RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/64 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de Staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. W.S. Badri). Inleiding en procesverloop Eiser is werkzaam bij het dienstencentrum [dienstencentrum] , een onderdeel van het Ministerie van Defensie. Kort samengevat verzorgt [dienstencentrum] de catering en voorziet het in producten en diensten ten behoeve van de voedings- en kantineverzorging binnen de defensieorganisatie. Bij [dienstencentrum] is eind 2017 een project van start gegaan, genaamd “reparatie van de IST”. Het doel van dit project is om de functiebeschrijvingen bij [dienstencentrum] in harmonie te brengen. Bij besluit van 25 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de functiebeschrijving van cateringmedewerker C op eiser van toepassing is. Verweerder ziet geen aanleiding om de functiebeschrijving van cateringmedewerker C aan te passen. Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. Partijen hebben aanvankelijk afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting. Zij hebben toestemming gegeven dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 mei 2020 gesloten. Omdat de rechtbank van oordeel was dat het onderzoek toch nog niet voltooid was, heeft zij het onderzoek op 12 juni 2020 heropend. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens via een Skypeverbinding plaatsgevonden op 26 juni
- Aanwezig waren eiser en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen
- Tussen partijen is niet in geschil dat eiser (in ieder geval gedurende een langere periode) in de dagelijkse uitvoering van zijn functie werkzaamheden heeft verricht die de functiebeschrijving cateringmedewerker C overstijgen. Volgens eiser bedraagt deze overstijging in ieder geval 20%. Op grond hiervan meent eiser aanspraak te maken op een individuele aanpassing van zijn functiebeschrijving. Eiser wijst in dit verband op een ongedateerd stuk met de titel “Stand van zaken reparatie IST”. Voor zover hier relevant staat in dit stuk het volgende vermeld: “(…) Doel is dat er recht gedaan wordt aan de werkzaamheden die door het betrokken personeel op dit moment daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de inhoud van de huidige functiebeschrijvingen en de daadwerkelijke uitvoering van de functie in de IST. Bij een afwijking van > 20% zal de geactualiseerde functiebeschrijving worden aangeboden bij UBOF voor een waardering. Mocht dit leiden tot een hogere waardering, dan zal dit met individueel maatwerk worden opgelost. (…) Dit noemen we “reparatie van de IST” (…).”
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat de reparatie van de IST betrekking heeft op het -zo nodig- herzien van de generieke beschrijving van organieke functies. Met “individueel maatwerk” wordt volgens verweerder gedoeld op het maatwerk dat op de individuele medewerker wordt geleverd, in het geval de generieke functiebeschrijving zou veranderen. Als daartoe aanleiding bestaat, dan past verweerder de functiebeschrijving dus aan voor de generieke functie. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen gaat verweerder ertoe over om een functiebeschrijving van een individuele medewerker te herzien.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee een juiste uitleg gegeven aan de doelstelling van het project “reparatie van de IST”. Daarmee is de kern van dit geschil beperkt tot de vraag of verweerder het standpunt heeft mogen innemen dat er geen aanleiding is geweest om de functiebeschrijving van eiser te herzien.
- De rechtbank oordeelt dat verweerder dit standpunt inderdaad heeft mogen innemen. Het project “reparatie van de IST” kent als het ware een meetmoment naar de huidige situatie en is gericht op de toekomst. Tegen deze achtergrond heeft verweerder mogen aandragen dat de situatie op de afdeling van eiser op dat meetmoment was gewijzigd ten opzichte van de jaren daarvoor. Zo zijn veel van de functieoverstijgende werkzaamheden die eiser voorheen heeft verricht weer belegd bij medewerkers die een hogere functie hebben. Eiser verricht nu in overwegende mate weer werkzaamheden die passen bij zijn functie van cateringmedewerker C. Verweerder heeft jegens eiser niet onzorgvuldig gehandeld door de diverse functieoverstijgende werkzaamheden uit zijn takenpakket te halen. Dat eiser die werkzaamheden voorheen jarenlang heeft verricht, heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven geven om nu en naar de toekomst toe de functiebeschrijving van eiser op individuele basis te herzien.
- Het beroep van eiser faalt dan ook. Het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is op 10 juli 2020 gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als omschreven in het functiewaarderingssysteem FUWASYS-DEF.