← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:1929

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/2585 einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2020 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigden: R. Kanhailal en B. Bijleveld), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder (gemachtigde: mr. F.P. Doting). Procesverloop Voor het procesverloop verwijst de rechtbank allereerst naar haar tussenuitspraak van 28 februari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:

  1. Met deze tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 14 mei 2020 gesloten. Overwegingen
  2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
  3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake zou zijn van meerdere huishoudens en daarmee van kamerverhuur, in het pand van eiseres. Uit vaste rechtspraak volgt dat sprake is van één (duurzaam gemeenschappelijk) huishouden als bewoners in materiële of immateriële aangelegenheden in betekenisvolle mate van elkaar afhankelijk zijn. De inspectierapporten waar verweerder zich op heeft gebaseerd geven een feitelijk beeld van wat er in het pand is aangetroffen. Uit de rapporten volgt niet dat sprake is van twee of meer bewoners die, los van de andere bewoners, in materiële of immateriële aangelegenheid in betekenisvolle mate van elkaar afhankelijk zijn, ofwel dat sprake is van meerdere huishoudens. Verweerder heeft de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom om de kamerverhuur in het pand te (laten) staken en gestaakt te houden in die zin dat er sprake is van maximaal één huishouden in het pand, zonder nadere motivering, dan ook ten onrechte in stand gelaten in het bestreden besluit. De rechtbank heeft verweerder bij de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om dit motiveringsgebrek binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, te herstellen door nader te onderzoeken en te motiveren of er ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake was van kamerverhuur (meerdere huishoudens) in het pand.
  4. Verweerder heeft niet gereageerd op de tussenuitspraak. Dat betekent dat het motiveringsgebrek niet is hersteld. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres daarom gegrond. Vanwege een gebrekkige motivering vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover verweerder daarin de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom om de kamerverhuur in het pand te (laten) staken en gestaakt te houden in die zin dat er sprake is van maximaal één huishouden in het pand, in stand heeft gelaten. Omdat dit deel van het bestreden besluit wordt vernietigt moet verweerder een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres voor zover dat zich richt tegen de opgelegde last onder dwangsom vanwege kamerverhuur. Verweerder moet dat doen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken die begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
  5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het griffierecht van € 174,-- dat eiseres heeft betaald, aan eiseres vergoedt.
  6. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep gegrond;  vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarin de last onder dwangsom om de kamerverhuur in het pand te (laten) staken en gestaakt te houden in die zin dat er sprake is van maximaal één huishouden in het pand, in stand heeft gelaten;  draagt verweerder op om binnen acht weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres voor zover dat zich richt tegen het deel van de last onder dwangsom dat gaat over kamerverhuur, met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;  draagt verweerder op om het door eiseres betaalde griffierecht van € 174,-- aan eiseres te vergoeden; Deze uitspraak is op 20 mei 2020 gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak (voor zover nodig) alsnog in het openbaar uitgesproken. (de rechter is niet in staat om de uitspraak te ondertekenen) griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.