RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/4176 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2020 in de zaak tussen [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. C.M. Sent), en de korpschef van politie, verweerder (gemachtigde: S. Maas). Procesverloop Bij besluit van 3 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om niet geanonimiseerde mutaties en meldingen te verstrekken en politiegegevens te verwijderen geweigerd. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [eiser 3] kon niet fysiek bij de zitting aanwezig zijn, maar heeft via een videoverbinding tijdens de zitting even contact gehad met de rechter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Waar gaat deze procedure over? Eisers willen met het verzoek bij verweerder achterhalen welke registraties er over hen bij de politie zijn en wat de inhoud is van de meldingen die bij de politie zijn gedaan. Naar aanleiding van een melding is namelijk een onderzoek gestart door de politie, althans Veilig Thuis, naar de situatie van [eiser 3] ( [eiser 3] ). Eisers hebben gelet op informatie van Veilig Thuis zelf meer duidelijkheid over de inhoud van de informatie bij de politie en menen dat sprake is van onjuiste informatie die verwijderd moet worden. Eisers hebben al eerder een dergelijk verzoek gedaan waarop door verweerder afwijzend is beslist. Het nu voorliggende verzoek is door hun (voormalig) raadsman, K. Dirlik, gedaan. Verweerder heeft, onder verwijzing naar zijn eerdere besluiten van 10 mei 2019 en 1 juli 2019, in het bestreden besluit gemotiveerd dat er twee registraties zijn vastgelegd die geanonimiseerd kunnen worden ingezien. Het gaat om politiegegevens en de verzoeken zijn door verweerder beoordeeld op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Het verzoek om een kopie van de registraties wordt geweigerd omdat de rechten en vrijheden van derden dienen te worden beschermd. Verweerder heeft toegelicht dat hij gelet op het dwingend geformuleerde artikel 25, eerste lid, sub d, van de Wpg geen beleidsvrijheid heeft om hiervan af te wijken. Aan het besluit om de verwijdering te weigeren heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet gebleken is dat de gegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn of dat de gegevens in strijd met een wettelijke bepaling zijn verwerkt. De gegevens zijn ook nog steeds noodzakelijk voor de dagelijkse politietaak. Van een in artikel 28, eerste lid, van de Wpg bedoelde situatie is daarom niet gebleken. Kan de rechtbank in beroep nog wel inhoudelijk oordelen? 3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat tegen het besluit van 3 september 2019 geen beroep meer openstond omdat dit een herhaling betreft van de eerdere besluiten van 10 mei en 1 juli 2019. 4. De rechtbank stelt vast dat eisers eerder verzoeken hebben ingediend bij verweerder om kopieën van de registraties, althans om inzage in meer delen van de registraties te verkrijgen. Bij besluiten van 10 mei en 1 juli 2019 is ingestemd door verweerder met beperkte inzage in politiegegevens, waarbij is medegedeeld dat de gegevens waren geanonimiseerd op grond van artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg. Dit heeft geleid tot inzage op 18 juli en 20 september 2019. Daarna is het verzoek van de raadsman van eisers om kopieën en verwijdering gekomen. De rechtbank ziet aanleiding om het beroep inhoudelijk te beoordelen. Daarvoor is redengevend dat verweerder het verzoek inhoudelijk heeft behandeld en geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om het verzoek aan te merken als een herhaalde aanvraag en onder verwijzing naar de eerdere aanvraag af te wijzen (artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). 5. In deze zaak zal de rechtbank gelet op wat door eisers is aangevoerd twee vragen moeten beantwoorden. Ten eerste of door verweerder teveel delen van de registraties zijn geanonimiseerd, althans daarvan de inzage door eisers ten onrechte is geweigerd. Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder ten onrechte heeft geweigerd gegevens te verwijderen. Had verweerder eisers inzage moeten geven in meer delen van de registraties? 6. Eisers hebben aangevoerd dat het zo rigoureus weglakken van veel informatie in het politiedossier een te vergaande manier van anonimiseren is. Hiermee is het recht op rectificatie van eisers onmogelijk gemaakt. Eisers willen graag dat de rechtbank toetst of er te drastisch door verweerder is geanonimiseerd. Eisers willen weten wat de anonieme melders over hen hebben aangegeven, omdat ze vermoeden dat deze informatie niet juist is. Verweerder heeft zelf al de anonimiteit van de melders opgegeven door een adres te laten staan. Ter zitting hebben eisers benadrukt dat het hier gaat om medische gegevens en voor verwerking daarvan een speciaal regime geldt en aan de belangen van de persoon waarvan die medische gegevens zijn extra gewicht toekomt. 7. De rechtbank komt alles overziend tot de conclusie dat verweerder zijn besluit onvoldoende zorgvuldig heeft genomen en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom inzage van delen van de registraties door eisers geweigerd moet worden om de belangen van derden te beschermen. De rechtbank ligt hieronder toe hoe zij tot dat oordeel is gekomen en zal daartoe achtereenvolgens het beoordelingskader, de reikwijdte van een verzoek op grond van artikel 25 van de Wpg en de uitwerking in het bestreden besluit bespreken. Het beoordelingskader 8. De rechtbank stelt voorop dat gelet op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Wpg, slechts inzage kan worden verzocht en verkregen van de verzoekende persoon van hem betreffende persoonsgegevens. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), volgt dat het voor de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, onder meer bepalend is of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Zoals de ABRvS eerder heeft overwogen, dient daarbij te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50). Voor ieder gegeven in een mutatie dient een dergelijke beoordeling te worden gemaakt. 9. Verweerder heeft de stukken waarover deze procedure gaat aan de rechtbank toegezonden met het verzoek deze onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb voor eisers geheim te houden. Omdat de procedure zinledig zou worden wanneer eisers door het starten van de procedure kennis kunnen nemen van de inhoud van de registraties, zijn deze stukken niet aan eisers verzonden. Om het beroep van eisers inhoudelijk te kunnen beoordelen, heeft de rechtbank de stukken waarover deze procedure gaat ingezien. Eisers hebben de rechtbank daarvoor toestemming gegeven. 10. Na kennisname van de onderliggende registraties en op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat het om twee registratienummers gaat. De eerste registratie met nummer PL0900-2018183226 -1 - kindermishandeling - dateert van 5 februari 2019. Verder is er het mutatierapport met registratienummer PL0900-2019036845 (1-2-3) - verdachte situatie -van 20 augustus 2019 dat ziet op meerdere meldingen. Uit het inzagedossier kan worden afgeleid dat de inhoud van de stukken ten tijde van de inzage grotendeels zwart gelakt waren. Reikwijdte van een verzoek op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg 11. De rechtbank stelt vast dat een deel van de gelakte gegevens in de stukken politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg zijn die alleen derden betreffen. Deze gegevens kunnen, gelet op het hiervoor weergegeven beoordelingskader, niet worden aangemerkt als eisers betreffende (politie)gegevens als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg. Dat betekent dat deze gegevens niet onder het bereik van voormeld artikel 25, eerste lid, vallen en dat verweerder daarom niet met toepassing van dat artikellid eisers hiervan kennis kon laten nemen. Dat de gegevens zijn verwerkt in een mutatie die eisers betreft, maakt dit niet anders. De gegevens vallen niet onder het bereik van dat artikel en kunnen dan ook niet met toepassing van die bepaling aan eisers worden verstrekt. Verweerder heeft bij de afwijzing van het verzoek van eisers ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen inzage in politiegegevens die eisers betreffen en politiegegevens die anderen betreffen, zoals een verbalisant en melder, hetgeen wel had gemoeten. Het bestreden besluit kent op dat punt dan ook een gebrek. De rechtbank zal aan het eind van deze uitspraak uiteenzetten wat hiervan het gevolg moet zijn. Anonimisering 12. Over het anonimiseren overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg, voor grote delen van de registraties inzage geweigerd omdat wanneer kennis wordt genomen van die gegevens daarmee direct de identiteit van de melder wordt prijsgegeven. Verweerder acht het noodzakelijk dat die informatie niet met eisers gedeeld wordt om de rechten van betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.