RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16-295308-19(P) Vonnis van de meervoudige kamer van 11 augustus 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1992] te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te PI Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 februari 2020, 28 april 2020, 14 juli 2020 en 28 juli
(1)- door de auto werd geraakt. (…) Tegelijkertijd zag ik dat de verdachte met zijn voertuig om het onopvallende politievoertuig heen draaide en weg scheurde. Ik zag hierbij rook uit de uitlaat komen.’ Verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard: ‘Ik had oogcontact met de bestuurder van het voertuig voor mij. Ik zag de deuren van dit voertuig opengaan en twee mensen uitstappen. Ik reed eerst achteruit. Daarna reed ik om het voertuig voor mij heen.’ Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte met een personenauto op aangever is ingereden. De verdachte heeft hierbij gas gegeven. De rechtbank stelt vast dat verbalisanten ‘ [verbalisant 4] ’ en ‘ [getuige 1] ’ dit beiden verklaren en zij, op ambtsbelofte, zeer specifiek verklaren dat en hoe verdachte op verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’ is ingereden. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten. Poging zware mishandeling De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. Voor de beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld of sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de zware mishandeling, in die zin dat verdachte zich willens en wetens bloot heeft gesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Aanwezigheid en wetenschap van de aanmerkelijke kans De rechtbank stelt vast dat verdachte in een auto op een voetganger inreed. Het is een feit van algemene bekendheid dat indien een voetganger wordt aangereden met een auto, de kans op zwaar lichamelijk letsel groot is en derhalve aanmerkelijk te noemen is. De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte onder de concrete omstandigheden ook wetenschap had van die aanmerkelijke kans. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte heeft gezien dat een persoon zich voor de motorkap bevond van de auto die verdachte de weg versperde. Uit de verklaringen van de verbalisanten maar ook uit de eigen verklaring van verdachte blijkt dat verdachte eerst een stuk naar achteren is gereden, om vervolgens met een boog om de auto voor hem heen te rijden. Verdachte maakte kortom bij het wegrijden een gerichte en bewuste stuurbeweging. Daarbij kan het niet anders dan dat verdachte bij het vooruit wegrijden naar voren keek en de desbetreffende persoon dus heeft zien staan op de beoogde rijroute. De rechtbank wordt hierin gesteund in haar overtuiging door de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 juli 2020 dat hij niet had gezien dat het een politieagent was. Hieruit volgt dat verdachte in ieder geval wel had gezien dat er iemand voor de auto stond. Bewuste aanvaarding van die kans Uit het strafdossier volgt dat de verbalisanten hoorden dat verdachte gas gaf toen hij wilde wegrijden. Verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’ hoorde dat verdachte veel gas gaf. Hij hoorde dat de toeren snel opliepen en de banden van het genoemde voertuig slippen. De verbalisant zag de auto in volle acceleratie op hem af komen rijden. Verbalisant ‘ [getuige 1] ’ heeft ook gehoord dat verdachte veel gas gaf en snel wegreed in de richting van verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’. Dit handelen van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat verdachte geacht moet worden de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op de koop te hebben toegenomen. Putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces? De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte kon en mocht menen dat er, nadat hij door meerdere verbalisanten werd ingesloten, sprake was van een bedreigende situatie. Verdachte zou niet hebben doorgehad dat het politieagenten waren die hem staande hielden. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer moet er sprake zijn van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte. De verdachte kon niet alleen, maar mocht ook redelijkerwijs menen dat hij zichzelf of een ander moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De rechtbank overweegt dat verdachte in de situatie waarin hij verkeerde had kunnen en moeten weten dat hij staande werd gehouden door politieambtenaren. De rechtbank overweegt dat verdachte heeft kunnen en moeten zien dat hij staande werd gehouden door politieambtenaren. De insluiting vond plaats op klaarlichte dag op een openbare parkeerplaats en de politieambtenaren waren allen hetzelfde gekleed, zonder wapen en zonder gezichtsbedekking. Op meerdere manieren is vervolgens aan verdachte kenbaar gemaakt dat het politie was. Enerzijds gebeurde dit doordat verbalisant [getuige 1] het portier van de auto van verdachte opentrok en ‘politie’ riep, anderzijds doordat verbalisant [getuige 1] voorafgaand aan deze actie het flapje met daarop ‘politie’ uit zijn linker borstzak haalde. Verdachte heeft vervolgens de keuze gemaakt om te vluchten. De verdachte is vervolgens ook niet gestopt toen de politie met sirenes achter hem aankwam. Verdachte had ook een motief om te vluchten voor de politie. Uit de pseudokoop die eerder die dag tot stand was gebracht bleek namelijk dat verdachte veel ponypacks met cocaïne aanwezig had in de auto. Na zijn aanhouding bleken deze ponypacks zich niet langer in de auto te bevinden. Gelet op deze feiten en omstandigheden, acht de rechtbank de verklaring van verdachte over het bestaan van een bedreigende situatie ongeloofwaardig. Conclusie De rechtbank acht gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Feit 1 op tijdstippen in de periode van 13 juli 2018 tot en met 1 september 2019 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet; en op tijdstippen in de periode van 9 september 2019 tot en met 9 december 2019 te Utrecht en Maarssen en Vleuten en Breukelen meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet; Feit 2 - subsidiair op 9 december 2019 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met een aanzienlijke snelheid) tegen die politieambtenaar is aangereden en blijven rijden zonder zijn snelheid te minderen of te remmen of uit te wijken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd Feit 2 subsidiair : poging tot zware mishandeling 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachten en meewerken aan het verkrijgen van dagbesteding. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, mede gelet op de kleinere rol van verdachte ten opzichte van de medeverdachte. Verdachte wil werken aan zijn toekomst en zijn woning behouden. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich gedurende een periode van 18 maanden schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelwijze bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat de handel in (hard)drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit en ondermijning van de samenleving. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door op een politieambtenaar in te rijden waardoor deze politieambtenaar letsel heeft opgelopen. Door zijn handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer teweeg gebracht. Daarnaast heeft het slachtoffer minstens twee maanden na het delict last gehad van zijn opgelopen letsel. De verdachte heeft het respect en gezag ten aanzien van de politieambtenaar, die een publieke taak verricht, ondermijnd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 21 januari
- Hieruit blijkt dat verdachte in 2013 ook is veroordeeld voor een Opiumwetfeit. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 24 juli 2020, opgesteld door T. Schraver, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat verdachte sinds een auto-ongeluk in 2013 kampt met depressieve en lichamelijke klachten. Ook is sprake van een (deels) crimineel netwerk. Verdachte heeft moeite zijn leven op orde te brengen en hij heeft geen toekomstperspectief. Tot op heden is verdachte niet in staat geweest om op een andere, legale wijze, verandering te brengen in deze situatie. Verdachte is gebaat bij forensische hulpverlening. Bij de Waag kan er diagnostisch onderzoek worden verricht om vervolgens een behandelplan op te stellen. Tijdens het toezicht kan verdachte begeleid worden naar zinvolle dagbesteding in de vorm van werk of vrijwilligerswerk. De reclassering schat het recidiverisico in op gemiddeld. Indien verdachte geen behandeling volgt gericht op zijn gedragsproblemen, de keuze voor zijn netwerk en het hem niet lukt om zijn financiële situatie te verbeteren, blijft de kans op recidive aanwezig. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Strafoplegging Gelet op de ernst en duur van de door verdachte gepleegde feiten, is de rechtbank van oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor het dealen van harddrugs gedurende 6 tot 12 maanden uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Verdachte heeft 18 maanden gedeald. Het uitgangspunt voor het toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is, uitgaande van een voltooid delict, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat hier een poging betreft. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met hoe verdachte heeft gehandeld nadat hij merkte dat de politie hem staande wilde houden. Verdachte is gevlucht en heeft hierbij een politieambtenaar geraakt. Ook nadat de politie met sirenes achter verdachte aanreed is verdachte niet gestopt. Door het voorgaande heeft verdachte er blijk van gegeven zijn eigen belang om uit handen van de politie te blijven te laten prevaleren boven het belang van de verkeersveiligheid en de veiligheid van personen. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk. Conclusie Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een gedeelte van 6 maanden van deze gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, waarbij een proeftijd van 2 jaren wordt vastgesteld. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die door de reclassering zijn geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en meewerken aan het verkrijgen van dagbesteding. 9BESLAG De rechtbank zal teruggave gelasten van de volgende inbeslaggenomen goederen, aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt: * € 4.300,00 (contant geld); * Iphone 11, beslagnummer: 19-5236-001; * Renault Clio met kenteken [kenteken] ; Ten aanzien van het inbeslaggenomen contante geldbedrag van € 1415,00 zal de rechtbank geen beslissing nemen nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangekondigd conservatoir beslag op dit bedrag te leggen naar aanleiding van de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat dit geld betrof dat verdiend was met de handel in cocaïne. 10BENADEELDE PARTIJ De verbalisant heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd onder nummer ‘ [verbalisant 4] ’en vordert een bedrag van € 650,
- Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde feit. 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. 10.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde en de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair, indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van feit 2 komt, acht de verdediging de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar. 10.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Immateriële schade Op grond van de wet (artikel 6:106 aanhef en onder b BW) heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid te bepalen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daar is in dit geval sprake van. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding, heeft de rechtbank rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval. De benadeelde had na het geweldsincident een schaafwond op zijn rechterarm, een forse schaafwond op het rechteronderbeen en pijn in zijn rug en nek. Hij is hiervoor onderzocht in het ziekenhuis. Benadeelde ervaarde pijn bij beweging in zijn onderarm en been. Hij heeft tot drie dagen na het delict pijn aan zijn nek en rug gehad. Hij heeft hierdoor vijf dagen niet kunnen sporten en heeft paracetamol geslikt tegen de pijn. Twee maanden na het delict had de benadeelde nog last van een gevoelige zwelling aan zijn rechteronderarm. De benadeelde denkt nog regelmatig terug aan het delict. Hij wordt zich er steeds meer van bewust dat dit heel anders had kunnen aflopen. Ook in zijn thuissituatie merkt de benadeelde dat hij stress ervaart door het delict. Gelet op deze omstandigheden, en op bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 650,00 billijk en zal zij dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 december 2019 tot de dag van volledige betaling. De schadevergoedingsmaatregel Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij ‘ [verbalisant 4] ’ aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 650,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 december 2019 tot de dag van volledige betaling. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet; zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; - verklaart het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: * zich binnen drie dagen na zijn invrijheidstelling meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; * op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft met [medeverdachte 1] , geboren op [1995] te [geboorteplaats] en [medeverdachte 2] , geboren op [1994] te [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod; * zich actief inzet voor het verkrijgen van werk dan wel vrijwilligerswerk; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; Benadeelde partij ‘ [verbalisant 4] ’ - wijst de vordering van de benadeelde partij onder nummer ‘ [verbalisant 4] ’ geheel toe tot een bedrag van € 650,00 (zeshonderdenvijftig euro); - veroordeelt verdachte tot betaling aan ‘ [verbalisant 4] ’ van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019, tot de dag van volledige betaling; - veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt verdachte de verplichting op ten behoeve van ‘ [verbalisant 4] ’ aan de Staat € 650,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019 bij niet betaling aan te vullen met 13 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Beslag - gelast de teruggave aan de rechthebbende van: * € 4.300,00 (contant geld); * Iphone 11, beslagnummer: 19-5236-001; * Renault Clio met kenteken [kenteken] . Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en H.J. ter Meulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 augustus
- De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 9 december 2019 te Utrecht en/of Maarssen en/of Vleuten en/of Breukelen, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) Feit 2 Hij op of omstreeks 9 december 2019 te Utrecht, althans in Nederland, aan een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten beenletsel en/of armletsel en/of schouderletsel en/of nekletsel, heeft toegebracht door met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) tegen althans in de richting van die politieambtenaar (aan) te rijden en/of te blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen en/of uit te wijken;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 december 2019 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) tegen althans in de richting van die politieambtenaar is (aan)gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen en/of uit te wijken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Feit 3 hij op of omstreeks 9 december 2019 te Utrecht, althans in Nederland, een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) tegen althans in de richting van die politieambtenaar (aan)gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen en/of uit te wijken;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 januari 2020, genummerd 2020027594, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Bijlage bij proces-verbaal van 5 februari 2020, genummerd 2019262008, opgemaakt door politie Midden-Nederland, pagina
- Bijlage bij proces-verbaal van 5 februari 2020, genummerd 2019262008, opgemaakt door politie Midden-Nederland, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Het proces-verbaal van bevindingen laptop [medeverdachte 2] , p.
- Het proces-verbaal van bevindingen laptop [medeverdachte 2] , p. 52-
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 31-
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [medeverdachte 1] , bij proces-verbaal van 5 februari 2020, genummerd 2019262008, opgemaakt door politie Midden-Nederland, p.
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Getuigenverklaring getuige [getuige 3] , pagina
- Bijlage getuigenverklaring getuige [getuige 3] , pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Het proces-verbaal verhoor getuige [verdachte] bij de rechter-commissaris (afzonderlijk genummerd). Proces-verbaal ter terechtzitting van 28 juli
- Verklaring verdachte ter terechtzitting 28 juli
- Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 januari 2020, genummerd 2020027594, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van aangifte, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen, p.
- Proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2020.