3.5 Aangezien aan alle voorwaarden is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat eiser een gelijkgestelde was. Hij was dus werknemer in de zin van de Zw en daarom verplicht verzekerd voor de WIA. Verweerder heeft het bestreden besluit ten onrechte gebaseerd op de weigeringsgrond dat eiser geen werknemer zou zijn. De beroepsgrond slaagt. Recht op WIA? 4.1 Aangezien eiser verplicht verzekerd was voor de Wet WIA, is de volgende vraag die aan de orde is of eiser recht had op een WIA-uitkering. Verweerder heeft in het aanvullende verweerschrift aangegeven alsnog een medisch inhoudelijke beoordeling hiernaar te willen verrichten als eiser wel verzekerd zou zijn. Voordat de rechtbank daar verder op in gaat, moet eerst een ander geschilpunt worden besproken. Verweerder heeft namelijk in het bestreden besluit als subsidiaire reden tot weigering van de WIA-uitkering genoemd dat eiser de wachttijd niet heeft volbracht, omdat hij zich in 2017 niet heeft ziekgemeld. Om recht te krijgen op een WIA-uitkering gelden een aantal voorwaarden, te weten dat eiser (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.