RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/233616-19 (P) en 21/002270-15 (TUL) Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juli 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1996] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres] , [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2019, 13 februari 2020 en 1 juli 2020 (inhoudelijke behandeling). De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M. Lamers, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte, de raadsman en de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1 op 20 september 2019 te Utrecht, al dan niet samen met anderen, opzettelijk een ontploffing heeft teweeg gebracht van een geldautomaat van de Rabobank aan de [adres] , terwijl gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was; 2 op 20 september 2019 te Utrecht, al dan niet samen met anderen, uit een geldautomaat van de Rabobank aan de [adres] , een geldbedrag heeft gestolen door middel van braak; 3 op 20 september 2019 te Utrecht, al dan niet samen met anderen, een motorscooter en/of een bestelauto heeft geheeld. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Een verbalisant zag vlak na de plofkraak bij de Rabobank personen in regenpakken op scooters wegrijden. Verbalisanten hebben kort na de plofkraak in het park tussen de Dommeringdreef en de Brandenburchdreef een scooter met tikkend motorblok en een warme uitlaat aangetroffen. Ook is een spoor van regenpakken, handschoenen, bivakmutsen, zwart geblakerde bankbiljetten en andere goederen aangetroffen. Het is aannemelijk dat de aangetroffen scooter en de goederen zijn gebruikt of buit gemaakt bij het plegen van de plofkraak. Van verdachte zijn DNA-sporen aangetroffen in een bivakmuts en in twee handschoenen. Het DNA-profiel van verdachte aan de binnenzijde van de bivakmuts betreft weliswaar een mengprofiel, maar het is extreem veel waarschijnlijker dat de bemonstering van het spoor DNA bevat van verdachte [verdachte] en twee onbekende, niet verwante personen, dan dat de bemonstering van het spoor DNA bevat van drie onbekende, niet verwante personen. Het DNA-profiel van verdachte in de rechter handschoen betreft weliswaar een mengprofiel, maar het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte, zodat aannemelijk is dat verdachte de bivakmuts als laatste heeft gedragen. Ook het DNA-profiel aan de binnenzijde van de linker handschoen matcht met het DNA-profiel van verdachte. Er zijn in de linker handschoen weliswaar ook enkele additionele DNA-kenmerken aangetroffen, maar die zijn slechts zwak aanwezig. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Er is DNA aangetroffen van verdachte en van minimaal twee andere personen, op verplaatsbare voorwerpen waarvan niet is vast te stellen dat deze voorwerpen bij de plofkraak zijn gebruikt. Volgens verdachte kan zijn DNA op de voorwerpen terecht zijn gekomen omdat hij de bivakmuts en handschoenen eerder heeft gedragen om stoer te doen tegenover zijn vrienden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier blijkt dat op het trottoir/voortuin voor de percelen [adres] onder meer de volgende goederen zijn aangetroffen: - een muts: SIN-nummer: AANA1836NL; - een rechter handschoen: SIN-nummer: AANA1839NL; - een linker handschoen: SIN-nummer: AANA1840NL. Forensisch onderzoek van het NFI heeft onder meer het volgende opgeleverd: - Binnenzijde muts (AANA1836NL#01): DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. [verdachte] donor kan zijn. - Binnenzijde rechterhandschoen (AANA1839NL#01): DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Het DNA‑hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] (frequentie = kleiner dan één op één miljard). - Binnenzijde linkerhandschoen (AANA1840NL#01): DNA-profiel van een man. De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Er is een gering aantal, zwak aanwezige, additionele DNA kenmerken aangetoond. Deze zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] . Verdachte heeft, geconfronteerd met de vondst van zijn DNA verklaard dat hij ‘wel eens iets aan heeft gedaan met vrienden en dan foto's gemaakt’. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De verdenking van verdachte is gebaseerd op het aangetroffen DNA op een muts en twee handschoenen, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Voor het overige bevat het dossier geen aanwijzingen die in de richting van verdachte wijzen. Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat de aangetroffen voorwerpen bij de plofkraak zijn gebruikt, gaat het om verplaatsbare voorwerpen die ook DNA van andere personen dan verdachte bevatten. Het is niet duidelijk wanneer deze voorwerpen door wie zijn gedragen; het vergelijkend DNA-onderzoek geeft daarover geen informatie. Weliswaar bevat het DNA-mengprofiel op de rechterhandschoen een hoofdprofiel dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, maar hieruit kan niet worden geconcludeerd dat het verdachte is geweest die de handschoen als laatste heeft gedragen. De verklaring van verdachte dat hij deze handschoenen en muts op een ander moment heeft gedragen, wordt door de aangetroffen DNA-mengprofielen niet weersproken. De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5BENADEELDE PARTIJEN De Rabobank Namens de coöperatieve Rabobank te Amsterdam heeft [A] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een bedrag van € 219.148,85 gevorderd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. [VOF] Namens de vennootschap onder firma [VOF] , tevens handelend onder de naam [VOF] , hebben [B] en [C] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en, na vermindering van hun vordering, een bedrag van € 99.570,94 gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 95.266,16 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en voorts uit een vergoeding van de proceskosten van € 2.804,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.