RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/3088 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2020 in de zaak tussen [bewindvoerder] , handelend onder de naam [handelsnaam] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] in hoedanigheid van bewindvoerder van: [onderbewindgestelde] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.P.J. Botterblom), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder (gemachtigde: mr. V. Djordjevic). Inleiding 1.1 Verweerder had aan de echtgenote van eiser, mevrouw [A] , een indicatie toegekend voor hulp bij het huishouden, leveringsvorm zorg in natura. Vanwege haar overlijden is deze indicatie bij besluit van 12 december 2018 beëindigd. 1.2 Op 1 februari 2019 heeft het wijkteam [naam wijkteam] (wijkteam) aan eiser laten weten dat zij hebben onderzocht of de indicatie van eisers echtgenote op zijn naam kan worden overgezet. Het wijkteam heeft geconstateerd dat eiser vanwege zijn fysieke klachten niet in staat is om zelfstandig huishoudelijke taken uit te voeren, dat de staat van zijn leefruimte achteruit gaat en dat het niet voldoende is als hij één keer per week huishoudelijke ondersteuning krijgt. Het wijkteam heeft voorgesteld om aan eiser een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp 2 toe te kennen voor de periode 10 december 2018 tot en met 31 december 2019. Eiser zou dan twee keer per week door Royal Topzorg worden ondersteund bij de huishoudelijke taken. 1.3 Op 5 februari 2019, door verweerder ontvangen op 11 februari 2019, heeft eiser een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). In het besluit van 12 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een voorziening toegekend in de vorm van ‘01A02 - Huishulp 2’ voor de periode van 10 december 2018 tot en met 31 december 2019 op grond van de Wmo 2015. 1.4 Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure, op 16 mei 2019, heeft verweerder eiser een voorstel gedaan om 5,5 uur hulp bij huishouden per week toe te kennen. Op 20 mei 2019 heeft eiser dit aanbod afgewezen. Het bezwaarschrift is vervolgens voorgelegd aan de commissie Behandeling klachten bezwaren sociaal domein (commissie). Naar aanleiding van de hoorzitting heeft de commissie op 17 juni 2019 contact opgenomen met verweerder en medegedeeld dat het besluit beter gemotiveerd dient te worden en dat daarvoor zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is. 1.5 Mevrouw [B] ( [B] ), medewerker van het wijkteam, heeft vervolgens in opdracht van verweerder nader onderzoek gedaan. Het onderzoeksverslag, van onbekende datum, is op 9 juli 2019 naar de commissie gestuurd. Op 10 juli 2019 is het onderzoeksverslag aan eiser voorgelegd. Op 16 juli 2019 heeft eiser op het onderzoeksverslag gereageerd. 1.6 Op 20 juli 2019 heeft de commissie advies uitgebracht. 1.7 Vervolgens heeft verweerder op 24 juli 2019, verzonden op 30 juli 2019, (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor wat betreft eisers verzoek om een beschikking in uren te ontvangen. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en voor de beoordeling van eisers aanspraken aansluiting gezocht bij de normen van het CIZ Protocol Huishoudelijke Verzorging (CIZ Protocol). Aan eiser wordt 5,5 uur per week hulp bij het huishouden toegekend. Voor het overige wordt het bezwaar ongegrond verklaard. 1.8 Eiser is het hier niet mee eens en heeft op 13 augustus 2019 beroep ingesteld. 1.9 Op 12 september 2019 heeft [B] een email naar eiser gestuurd met een aantal vragen en opmerkingen over ‘het bezwaar dat is ingediend over de huishoudelijk hulp’. Hierbij wordt geopperd dat het wellicht mogelijk is ‘dat een ergotherapeut mee kan kijken of en welke aanpassingen er gedaan kunnen worden’. 1.10 Op 19 september 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. 1.11 Eiser heeft naar aanleiding van de email van [B] , ergotherapeut mevrouw [C] ( [C] ) ingeschakeld. Op 20 oktober 2019 brengt [C] advies uit. Zij beschrijft de beperkingen van eiser en geeft mogelijke oplossingen voor zijn problemen. Dit advies stuurt zij op 24 oktober 2019 naar eiser. 1.12 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020 in zittingsplaats Amersfoort. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [D] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.13 Op de zitting heeft eiser een brief overgelegd van 8 augustus 2019 van verweerder met als onderwerp ‘Correctie Beschikking’ inhoudende dat eiser in aanmerking komt voor Huishoudelijke hulp 2 voor 330 minuten per week van 19 augustus 2019 tot 18 augustus 2020. Het onderzoek ter zitting is geschorst. 1.14 Op 17 februari 2020 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden in zittingsplaats Utrecht. Dezelfde partijen als op 10 februari 2020 zijn verschenen. Het onderzoek is op de zitting gesloten. Het gewijzigde besluit van 8 augustus 2019 2. Gelet op artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het besluit van 8 augustus 2019. De rechtbank zal daarom het besluit van 8 augustus 2019 bij de beoordeling betrekken, wat betekent dat de te beoordelen periode loopt van 10 december 2018 tot en met 18 augustus 2020. Het bestreden besluit 3. In het bestreden besluit heeft verweerder, rekening houdend met de grootte van de woning en eisers beperkingen, 5,5 uur per week hulp bij het huishouden aan eiser toegekend. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende normering: Licht huishoudelijk werk 60 minuten per week Zwaar huishoudelijk werk 180 minuten per week De was doen 60 minuten per week Advies instructie en voorlichting 30 minuten per week Verweerder baseert zich hiervoor op het onderzoeksverslag van [B] van onbekende datum. Verweerder acht, in afwijking van het advies van de commissie, nader medisch onderzoek niet noodzakelijk. Volgens verweerder zijn eisers beperkingen voldoende bekend bij het wijkteam en heeft eiser in bezwaar geen medische informatie overgelegd. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling van eisers aanspraken aansluiting gezocht bij de normen van het CIZ Protocol. Hiermee wijken zij af van hoofdstuk 5 van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2019, zodat dit hoofdstuk in afwijking van het advies van de commissie, niet van toepassing is. Het standpunt van eiser 4. Eiser voert – kort weergegeven - aan dat sprake is van onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek. Zo heeft verweerder verzuimd te onderzoeken wat de hulpvraag van eiser is, wat zijn medische beperkingen zijn en wat het gevolg is van deze beperkingen voor de uitvoering van huishoudelijke taken. Hierover heeft hij nooit een gesprek gehad met verweerder. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de draagkracht voor wat betreft de voorgesneden groenten en een glazenwasser. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft eiser de volgende stukken overgelegd: Een email van [C] van 24 oktober 2019 met het verslag van 20 oktober 2019, zoals beschreven onder 1.11; Emailcorrespondentie tussen [C] en verweerder naar aanleiding van het verslag van 20 oktober 2019; Brief van huisarts [E] van 11 december 2019; Foto’s van de buitenkant van de woning van eiser; Correspondentie van Royal Topzorg aan eiser van 19 juni 2019 en 21 oktober 2019. Het beoordelingskader 5.1 Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2. en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. 5.2 De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat verweerder een stappenplan moet volgen wanneer er een melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het college moet onderzoeken:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.