RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16-094547-20 en 99-000109-12 (herroeping VI) Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juli 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,thans gedetineerd in de [verblijfplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juli
(47)wegens moord op zijn vriendin [A] . Justitie acht moord bewezen. Dat de 47-jarige Deventenaar [verdachte] vorig jaar maart zijn 45-jarige vriendin [A] om het leven heeft gebracht, staat buiten kijf. Hij heeft de zaak immers bekend. Anders dan de man zelf, die stelt in een opwelling te hebben gehandeld, is de officier van justitie er stellig van overtuigd dat de Deventenaar met voorbedachte rade heeft gehandeld. Dat zou van dit extreme voorbeeld van huiselijk geweld een moord maken. De eis was er maandagmorgen dan ook naar: vijftien jaar cel.” De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben. Bewijsoverweging De rechtbank acht gelet op bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven heeft gepleegd door een bericht te plaatsen of te verspreiden via het Facebookaccount van aangeefster met de inhoud van het hiervoor genoemde krantenartikel, verwijzend naar een eerdere veroordeling tegen verdachte. Verdachte heeft bekend dat het krantenartikel, waaruit blijkt dat tegen verdachte 15 jaar is geëist voor de dood op zijn ex-vriendin, van hem afkomstig is. De rechtbank stelt vast dat verdachte het krantenartikel heeft gedeeld vlak nadat aangeefster haar relatie met verdachte definitief had beëindigd, waarna verdachte aangeefster (in elk geval) heeft uitgescholden. De rechtbank is van oordeel dat het delen van dit krantenartikel onder deze omstandigheden, onafhankelijk van de vraag of aangeefster op de hoogte was van het verleden van verdachte, bedreigend van aard is. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het delen van voornoemd krantenartikel aan (in ieder geval) bekenden van aangeefster in elk geval de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zich hierdoor bedreigd zou voelen. Om die reden acht de rechtbank bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het bedreigen van aangeefster. Gelet op het voorgaande, verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging. De rechtbank acht onvoldoende bewijs voorhanden voor de andere tenlastegelegde bedreigingen. De rechtbank is verder van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de onder 2 tenlastegelegde computervredebreuk heeft gepleegd ten aanzien van zowel het Facebookaccount als het internetgebruik via de mobiele telefoon van verdachte. Ten aanzien van het Facebookaccount acht de rechtbank bewezen dat verdachte een bericht op, of via Messenger gelinkt aan, het Facebookaccount van aangeefster heeft geplaatst en gedeeld met derden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat de tenlastelegging deze gedraging van verdachte niet dekt. Ten aanzien van de telefoon overweegt de rechtbank dat verdachte heeft bevestigd dat aangeefster haar oude telefoon aan hem had gegeven met het doel dat verdachte foto’s zou veiligstellen. Door de telefoon zonder toestemming van aangeefster voor andere doeleinden te gebruiken, heeft verdachte ook ten aanzien van de geautomatiseerde inhoud van de telefoon computervredebreuk gepleegd. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1op een tijdstip in de periode van 12 maart 2020 tot en met 4 april 2020 te Utrecht en/of Almelo, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een bericht te plaatsen op haar Facebook account waarin een krantenbericht met als kop "Eis: 15 jaar voor moord op [A] " is geplaatst en verwijzend naar een eerdere veroordeling tegen verdachte; 2op tijdstippen in de periode van 12 maart 2020 tot en met 4 april 2020 te Utrecht en/of Almelo, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten een mobiele telefoon en een Facebook account toebehorende aan [slachtoffer] , is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel en door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten het onbevoegd gebruik maken van de toegangscode(
- s)en/of gebruikersna(a)m(
- en)en/of het e-mailadres(sen) en/of het/de wachtwoord(en). Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; feit 2: computervredebreuk, meermalen gepleegd. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het plaatsen van het krantenartikel, dit geen feit betreft waarvoor verdachte nu al drie maanden zou moeten zitten. Volgens de raadsman bestaat er geen ruimte meer voor het opleggen van een straf die langer duurt dan de voorlopige hechtenis. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft via Facebook van zijn toenmalige vriendin een krantenartikel gedeeld met als kop: “Eis: 15 jaar voor moord op [A] ”. Uit dit artikel kon aangeefster de conclusie trekken dat verdachte, haar toenmalige vriend, zijn vorige vriendin om het leven had gebracht. De door verdachte geuite bedreiging is zeer ernstig. Verdachte heeft door dit dreigement bij aangeefster, tevens ex-vriendin van verdachte, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht. Verdachte heeft er geen blijk van gegeven met de gevoelens van anderen rekening te hebben gehouden. Daarnaast heeft verdachte computervredebreuk gepleegd door, zonder toestemming, in de telefoon van aangeefster te kijken en via deze telefoon in te loggen op het Facebookaccount van aangeefster. De rechtbank maakt uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 12 juni 2020 op dat verdachte op 16 juli 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar voor doodslag. De rechtbank heeft ook gelet op het reclasseringsrapport van 12 juni 2020, opgesteld door [B] . Daaruit blijkt dat, op basis van de ontkennende houding van verdachte jegens de verdenkingen, de reclassering onvoldoende risico’s kan inschatten. Echter, bij bewezenverklaring van de tenlastelegging in combinatie met zijn delictverleden, kunnen risico's op (potentieel dodelijk) geweld niet worden uitgesloten. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, dan adviseert de reclassering, gelet op de ernst van de verdenkingen in relatie tot zijn (delict)verleden, het NIFP een screening te laten verrichten met de bijzondere vraag of zij een dubbel- of trippelrapportage, of onderzoek in het PBC adviseren om daarmee de noodzaak van een eventuele tbs-maatregel te onderzoeken. De rechtbank is van oordeel dat hoewel verdachte ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, de aard en de ernst van deze feiten de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van vier maanden niet rechtvaardigen. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op de richtlijnen van het LOVS die gelden voor dergelijke feiten. De rechtbank zal daarom een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd opleggen. Rekening houdend met het strafblad van verdachte zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden opleggen. Deze straf is minder lang dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen ruimte om in deze strafzaak, zoals door de reclassering is geadviseerd, door het NIFP een screening te laten verrichten met de vraag of zij een dubbel- of trippelrapportage, of onderzoek in het PBC adviseren, maar de rechtbank begrijpt de zorgen van de reclassering en om die reden acht de rechtbank het wenselijk dat de officier van justitie deze zorgen meeneemt in het kader van eventuele voorwaarden in verband met de voorwaardelijke invrijheidsstelling en/of het eventueel wijzigingen van de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. 9BENADEELDE PARTIJ 9.1 Benadeelde partij [slachtoffer] (ten aanzien van feit 2) De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een schadevergoeding van € 243,98 gevorderd ter zake van materiële schade. 9.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met de telefoon van aangeefster het krantenartikel heeft geplaatst en dat daarnaast niet kan worden vastgesteld wat de oorzaak is van de onbruikbare telefoon van aangeefster. Nu deze vordering te ingewikkeld is voor dit strafproces moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. 9.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de telefoon van aangeefster onbruikbaar is geworden door de door verdachte gepleegde computervredebreuk. Daardoor kan de rechtbank geen causaal verband vaststellen tussen de vordering en het bewezenverklaarde feit. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 10VORDERING INVRIJHEIDSTELLING 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van verdachte gedeeltelijk toe te wijzen voor een periode van 365 dagen. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling dient te worden afgewezen. Subsidiair, indien de rechtbank hier anders over denkt, dient de tijd die verdachte in onderhavige strafzaak langer in de voorlopige hechtenis heeft gezeten dan de opgelegde straf, in dit kader verrekend te worden. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat bij besluit voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 31 oktober 2017 verdachte, met toepassing van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 25 november 2017 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte zich gedurende de proeftijd van 1217 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling in geval van het niet nakomen van de voorwaarden kan worden herroepen voor een periode van 1217 dagen. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet aanleiding om de voorwaardelijke invrijheidsstelling te herroepen, zij het slechts gedeeltelijk gelet op de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van het openbaar ministerie toewijzen voor een periode van 180 dagen. De rechtbank geeft de officier van justitie in overweging om, nu verdachte langer in de voorlopige hechtenis heeft gezeten dan de vrijheidsstraf die in onderhavige zaak wordt opgelegd, hiermee in de fase van de executie in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling rekening te houden. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 57, 138ab en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden; - beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden; Benadeelde partij [slachtoffer] (ten aanzien van feit 2) - verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil; Vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling - wijst de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toe; - gelast dat een gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten 180 dagen; - wijst de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor het overige af. Voorlopige hechtenis - heft op het bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juli 2020. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 maart 2020 tot en met 4 april 2020 te Utrecht en/of Almelo, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je langzaam dood, ik fileer je ene helft en verbrandt de andere helft, er zijn geen regels meer, the game is on!" en/of "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door een bericht te plaatsen op haar Facebook account waarin een krantenbericht met als kop "Eis: 15 jaar voor moord op [A] " is geplaatst en/of verwijzend naar een eerdere veroordeling tegen verdachte; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij op een of meer tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 maart 2020 tot en met 4 april 2020 te Utrecht en/of Almelo, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten een mobiele telefoon en/of een Facebook account en/of een What's app account toebehorende aan [slachtoffer] , is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten het onbevoegd gebruik maken van de toegangscode(
- s)en/of gebruikersna(a)m(
- en)en/of het e- mailadres(sen) en/of het/de wachtwoord(en); ( art 138ab lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, zaakregistratienummer PL0600-2020147301-3, opgemaakt door district Twente van de eenheid Oost-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 41. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 3 en pag. 4. Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 37 en pag. 38.