RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad/Utrecht Parketnummer: 16/071575-20 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2020, op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] , geboren op [1998] in [geboorteplaats] , nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Peel in Evertsoord, hierna te noemen: veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 juli
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie, mr. J.R.F. Esbir Wildeman, en van hetgeen veroordeelde en mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Rhenen naar voren hebben gebracht. 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde – anders dan in de vordering vermeld – moet worden geschat op € 11.812,-. De officier van justitie vordert dat de rechtbank veroordeelde verplicht tot betaling van voormeld bedrag. 2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan veroordeelde in de strafzaak ten laste gelegde feiten. Dat betekent dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden afgewezen, aldus de raadsman. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van 16 juli 2020 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het (mede)plegen van meerdere diefstallen – al dan niet met valse sleutels – op verschillende data in de maand oktober
- De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor strafbare feiten. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die veroordeelde heeft begaan. 3.2 Berekening en toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport en het vonnis van de rechtbank van 16 juli 2020 in de strafzaak tegen veroordeelde. Uit het vonnis van deze rechtbank van 16 juli 2020, waarin veroordeelde is veroordeeld voor meerdere vermogensfeiten, blijkt dat zij contante geldbedragen en pinpassen van slachtoffers heeft gestolen, waarmee zij vervolgens grote geldbedragen heeft gepind. De bedragen die veroordeelde heeft gestolen of gepind, zijn in de bewezenverklaring van voormeld vonnis opgenomen. De rechtbank komt tot een ander totaalbedrag dan de officier van justitie, nu de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard. Uit het vonnis en het ontnemingsrapport blijkt dat veroordeelde met onderstaande, bewezen verklaarde feiten, de volgende bedragen heeft verkregen: feit 1 € 60,- feit 2 € 2.263,- feit 4 € 2.594,50 feit 9 € 4.000,- ---------------------- Totaal: € 8.917,50 Uit de stukken in het procesdossier is niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt die van voormeld bedrag moeten worden afgetrokken. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 8.917,
- De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal veroordeelde dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 8.917,50 aan de staat. 4TOEGEPAST WETSARTIKEL De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 8.917,50; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 8.917,50 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 356 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick voorzitter, mrs. A. Blanke en I.L. Gerrits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juli
- De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel”, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2019342226 Z (pagina’s 482 en 483). Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juli 2020, in de zaak met parketnummer 16/071575-20.