RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Zaaknummer/rekestnummer: 503217 / HA RK 20-217 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 8 juni 2020 op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van: [verzoeker] , wonende in [woonplaats] , (verder te noemen: verzoeker). 1De procedure 1.
- Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot wraking van de rechtbank in de klaagschriftprocedure met zaaknummer RK 20/
- Het wrakingsverzoek is op 28 mei 2020 schriftelijk ingediend. 1.
- De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling. 2De beoordeling 2.
- Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 2.
- Uitgangspunt is dat een wrakingsverzoek op zitting wordt behandeld. Indien het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken in de gevallen die zijn genoemd in 9.1 a. t/m i. van het wrakingsprotocol van deze rechtbank. 2.
- Op 28 mei 2020 heeft verzoeker twee e-mails gestuurd aan een griffiemedewerker met daarin het volgende: ‘Spoed spoed spoed hierbij wraak ik de rechtbank al voor de uitspraak wegens discriminatie en ongelijke behandeling’ en ‘Hierbij braak ik de rechtbank voor onpartijdigheid en discriminatie al voor de uitspraak‘. 2.
- Verzoeker heeft voorafgaand aan deze e-mails veelvuldig mailcontact gehad met de strafgriffie over de planning van zijn ingediende klaagschrift over inbeslaggenomen goederen ex artikel 552a Sv. Hij was het niet eens de vastgestelde datum waarop het klaagschrift behandeld zou worden. Op het moment van wraken had nog geen rechter bemoeienis met de zaak. Het voor verzoeker niet bevredigende contact met de strafgriffie kan niet worden aangemerkt als feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Overigens heeft verzoeker zijn verzoek volstrekt onvoldoende gemotiveerd. Wat hij in de hiervoor onder 2.3 genoemde e-mails vermeld heeft, heeft hij immers in het geheel niet toegelicht. 2.
- De wrakingskamer oordeelt gelet op het voorgaande met verwijzing naar onderdeel 9.1.b. en 9.1.d. van het wrakingsprotocol van deze rechtbank dat het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarom wordt dit wrakingsverzoek zonder behandeling op zitting niet-ontvankelijk verklaard. 3De beslissing De wrakingskamer: 3.
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek; 3.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen en de president van deze rechtbank; 3.
- bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer RK 20/74 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mrs. G.L.M. Urbanus en M.C. Oostendorp als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.