← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:2681

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/1082 uitspraak van voorzieningenrechter van 2 juli 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. S. Rorije) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder (gemachtigde: A. Maris) Inleiding 1.1 Verzoeker is eigenaar van de boerderij aan de [adres] in [woonplaats] . Deze boerderij wordt verkamerd verhuurd. Bij besluit van 9 mei 2019 heeft verweerder verzoeker gelast om uiterlijk voor afloop van de daarin gestelde begunstigingstermijn, de verkamering van de boerderij te beëindigen en beëindigd te houden, onder verbeuring van een dwangsom van € 500,-- per keer dat de overtreding wordt geconstateerd, met een maximum van € 2.500,--. Het bezwaar dat verzoeker hiertegen heeft ingediend is door verweerder bij besluit van 18 februari 2020 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. 1.2 Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld (zaaknummer UTR 20/1083). Op 16 maart 2020 heeft hij ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, als het verzoek kennelijk ongegrond is.
  2. Verzoeker heeft inmiddels een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ter legalisatie van de verkamering van de boerderij. Deze aanvraag is door verweerder in behandeling genomen. Gelet hierop heeft verweerder de begunstigingstermijn voor de last bij besluit van 1 juli 2020 verlengd tot 1 oktober
  3. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht is het treffen van een voorlopige voorziening mogelijk als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet hierop heeft de griffier op 2 juli 2020 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van verzoeker. Volgens de gemachtigde van verzoeker is het spoedeisende belang gelegen in het feit dat verweerder nog wel controles uitvoert van de boerderij en dat er naar verwachting pas in maart 2021 op de aanvraag ter legalisatie zal worden beslist. Het verzoek wordt daarom gehandhaafd.
  4. De voorzieningenrechter oordeelt dat er op dit moment géén sprake is van onverwijlde spoed op grond waarvan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening zou moeten treffen. De begunstigingstermijn verloopt over drie maanden. Controles van de boerderij die in de tussentijd door verweerder worden uitgevoerd, kunnen niet leiden tot verbeuring van de dwangsom. Ook de verwachting dat er niet voor afloop van de begunstigingstermijn op de aanvraag is beslist, maakt niet dat er nú sprake is van een spoedsituatie.
  5. Omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is op 2 juli 2020 gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.