RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND StrafrechtZittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/242090-19 Vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2020 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren op [2000] in [geboorteplaats] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in Nieuwegein. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De rechtszaak tegen verdachte heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020, 2 april 2020 en 23 juni 2020. Verdachte was bij de behandeling van de zaak aanwezig, waardoor sprake is van een vonnis op tegenspraak. De zaak is op 23 juni 2020 inhoudelijk behandeld. Op deze zitting waren aanwezig: - verdachte zelf; - de advocaat van verdachte: mr. J. van Elk, advocaat te Woerden; - de officier van justitie: mr. D.C. Smits; - de benadeelde partij: [slachtoffer 1] . 2TENLASTELEGGING De volledige tenlastelegging is in de bijlage bij dit vonnis opgenomen. De officier van justitie verdenkt verdachte er samengevat weergegeven van dat hij: 1. zich op 15 augustus 2019 in Veenendaal samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van goederen die toebehoorden aan [slachtoffer 2] , terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , dan wel dat hij medeplichtig is aan deze diefstal met geweld;; 2. zich op 15 augustus 2019 in Veenendaal samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] , dan wel dat hij medeplichtig is aan deze poging tot afpersing; 3. zich op 15 augustus 2019 in Veenendaal samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van goederen die toebehoorden aan [slachtoffer 1] , terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , dan wel dat hij medeplichtig is aan deze diefstal met geweld; 4. zich op 7 oktober 2019 in Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan het bezit van cocaïne. De tenlastelegging is zo opgebouwd dat de rechtbank bij feit 1 tot en met feit 3 eerst moet nagaan of kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de diefstallen en de poging tot afpersing. Indien dat niet het geval is, moet zij kijken of wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan deze feiten. 3VOORVRAGEN Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in deze zaak, moet zij kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mocht verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie kunnen alle feiten wettig en overtuigend worden bewezen. Hij wijst hierbij op de aangiftes, de verklaringen van de beide verdachten en de rapportages van het NFI. De officier van justitie is van oordeel dat bij de feiten 1 tot en met 3 sprake is van medeplegen. Hij heeft daartoe aangegeven dat verdachte in beide berovingen een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gezamenlijke uitvoering, door met de mededaders de slachtoffers op te wachten, te besluipen en in het nauw te drijven. 4.2 Het standpunt van de verdediging Volgens de advocaat van verdachte kan niet worden vastgesteld dat verdachte een grotere rol heeft gehad dan die van chauffeur, waardoor ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 niet kan worden bewezen dat sprake was van medeplegen. De onder 1 en 3 tenlastegelegde medeplichtigheid aan de diefstallen kan volgens haar wel worden bewezen, met uitzondering van de onderdelen dat er een wapen zou zijn gebruikt (feit 1) en dat er een boormachine zou zijn weggenomen (feit 3). Voor die onderdelen bevat het dossier volgens de advocaat namelijk te weinig bewijs. Dit geldt ook voor de onder 2 tenlastegelegde medeplichtigheid aan de poging tot afpersing, nu volgens de advocaat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat sprake was van een poging tot afpersing. Feit 4 kan naar het oordeel van de advocaat wel wettig en overtuigend worden bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 2 primair en 2 subsidiair De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat geprobeerd is aangever [slachtoffer 2] af te persen, maar niet dat verdachte hier een significante rol in heeft gehad of dit heeft gefaciliteerd. Uit het dossier kan ook niet worden afgeleid dat verdachte, toen hij met de medeverdachten naar de parkeerplaats toe reed en de auto van aangever [slachtoffer 2] klemreed, wist dat het de bedoeling was om aangever [slachtoffer 2] af te persen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van of medeplichtigheid aan poging tot afpersing. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Vrijspraak feit 4 De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat er in de auto van verdachte ponypacks met poeder zijn aangetroffen. Ook stelt zij vast dat er door het NFI poeder is getest, waaruit is gebleken dat dit poeder cocaïne betreft. De rechtbank kan echter niet met zekerheid vaststellen dat het geteste poeder het poeder uit de auto van verdachte betreft. Het dossier bevat namelijk geen kennisgeving van inbeslagneming, waarin het goednummer van het inbeslaggenomen poeder is vermeld. Hierdoor kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte 1,13 gram cocaïne voorhanden heeft gehad. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. Bewijsmiddelen feiten 1 en 3 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij via de app KIK is gaan chatten met een dame, genaamd [naam] . Zij hadden een afspraak gemaakt op 15 augustus 2019, bij de parkeerplaats bij de 3 Zussen. [naam] appte toen dat zij bij een andere parkeerplaats wilde afspreken, omdat zij teveel mensen kende bij de 3 zussen. Kort daarna kreeg hij een appje of hij naar het VV in Veenendaal wilde komen. Daar aangekomen, is hij rechts de parkeerplaats opgereden. Omdat er niemand was, besloot hij weer weg te gaan. Toen hij de parkeerplaats afreed, kwam vanuit tegenovergestelde richting een auto aangereden. Dit was een zwart klein autootje. Deze auto parkeerde overdwars op de weg, waardoor hij geen kant op kon. Voordat hij het besefte, was de deur aan zijn kant van de auto al open en kreeg hij een trap tegen zijn borst. Meteen daarna kreeg hij een harde klap in zijn gezicht op zijn linker jukbeen. Hij zag dat dat met een hand met daarin een pistool gebeurde. Hij is toen met de man in een worsteling geraakt. Daarbij heeft [slachtoffer 2] op een gegeven moment het pistool weten af te pakken en toen zag hij dat het pistool geen magazijn bevatte. Hij dacht toen dat het mogelijk geen echt pistool was. De man liep daarna voor de auto langs en stapte naast hem in de auto. De andere twee mannen stonden buiten de auto. De man pakte vervolgens de autosleutels uit het contact. Toen hij zijn auto achteruit moest zetten, is een van de andere personen ook bij hem in de auto geweest. Die persoon heeft zijn telefoon gepakt. Naast de autosleutel en de telefoon hebben de daders volgens [slachtoffer 2] ook een sleutel meegenomen van zijn werk met een toegangsbadge om de deur te openen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij via de app KIK is gaan chatten met een meisje genaamd [naam] . Op 15 augustus 2019 had hij een afspraak met haar gemaakt. Hij had afgesproken op een parkeerplaats in de buurt van het restaurant 3 Zussen te Rhenen. Hij kon die parkeerplaats niet vinden en heeft daar app verkeer over gehad met [naam] . Hij kreeg toen een foto geappt waar hij moest zijn. Toen hij op de parkeerplaats, genaamd Prattenburg, kwam, zag hij in de hoek een auto met drie personen erin. Er stapten drie jongens uit deze auto. Hij wilde in zijn auto stappen, maar dit werd verhinderd door één van de jongens. Deze jongen had een blanke huidskleur. De jongen duwde met zijn handen tegen zijn borst, zodat hij zijn auto niet in kon stappen. [slachtoffer 1] zag dat een Marokkaanse jongen het bijrijdersportier opentrok en de autosleutels uit het contact trok. Vervolgens zag hij dat de jongen de schuifdeur van zijn auto open wilde maken. Hij wilde daar ook heenlopen, maar werd verhinderd door de jongen die voor hem stond en de jongen die achter hem stond. Hij was als het ware ingesloten. Hij zag dat de Marokkaanse jongen een koffer van een Makita boormachine uit zijn auto had gehaald. Hij pakte deze koffer beet om te voorkomen dat de jongen deze mee zou nemen. Meteen voelde hij dat hij hard getrapt of geslagen werd van achteren in zijn rug. Door de Marokkaanse jongen werd hij hard op zijn kaak geslagen. De autosleutel en de boormachine zijn volgens [slachtoffer 1] door de daders weggenomen. Verbalisant [verbalisant 1] is na de melding van een beroving/overval ter plaatse gegaan op de parkeerplaats ter hoogte van landgoed Prattenburg. Hij zag dat er meerdere goederen op de grond vlakbij de bestelauto van het slachtoffer lagen. Hij zag dat er een blauwe gereedschapskist lag. Er zat geen deksel op de gereedschapskist. Iets verderop zag hij een handvat van gereedschap liggen. Dit handvat was vermoedelijk van iets afgebroken. Dit handvat was van het merk Makita. Even verderop zag hij de deksel van een gereedschapskist liggen. Ook op deze deksel was het merk Makita te lezen. Van de telefoonnummers van [medeverdachte] ( [telefoonnummer] ) en [verdachte] ( [telefoonnummer] ) zijn de historische gegevens opgevraagd. Op donderdag 15 augustus 2019 tussen 08:15:13 uur en 10:57:36 uur heeft het telefoonnummer van [medeverdachte] (* [telefoonnummer] ) vier keer contact met het telefoonnummer van [verdachte] (* [telefoonnummer] ). Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zagen rechts achterop het parkeerterrein, waar volgens slachtoffer [slachtoffer 1] het voertuig van de daders had gestaan, een telefoonhoes liggen. De telefoonhoes was, naar later bleek, van aangever [slachtoffer 2]. het slachtoffer van de beroving op de plaats delict aan de Groeneveldselaan te Veenendaal (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2] ). De telefoonhoes is veiliggesteld en voorzien van SIN-nummer AAJP6693NL. Object: telefoonhoes. De onder- en bovenrand van de telefoonhoes zijn bemonsterd. Deze bemonsteringen zijn als respectievelijk AAJP6693NL#01 en #02 veiliggesteld voor een DNA onderzoek. Het DNA met SIN AAJP6693NL#01 kan afkomstig zijn van [medeverdachte] . De matchkans is kleiner dan 1 op 1 miljard. Het DNA met SIN AAJP6693NL#02 kan ook afkomstig zijn van [medeverdachte] . De matchkans is kleiner dan 1 op 1 miljard. Op 7 oktober 2019 is verdachte [medeverdachte] aangehouden in zijn woning in [woonplaats] . In het kastje naast het bed is een vuurwapen aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 4] heeft een onderzoek aan dit voorwerp ingesteld. Het bleek te gaan om een nabootsing van een vuurwapen (gasdrukpistool, merk/model Colt M1911). Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat iemand hem foto’s en teksten op een telefoon liet zien waaruit bleek dat twee mannen seks wilden hebben met een minderjarig meisje. Hij heeft vervolgens met die jongen afgesproken dat zij die mannen in elkaar zouden slaan en hun autosleutels zouden afpakken. Er heeft een dag of drie tussen het zien van de telefoon en de afspraak met beide mannen gezeten. Op de dag zelf is hij opgehaald en zijn ze met de auto naar een voetbalvereniging in Veenendaal gereden. Hij heeft de deur van auto van het eerste slachtoffer (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2] ) opengetrokken en de man gelijk een stomp op zijn neus gegeven. Hij heeft de man meerdere malen geslagen en getrapt. Hij heeft hem op zijn neus en zijn borst geslagen en getrapt. Daarna heeft hij zijn autosleutels afgepakt. Daarna zijn ze naar de parkeerplaats Prattenburg gegaan. Daar stond een man (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1] ) te plassen. Hij is naar de auto van de man gelopen. Hij heeft toen de sleutels uit de auto gehaald. Hij zag dat de man naar hem toe kwam. Hij heeft de man toen een klap op zijn kaak gegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn auto heeft bestuurd. Hij zou daar geld voor krijgen. Ze zijn eerst naar parkeerplaats Prattenburg gereden. Daarna zijn ze naar de voetbalvereniging in Veenendaal gereden. Daar heeft hij een andere auto klemgereden en heeft de beroving plaatsgevonden. Daarna zijn ze weer naar Prattenburg gereden. Daar kwam een busje aanrijden. Ook daar heeft vervolgens een beroving plaatsgevonden. Bewijsoverwegingen feiten 1 en 3. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat medeverdachte [medeverdachte] het plan had om de slachtoffers in elkaar te slaan en hun autosleutels af te pakken. Met beide slachtoffers is er op 15 augustus 2019 een afspraak gemaakt. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben die ochtend meermaals telefonisch contact met elkaar gehad en zijn daarna met een derde, onbekend gebleven persoon in de auto van verdachte naar deze afspraken toegereden. Met beide slachtoffers is vlak voor de afgesproken tijd nog gechat om de locatie te veranderen of om de precieze locatie aan te geven. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het niet anders kan dan dat verdachte, op het moment dat hij naar de afgesproken plekken toereed in aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte] , moet hebben geweten dat het plan was om de slachtoffers in elkaar te slaan en daarbij de autosleutels af te pakken. De rechtbank is voorts van oordeel dat de gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als medeplegen. Er was bij beide berovingen sprake van een wezenlijke bijdrage van verdachte en een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Bij de beroving van [slachtoffer 2] heeft verdachte [slachtoffer 2] klemgereden waardoor [slachtoffer 2] de parkeerplaats niet kon verlaten en de beroving uitgevoerd kon worden. Bij de beroving van [slachtoffer 1] is verdachte samen met de onbekend gebleven medeverdachte uit de auto gestapt en hebben zij [slachtoffer 1] in het nauw gedreven en verhinderd dat hij naar zijn auto kon teruglopen. Daarbij hebben zij [slachtoffer 1] eerst geduwd en daarna tegen zijn onderrug aan getrapt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er nog een vierde persoon in de auto zou hebben gezeten bij de beroving van [slachtoffer 1] en dat het deze vierde persoon zou zijn geweest die uit de auto zou zijn gestapt (en niet verdachte). De verklaring van verdachte dat er op een gegeven moment nog een vierde persoon bij hem in de auto heeft gezeten, is echter niet concreet en verifieerbaar en wordt bovendien weersproken door de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , zodat de verklaring van verdachte door de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven. Bij dit oordeel speelt ook mee dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich vrijwel niets meer van die ochtend kon herinneren, behalve enkele ontlastende aspecten, zoals de plotselinge aanwezigheid van een vierde persoon bij de tweede beroving. Hij heeft desgevraagd geen herinnering meer van het moment waarop en de plek waar deze vierde persoon in de auto zou zijn gestapt. De rechtbank acht gelet op het bovenstaande het onder 1 primair en 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Dit geldt ook voor de door de advocaat betwiste onderdelen over het gebruik van een (nep)wapen en de diefstal van een boormachine. Ten aanzien van het gebruik van een wapen bij de overval op [slachtoffer 2] wijst de rechtbank op de gedetailleerde en consistente verklaring die aangever [slachtoffer 2] hierover heeft afgelegd. [slachtoffer 2] heeft onder meer verklaard dat hij in eerste instantie dacht dat de dader een pistool in zijn hand had, maar dat hij later - nadat hij het pistool wist te bemachtigen - zag dat het magazijn ontbrak en toen bij hem het vermoeden rees dat het om een nepwapen ging. De rechtbank acht deze verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar en gaat dan ook uit van de juistheid hiervan. Daarbij komt dat de verklaring van [slachtoffer 2] op dit onderdeel wordt ondersteund door het aantreffen van een neppistool in de woning van medeverdachte [medeverdachte] . Ten aanzien van de diefstal van de boormachine wijst de rechtbank op de verklaring van verbalisant Boerendans, waaruit blijkt dat hij kort na de beroving in de nabijheid van de auto van [slachtoffer 1] een (kennelijk lege) gereedschapskist van Makita en de deksel van deze gereedschapskist heeft gevonden. De boormachine zelf is niet aangetroffen. Gelet hierop, neemt de rechtbank aan dat de boormachine is weggenomen door verdachte en zijn medeverdachten. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte: feit 1 primair op 15 augustus 2019 te Veenendaal tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, heeft weggenomen een autosleutel en een toegangssleutel van een bedrijfspand en een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 2] , terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, door - die [slachtoffer 2] door gebruik te maken van de naam " [naam] " naar een door hem, verdachte en/of zijn medeverdachten bepaalde locatie te laten komen en - die [slachtoffer 2] te trappen en te slaan en - die [slachtoffer 2] een nabootsing van een vuurwapen te tonen. feit 3 primair op 15 augustus 2019 te Rhenen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een autosleutel en een boormachine (merk Makita), toebehorende aan [slachtoffer 1] , terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [slachtoffer 1] door gebruik te maken van de naam " [naam] " naar een door hem, verdachte en/of zijn medeverdachten bepaalde locatie te laten komen en - die [slachtoffer 1] te stompen en te trappen. Verdachte zal worden vrijgesproken van alles wat meer in de tenlastelegging is opgenomen dan wat hierboven is bewezen verklaard. De rechtbank heeft spel- en typfouten in de tenlastelegging aangepast, maar dat is niet in het nadeel van verdachte gebeurd. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Er is niet gebleken dat er zo'n rechtvaardigingsgrond voor de door verdachte gepleegde feiten bestond. Deze feiten zijn dus strafbaar. De wet noemt de door verdachte gepleegde feiten: feit 1 primair diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 3 primair diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Er is niet gebleken dat er in het geval van verdachte sprake is van zo’n schulduitsluitingsgrond. Verdachte is dus strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Hij heeft gevorderd daarbij als (dadelijk uitvoerbare) bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, inclusief het meewerken aan diagnostiek, en een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers op te leggen. 8.2 Het standpunt van de verdediging De advocaat van verdachte heeft verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte tot nu toe in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft aangegeven dat verdachte bereid is zich aan de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel te houden. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee berovingen. Zij meenden dat de slachtoffers zich verwerpelijk gedroegen en wilden hen daarom een lesje leren. Zij hebben de slachtoffers onder valse voorwendselen naar afgelegen plekken gelokt en hebben hen daar mishandeld, beroofd en zonder autosleutels en in het geval van [slachtoffer 2] ook zonder telefoon achtergelaten. Feiten als deze leveren pijn, overlast en gevoelens van onveiligheid op voor de slachtoffers. Daarnaast leiden dergelijke feiten ook tot onrust in de maatschappij. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij op deze manier voor eigen rechter heeft gespeeld. Persoonlijke omstandigheden Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) van verdachte van 2 december 2019 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank merkt dit niet aan als strafmatigende omstandigheid. Verdachte is onderzocht door de reclassering. Uit het reclasseringsadvies van 7 januari 2020 volgt dat de betrokkenheid van verdachte, bij wie ADD en dyslexie is vastgesteld, bij de bewezenverklaarde feiten vragen oproept over zijn probleembesef en zijn gewetensontwikkeling. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte, zijn problematiek en het feit dat hij niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, acht de reclassering een psychologisch onderzoek met aansluitend een behandelverplichting en reclasseringstoezicht geïndiceerd om het recidiverisico te verlagen. LOVS-oriëntatiepunten De rechtbank houdt bij het bepalen van een passende straf altijd rekening met wat er in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. Hiervoor zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. Voor een straatroof met licht geweld geeft het LOVS als oriëntatiepunt voor iemand die niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Strafverzwarende aspecten zijn daarbij onder meer dat sprake was van een samenwerkingsverband, een vooropgezet plan, fors geweld en het gebruik van een wapen. Strafoplegging Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een lange gevangenisstraf in deze zaak passend is. In dit geval is sprake van twee berovingen die zijn gepleegd in een samenwerkingsverband en waarbij aanzienlijk geweld is gebruikt. Gelet op deze strafverzwarende omstandigheden, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden aan verdachte opleggen. Gelet op de nog jonge leeftijd van verdachte en het advies van de reclassering wordt een gedeelte van 8 maanden hiervan voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, inclusief het meewerken aan diagnostiek, en een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers. Gelet op de aard en ernst van de feiten en de inhoud van het reclasseringsadvies is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank beveelt daarom dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. 9BENADEELDE PARTIJ Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 11.333,37. Dit bedrag bestaat uit € 10.397,37 aan materiële schade (te weten € 383,99 aan boormachines, € 120,00 aan een spijkerbroek, € 30,00 aan een t-shirt, € 174,00 aan schoenen, € 9.230,00 aan gemiste inkomsten, € 435,90 aan autosleutels en € 23,48 aan tandartskosten) en € 936,00 aan immateriële schade. 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de kosten voor de boormachine, de autosleutels en de tandarts en de immateriële schade geheel toe te wijzen. Hij heeft ten aanzien van de kleding gevorderd een bedrag van in totaal € 200,00 toe te kennen, de kleding zich in gebruikte staat bevond en dus op de nieuwwaarde een afschrijving dient plaats te vinden. Hij heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in het gedeelte van de vordering dat ziet op de gemiste inkomsten, nu de behandeling van dit gedeelte van de vordering - gelet op de onderbouwing daarvan - een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. 9.2 Het standpunt van de verdediging De advocaat van verdachte heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, aangezien verdachte volgens de verdediging slechts medeplichtig was en derhalve niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de veroorzaakte schade. Subsidiair heeft zij wat betreft de gemiste inkomsten aangevoerd dat de behandeling van deze kostenpost te ingewikkeld is voor het strafproces. Ten aanzien van de boormachines heeft zij aangevoerd dat wordt ontkend dat er een boormachine is weggenomen. Als dit echter wel wordt bewezenverklaard, kan slechts de helft van de factuur worden toegewezen, nu er telkens maar over één boormachine is gesproken. Wat betreft de weggenomen kleding heeft de advocaat aangevoerd dat hiervan geen aankoopbonnen zijn overgelegd. Zij heeft daarom verzocht een bedrag van maximaal € 50,00 voor de kleding toe te wijzen. Zij heeft daarnaast verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in het gedeelte van de vordering dat ziet op de schoenen, of de vordering op dit punt af te wijzen, omdat uit het dossier niet blijkt dat de benadeelde partij deze schoenen aan de politie heeft moeten afstaan. De kosten voor de autosleutel kunnen worden toegewezen, maar de kosten voor een reservesleutel niet. Deze kosten staan namelijk niet in causaal verband met het strafbare feit. De advocaat heeft zich wat betreft de tandartskosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft tot slot verzocht de gevraagde vergoeding voor de immateriële schade te matigen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit schade heeft opgelopen en waardeert deze schade als volgt. Boormachine(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.