← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:1806

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/659093-19 Vonnis van de meervoudige kamer van 6 mei 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,verblijvende te [verblijfplaats] in [vestigingsplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 april

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. P. Poppe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Huizen, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: op 20 juli 2018 in Almere 1,26 gram amfetamine aanwezig heeft gehad. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich op de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevinden. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verdachte pas op zitting is gekomen met een alternatief scenario, waardoor dit scenario niet meer controleerbaar is en ook overigens als niet aannemelijk terzijde dient te worden geschoven. 4.2 Het standpunt van de verdediging Door en namens verdachte is verzocht hem vrij te spreken van het ten laste gelegde. Verdachte heeft consistent verklaard over de toedracht en over de omstandigheden, waardoor geen verhoor bij de politie heeft plaats kunnen vinden. De verdediging stelt voorts dat zelfs in het geval dat getuigen zouden zijn gehoord, het nog maar de vraag is of hun verklaringen dan wel controleerbaar zouden zijn geweest. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat op 20 juli 2018 in een tuin/werkbroek drie opgevouwen papiertjes met daarin amfetamine zijn gevonden. Deze broek lag in de kamer van verdachte. Verdachte heeft terstond tegenover sociotherapeut [A] verklaard dat dit een leenbroek betrof van zijn werk buiten de kliniek. Ter terechtzitting heeft verdachte deze verklaring herhaald en geconcretiseerd. Verdachte heeft daaraan toegevoegd dat hij contact heeft gezocht met de directeur van de stichting. Deze zou kunnen bevestigen dat het een leenbroek betreft en dat de werklieden niet altijd dezelfde broeken aan hebben. De directeur weigerde volgens verdachte echter een verklaring af te leggen, omdat hierdoor de stichting in verband zou worden gebracht met drugs. Daarnaast heeft verdachte meerdere malen telefonisch contact gehad met de politie Almere, waarin hij volgens hem de situatie heeft uitgelegd. Dat het niet heeft kunnen komen tot een daadwerkelijk verhoor zou zijn vanwege de financiële onmogelijkheid om te reizen. Voorgaande alternatieve scenario van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk. Gelet op het voorgaande bestaat bij de rechtbank substantiële twijfel of verdachte de ten laste gelegde opzet had op het aanwezig hebben van de amfetamine. In geval van twijfel dient de rechtbank verdachte vrij te spreken. De rechtbank zal daartoe overgaan. 5BESLISSING De rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. H. den Haan en A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.L. van Dreumel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 mei
  2. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 juli 2018 te Almere, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijn de amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.