RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/242 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B.B.A. Willering), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder (gemachtigde: J. Hekelaar). Inleiding en verloop van de procedure 1.
- Eiseres heeft op 12 mei 2017 een bedrag van € 5.459,19 en op 22 maart 2019 een bedrag van € 16,143,37 ontvangen uit de erfenis van haar grootvader. 1.
- Verweerder heeft bij besluit van 3 juni 2019 (primair besluit): het vermogen van eiseres vastgesteld op € 22.602,56; de bijstand van eiseres ingetrokken met ingang van 22 maart 2019; de kosten van bijstand over de periode van 22 maart 2019 tot en met 30 april 2019 van € 920,39 van eiseres teruggevorderd; en na verrekening van het voor eiseres gereserveerde vakantiegeld ad € 375,46 met het teruggevorderde bedrag aan eiseres medegedeeld dat zij een bedrag van (€ 920,39 - € 375,46 =) € 544,93 aan hem moet betalen. 1.
- Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. 1.
- Bij besluit van 3 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder met integrale overneming van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Adviescommissie) van 25 november 2019 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.
- Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 1.
- Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 6 juli 2020 via een Skype‑verbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Overwegingen
- De te beoordelen periode loopt wat betreft de intrekking van 22 maart 2019 tot en met 3 juni 2019 en wat betreft de terugvordering van 22 maart 2019 tot en met 30 april
- Eiseres heeft in beroep gesteld dat zij niet alleen geld heeft ontvangen van de erflater maar dat zij ook veel schulden heeft betaald die door hem zijn achtergelaten.
- De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken, vast dat het voormelde een herhaling is van wat eiseres tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende dragend heeft gemotiveerd waarom deze stelling niet tot een andere vermogensvaststelling kan leiden. De rechtbank onderschrijft die motivering. De beroepsgrond slaagt dus niet.
- Eiseres heeft verder in beroep gesteld dat zij een lange tijd geen bijstand heeft gehad, zij de erfenis heeft gebruikt voor haar levensonderhoud en dat zij met verweerder afspraken heeft gemaakt waardoor zij na verloop van tijd weer bijstand zou gaan krijgen.
- De rechtbank is van oordeel dat deze stellingen geen doel treffen, omdat deze stellingen geen betrekking hebben op onderwerpen waarover verweerder in het bestreden besluit een beslissing heeft genomen en deze stellingen zien op de gestelde situatie van eiseres van na de onder
- bedoelde te beoordelen periodes. Daarom kunnen deze stellingen niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
- Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 juli
- Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd om rechter deze uitspraak te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Zie in het bijzonder onder 1.
- van het advies van de Adviescommissie.