RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 8309423 UC EXPL 20-916 GB/850 Vonnis van 12 augustus 2020 inzake de commanditaire vennootschap [eiseres] C.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , verder ook te noemen [eiseres] , eisende partij, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders, Groningen, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. S.A.C Verzaal. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 februari 2020 - de conclusie van antwoord van 15 april 2020 - de conclusie van repliek van 13 mei 2020 - de conclusie van dupliek van 8 juli 2020. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] is in deze zaak gevolmachtigd agent van ASR Schadeverzekering N.V. (hierna: ASR). 2.2. Op 14 augustus 2017 heeft er op de A6 in Frankrijk een aanrijding plaatsgevonden, waarbij een door [eiseres] verzekerde personenauto van het merk Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) achterop een BMW van een derde is gereden. 2.3. De bestuurders van de voertuigen hebben het schadeformulier ingevuld en ondertekend. Als bestuurder van de auto is dat gedaan door [A] . Hij heeft als verzekeringnemer op het formulier ingevuld “ [onderneming 1] ” en als verzekeraar [eiseres] . 2.4. Volgens een uittreksel uit het handelsregister van 11 september 2017 verhuurt [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) auto’s en zijn [gedaagde] en [B] (hierna: [B] ) bestuurders van [onderneming 1] . 2.5. Op 30 augustus 2017 heeft het schaderegelingskantoor [onderneming 2] als vertegenwoordiger van ASR [eiseres] in kennis gesteld van de aanrijding. Daarbij is medegedeeld dat de buitenlandse benadeelde de bestuurder van het verzekerde voertuig aansprakelijk acht voor de door de benadeelde geleden materiële en letselschade, omdat de bestuurder van het verzekerde voertuig achterop zijn voorligger is gereden. Deze aansprakelijkheid is in deze zaak niet betwist. 2.6. Bij brief van 5 juni 2018 heeft ASR aan [eiseres] opdracht gegeven voorlopig een bedrag van € 4.448,00 als schade te vergoeden. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan haar € 5.277,86 te betalen (bestaande uit € 4.448,00 aan hoofdsom, € 291,63 aan wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vanaf 7 juli 2018 tot 30 januari 2020 en € 689,46 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 30 januari 2020 tot de voldoening, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat [gedaagde] ex artikel 2 van de Wet Aansprakelijkheid Motorvoertuigen (WAM) de auto bij haar heeft verzekerd. Op grond van artikel 6 WAM is zij, [eiseres] , verplicht de uit de aanrijding voortvloeiende schade van de benadeelde in behandeling te nemen en diens schade te vergoeden. Zij heeft aan die verplichting voldaan. Bij de behandeling van de schadeclaim heeft zij geconstateerd dat diverse bij de aanvraag van de verzekering gestelde vragen in strijd met artikel 7:928 BW zijn beantwoord. Bij kennis van de ware stand van zaken zou het aangeboden risico niet zijn geaccepteerd. Dat heeft tot gevolg dat er ex artikel 7:930 lid 4 BW verzekeringsdekking ontbreekt. Zij heeft daarom op grond van artikel 15 WAM het recht om het uitgekeerde schadebedrag van [gedaagde] terug te vorderen. Ondanks aanmaningen heeft zij echter geen betaling verkregen, waardoor [gedaagde] in verzuim is geraakt. [eiseres] maakt daarom tevens aanspraak op wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. 3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer tegen de vordering. Dat zal hierna bij de beoordeling worden weergegeven. 4De beoordeling Totstandkoming verzekeringsovereenkomst 4.1. [gedaagde] heeft betwist dat hij het aanvraagformulier voor de verzekering heeft ingevuld. Ook blijft volgens hem onduidelijk hoe de verzekering tot stand is gekomen, en meer in het bijzonder hoe de aanvraag heeft plaatsgevonden. Productie 4 bij de dagvaarding zou de polis betreffen van een elektronisch ingediend aanvraagformulier, maar van wie dit formulier afkomstig is en wie de daarop staande gegevens heeft ingevuld, blijkt nergens uit. In ieder geval staat niet vast dat hij of [onderneming 3] te [vestigingsplaats 2] (hierna: [onderneming 3] ) dat namens hem heeft gedaan. Op het formulier staat geen plaats en geen datum en er is geen handtekening op geplaatst. 4.2. [eiseres] heeft in reactie daarop toegelicht dat zij verzekeringsproducten van volmachtgevende verzekeraars uitsluitend via met haar samenwerkende assurantietussenpersonen op de markt brengt. Zij heeft geen direct contact met verzekeringnemers en is niet betrokken bij het advies- en bemiddelingstraject. [gedaagde] heeft ervoor gekozen zijn belangen inzake de verzekeringsovereenkomst - zowel in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst als erna - te laten behartigen door een professionele assurantietussenpersoon, [onderneming 3] . [onderneming 3] heeft bij haar op 26 oktober 2016 digitaal een aanvraag ingediend via het door haar, [eiseres] , ontwikkelde premieberekenings- en acceptatieprogramma ‘ [.] ’. De vragenlijst beoogt risico’s in kaart te brengen die voor de beslissing tot acceptatie van de aanvraag een rol kunnen spelen. De risico’s worden geïnventariseerd aan de hand van de antwoorden die door de aspirant-verzekeringnemer worden gegeven op de gerichte vragen. Deze aanvraag is door haar geaccepteerd. Zij mag vertrouwen op de juistheid van de door de assurantietussenpersoon bij haar ingediende aanvraag. Indien en voor zover [onderneming 3] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon, dan komt dit voor rekening en risico van [gedaagde] . Een uitdraai van het elektronisch ingediende aanvraagformulier heeft zij als productie 4 bij de dagvaarding en productie 2 bij de conclusie van repliek overgelegd. Als productie 1 bij de conclusie van repliek heeft zij een afdruk overgelegd van de applicatie ‘E-aanvraag’ verzekeringsaanvragen betreffende deze aanvraag. 4.3. Tijdens deze procedure is gebleken dat het hier gaat om een digitaal aangevraagde verzekering en dat het elektronisch aanvraagformulier niet door [gedaagde] zelf maar door [onderneming 3] is ingevuld en ingediend. [gedaagde] heeft in randnummer 4 van de conclusie van dupliek betwist dat [onderneming 3] dat namens hem heeft gedaan, maar in randnummer 11 van de conclusie van antwoord had hij al erkend dat hij in dezen is bijgestaan door [onderneming 3] . Omdat hij is bijgestaan door [onderneming 3] en [onderneming 3] het aanvraagformulier heeft ingevuld en ingediend, mocht [eiseres] er daarom op vertrouwen dat [onderneming 3] namens [gedaagde] heeft gehandeld. Dit handelen van [onderneming 3] komt voor rekening en risico van [gedaagde] . 4.4. Op grond van artikel 3:15a BW heeft een elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, indien de methode die daarbij is gebruikt voor authentificatie voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische gegevens werden gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval. [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat de gebruikte methode in dit geval onvoldoende betrouwbaar was. Evenmin heeft hij de juistheid van de ingevulde persoonsgegevens betwist, zoals zijn adresgegevens, geboortedatum, bankrekeningnummer en e-mailadres. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is de aanvraag wel voorzien van een datum, namelijk 26 oktober 2016. Voorts is het pakketnummer van de verzekering dat op de afdruk van de applicatie ‘E-aanvraag’ is vermeld, hetzelfde als het polisnummer dat [A] op het schadeformulier heeft ingevuld. 4.5. De conclusie uit het voorgaande luidt dat het verweer van [gedaagde] ten aanzien van de totstandkoming van de verzekering niet opgaat. Toepasselijke polisvoorwaarden 4.6. [gedaagde] heeft verder betwist dat de door [eiseres] als productie 5 bij de dagvaarding overgelegde polisvoorwaarden Budgio autoverzekering op de verzekering van toepassing zijn. Deze zijn nimmer aan hem ter hand gesteld. 4.7. [eiseres] is daarop in haar conclusie van repliek niet ingegaan. In randnummer 17 heeft zij slechts de toepasselijkheid van de polisvoorwaarden herhaald, onder bijvoeging van de polisvoorwaarden als productie 8. Tegenover de betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiseres] gelegen de toepasselijkheid van de door haar overgelegde polisvoorwaarden te onderbouwen. Omdat zij dit heeft nagelaten, heeft zij haar vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt het er in deze procedure voor gehouden dat die polisvoorwaarden niet van toepassing zijn. Schending mededelingsplicht 4.8. [gedaagde] heeft betwist dat hij niet eerlijk zou zijn geweest bij de aanvraag van de verzekering of ten onrechte dan wel opzettelijk omstandigheden zou hebben verzwegen. 4.9. [eiseres] heeft vervolgens bij de conclusie van repliek onderbouwd dat de volgende vragen bij de aanvraag niet naar waarheid zijn beantwoord: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.