RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummers: 8088103 UC EXPL 19-10884 (hoofdzaak) en 8088093 UC EXPL 19-10883 (incident) JH/1050 Vonnis van 3 juni 2020 inzake [eiseres] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [eiseres] , eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, gemachtigde: mr. L. Schuijt-Olde Heuvel, tegen: de naamloze vennootschap ASR Nederland N.V., gevestigd te Utrecht, verder ook te noemen ASR, gedaagde partij in de hoofdzaak, gedaagde partij in het incident, gemachtigde: mr. M.W. Minnaard. 1De procedure 1.1. [eiseres] heeft ASR op 1 oktober 2019 gedagvaard in de hoofdzaak, waarbij ook een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is ingesteld. ASR heeft een conclusie van antwoord ingediend. 1.2. Bij tussenvonnis van 5 februari 2020 is een mondelinge behandeling bepaald op 18 maart 2020. Deze mondelinge behandeling is afgezegd in verband met het coronavirus. [eiseres] heeft voor repliek geconcludeerd en ASR voor dupliek. 1.3. Beide partijen hebben vervolgens aangegeven dat aan de hand van de stukken vonnis kan worden gewezen. 1.4. Hierna is uitspraak bepaald. 2De feiten In de hoofdzaak en in het incident 2.1. [eiseres] , geboren op [1963] , is op 1 februari 2000 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [werkgever] (hierna: [werkgever] of de werkgever). Uit hoofde van dat dienstverband is zij deelnemer aan de pensioenregeling die door ASR wordt uitgevoerd. Van die regeling maken een arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) en een WAO-aanvullingspensioen (WAP) onderdeel uit. Deze pensioenen worden hierna tezamen het arbeidsongeschiktheidspensioen genoemd. 2.2. Op 7 mei 2000 is [eiseres] wegens ziekte uitgevallen. Zij heeft daarna voor [werkgever] geen werkzaamheden meer verricht en is op 1 juli 2003 arbeidsongeschikt uit dienst gegaan. 2.3. Het UWV heeft [eiseres] in of omstreeks mei 2001 voor 80-100 % arbeidsongeschikt verklaard in de zin van de WAO. Omdat de werkgever van [eiseres] eigen risicodrager was, is de uitkering niet door het UWV uitgekeerd. Het arbeidsongeschiktheidspensioen van [eiseres] is ingegaan op 7 november 2001 op basis van volledige arbeidsongeschiktheid (80-100%). Tot 1 januari 2007 heeft ASR het arbeidsongeschiktheidspensioen aan de werkgever uitgekeerd. 2.4. In het kader van de afwikkeling van een langlopend conflict over ontslag, re-integratie en arbeidsvoorwaarden is [eiseres] in 2006 met [werkgever] overeengekomen dat de WAO-uitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen vanaf 1 januari 2007 rechtstreeks aan haar worden uitgekeerd. 2.5. Bij brief van 1 december 2006 heeft ASR [eiseres] laten weten dat de uitkering van het arbeidsongeschiktheidspensioen ten bedrage van € 2.750,16 bruto per maand vanaf 1 januari 2007 rechtstreeks aan haar wordt overgemaakt. [eiseres] is er in deze brief op gewezen dat wijzigingen in de mate van haar arbeidsongeschiktheid terstond aan ASR gemeld moeten worden. 2.6. In het voorjaar van 2006 heeft er door het UWV een herkeuring plaatsgevonden van de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] . Bij beschikking van 23 november 2006 is het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] per 23 januari 2007 verlaagd naar 65 tot 80%. 2.7. ASR heeft [eiseres] bij brief van 21 september 2018 laten weten dat zij teveel arbeidsongeschiktheidspensioen heeft ontvangen. Het gaat om een bedrag van € 106.811. In de brief staat het volgende: “Het UWV gaf aan ons door dat u vanaf 23 januari 2007 voor 65-80% arbeidsongeschikt bent, hierbij hoort een uitkeringspercentage van 72,50%. Daarom gaat per deze datum (1 september 2018, toevoeging kantonrechter) uw arbeidsongeschiktheidspensioen omlaag. U krijgt voortaan € 2.027,17 bruto per maand. (…) U hebt vanaf 1 februari 2007 tot 1 september 2018 € 2.796,10 bruto per maand ontvangen. Wat u in die periode te veel kreeg, moet u ons terugbetalen.” 2.8. ASR heeft een bedrag van € 46.135,58 teruggevorderd van [eiseres] , te voldoen in maandelijkse termijnen van € 1.000. [eiseres] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Partijen hebben veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd om tot een oplossing te komen. In dat kader heeft ASR aangeboden haar vordering te halveren tot € 23.067,79. [eiseres] is hier niet mee akkoord gegaan. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert in het incident: primair veroordeling van ASR om met ingang van 1 september 2018 een pensioenuitkering uit te betalen van € 2.796,10 bruto per maand, te vermeerderen met rente; subsidiair om ASR te veroordelen om met ingang van 1 juli 2019 een pensioenuitkering zonder verrekening uit te betalen ter hoogte van € 2.027,17 bruto per maand, te vermeerderen met rente; veroordeling van ASR in de proceskosten. [eiseres] vordert in de hoofdzaak: primair: voor recht te verklaren dat ASR de pensioenuitkering niet eenzijdig met ingang van 1 september 2018 mag wijzigen; veroordeling van ASR om met ingang van 1 september 2018 een pensioenuitkering uit te betalen van € 2.796,10 bruto per maand, te vermeerderen met rente; voor recht te verklaren dat ASR de premievrije voortzetting tijdens arbeidsongeschiktheid niet mag corrigeren en die moet blijven baseren op de uitgangspunten zoals deze golden voor 1 september 2018; subsidiair: voor recht te verklaren dat ASR de onverschuldigde uitkering niet mag terugvorderen; om ASR te veroordelen om met ingang van 1 juli 2019 een pensioenuitkering zonder verrekening uit te betalen ter hoogte van € 2.027,17 bruto per maand, te vermeerderen met rente; voor recht te verklaren dat ASR de premievrije voortzetting tijdens arbeidsongeschiktheid niet met terugwerkende kracht ingaande 1 januari 2007 mag corrigeren, maar dat alleen vanaf 1 september 2018 mag doen; primair en subsidiair met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. 3.2. ASR voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan. 4De beoordeling In de hoofdzaak 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of ASR bevoegd is om het arbeidsongeschiktheidspensioen te verlagen en het volgens haar onverschuldigd betaalde van [eiseres] terug te vorderen. Verjaring en klachtplicht 4.2. [eiseres] heeft onder meer gesteld dat ASR te laat komt met de correctie van de pensioenuitkering en de terugvordering. Zij beroept zich op verjaring en het niet nakomen van de klachtplicht. Deze beroepen gaan niet op. De kantonrechter zal uitleggen waarom niet. 4.3. Voor de beoordeling van het beroep op verjaring is artikel 3:309 BW van belang. Daarin is bepaald dat een vordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. ASR heeft bij brief van 21 september 2018 aanvankelijk aanspraak gemaakt op terugbetaling van onverschuldigd uitgekeerd pensioen vanaf 1 februari 2007. Bij brief van 7 februari 2019 heeft zij haar vordering beperkt tot € 46.135,58 over de periode van 1 september 2013 tot 1 september 2018. Gelet op de in artikel 3:309 BW opgenomen termijn van vijf jaar is van verjaring van (een deel van) de vordering derhalve geen sprake. 4.4. In artikel 6:89 BW is bepaald dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De klachtplicht geldt weliswaar voor alle verbintenissen (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, m.nt. Jac. Hijma (V /Rabobank)), maar is met name geschreven voor verbintenissen waarbij een zaak moet worden verschaft of een dienst moet worden verricht. Juist vanwege de in beginsel onbepaalde reikwijdte van dit artikel dient dit voor andere gevallen behoedzaam te worden toegepast (vgl. conclusie A-G (punt 2.50.5) vóór HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, m.nt. P. van Schilfgaarde). Naar het oordeel van de kantonrechter is dit artikel niet geschreven voor een tekortkoming die zou bestaan uit het niet doorgeven van een gewijzigd arbeidsongeschiktheidspercentage door een deelnemer aan een pensioenregeling bij een pensioenverzekeraar. Is er onverschuldigd betaald? 4.5. Volgens [eiseres] staat in het geheel niet vast dat er sprake is van onverschuldigde betalingen door ASR. [eiseres] stelt dat zij de hoogte van het arbeidsongeschiktheids-pensioen niet kan controleren, omdat zij niet weet van welk inkomen ASR is uitgegaan en wat de hoogte was van de pensioenuitkering die door ASR tot 1 januari 2007 aan haar werkgever werd betaald. ASR heeft hiertegen ingebracht dat zij [eiseres] voorafgaand aan deze procedure duidelijk heeft uitgelegd van welke inkomensgegevens en arbeidsongeschiktheidspercentages zij bij de berekening van het arbeidsongeschiktheids-pensioen is uitgegaan. Zij verwijst hiervoor onder meer naar haar e-mail van 17 juni 2019 (productie 16 dagvaarding). 4.6. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze e-mail voldoende duidelijk blijkt op basis van welke gegevens het arbeidsongeschiktheidspensioen tot en na 1 januari 2007 is berekend. [eiseres] heeft de in de e-mail van 17 juni 2019 opgenomen gegevens niet gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Voor zover [eiseres] de in de e-mail opgenomen gegevens niet kan controleren omdat haar toenmalige werkgever, haar toenmalige advocaat en zijzelf niet meer over de relevante stukken beschikken, komt dit voor haar risico. Bovendien blijkt uit deze e-mail dat de berekening (mede) is gebaseerd op de bedragen die waren vastgesteld per en vanaf 1 januari 2006. Destijds heeft [eiseres] (die toen voorzien was van rechtsgeleerde bijstand) met die bedragen ingestemd. 4.7. ASR stelt terecht dat uitgangspunt is dat voor de bepaling van de hoogte van een arbeidsongeschiktheidspensioen het pensioenreglement leidend is. Op grond van het pensioenreglement is de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] is door het UWV tot 23 januari 2007 vastgesteld op 80-100%. Met ingang van 23 januari 2007 is dit verlaagd naar 65-80%. Het staat tussen partijen vast dat [eiseres] door deze wijziging op grond van het pensioenreglement per 1 februari 2007 recht heeft op een lager arbeidsongeschiktheidspensioen dan vóór die datum. Uitgaande van de in de e-mail van 17 juni 2019 opgenomen gegevens, die zoals hiervoor is overwogen niet (gemotiveerd) zijn betwist, leidt dit tot een verlaging van het arbeidsongeschiktheidspensioen per 1 februari 2007 van € 9.227,13 per jaar (€ 768,93 per maand). De kantonrechter acht voldoende komen vast te staan dat dit bedrag vanaf 1 februari 2007 tot 1 september 2018 zonder rechtsgrond en derhalve onverschuldigd aan [eiseres] is betaald. Gerechtvaardigd vertrouwen 4.8. Het voorgaande brengt mee dat ASR in beginsel gerechtigd was om de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen te corrigeren toen zij ontdekte dat zij teveel betaalde. Op grond van artikel 6:203 BW heeft zij ook recht op terugbetaling van het aan [eiseres] onverschuldigd betaalde bedrag. [eiseres] heeft hiertegen ingebracht dat zij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.