← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:3279

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/5138 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. C.W. Dirkzwager), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. E. Chahid). Inleiding en procesverloop Eiser ontving vanaf januari 2019 een aanvullende bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Hij ontving deze uitkering naast zijn inkomen als docent bij het [werkgever] . Met ingang van 1 augustus 2019 is eiser meer uren gaan werken. Bij besluit van 5 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser beëindigd met ingang van 1 augustus

  1. Voorts heeft verweerder die uitkering over de maanden juni en juli 2019 herzien en een bedrag teruggevorderd. Volgens verweerder heeft eiser in die maanden een bedrag van € 652,06 te veel aan uitkering ontvangen. Na verrekening resteert hiervan een bedrag van € 607,
  2. Dit bedrag heeft verweerder teruggevorderd van eiser. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het primaire besluit, voor zover dit de herziening en de terugvordering betreft. Bij besluit van 12 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 31 maart 2020 schriftelijk vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft hier op 8 april 2020 op gereageerd. Eiser heeft op 7 mei 2020 gereageerd op de reactie van verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020 via Skype. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Standpunten van partijen
  3. Eiser stelt dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij in juli 2019 een bedrag van € 926,- aan inkomsten heeft gehad. Volgens eiser is dit bedrag opgebouwd uit onder andere een bedrag van € 624,
  4. Dit betreft een nabetaling van de overuren die hij in de eerste helft van het schooljaar 2018-2019 heeft opgebouwd. De nabetaling heeft volgens eiser dus betrekking op een periode waarin hij geen aanvullende bijstandsuitkering ontving. Voor herziening en terugvordering over de maanden juni en juli 2019 is dan ook geen grond, aldus eiser. Eiser stelt voorts dat het bedrag van € 624,16 weliswaar administratief is vermeld in de maand juli 2019, maar dat de feitelijke uitbetaling daarvan is verricht in augustus
  5. Eiser stelt dat het bedrag van € 624,16 daarom moet worden toebedeeld aan de maand augustus
  6. Omdat zijn uitkering met ingang van 1 augustus 2019 is beëindigd, heeft hij laatstgenoemd bedrag dus niet ontvangen in een periode waarin hij een uitkering genoot. Ook om die reden is er voor een herziening en een terugvordering over de maanden juni en juli 2019 volgens eiser geen grond.
  7. Verweerder voert aan dat eiser niet heeft onderbouwd dat het bedrag van € 624,16 verband houdt met de nabetaling van overuren. Voor zover hiervan wel dient te worden uitgegaan, stelt verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat deze opgebouwde uren slechts betrekking hebben op de eerste helft van het schooljaar 2018-
  8. Verder stelt verweerder dat het bedrag van € 624,16 weliswaar in augustus 2019 is uitbetaald, maar dat het dient te worden toegerekend aan de maand juli
  9. Overwegingen
  10. Eiser heeft een overzicht “individuele jaartaak schooljaar 2018-2019” en een verklaring van de HR adviseur van de Stichting [stichting] ingebracht. In aanvulling hierop heeft eiser ter zitting het systeem van taakuren toegelicht. Eiser heeft onderbouwd dat het overschot aan taakuren aan het eind van een schooljaar wordt berekend. Dit overschot wordt in de maand juli opgemaakt en in de maand augustus 2019 uitbetaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aldus afdoende aangetoond dat het bedrag van € 624,16 daadwerkelijk betrekking heeft op de nabetaling van het overschot aan taakuren.
  11. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij dit overschot aan taakuren slechts in de eerste helft van het schooljaar 2018-2019 heeft opgebouwd. Het overzicht “individuele jaartaak schooljaar 2018-2019” biedt hiertoe geen aanknopingspunt. Het overzicht vermeldt namelijk slechts het totale saldo aan taakuren dat eiser over het schooljaar 2018-2019 heeft opgebouwd. Het overzicht biedt geen inzage in de specifieke opbouw van de taakuren over de afzonderlijke dagen, weken of maanden van dat hele schooljaar. Verweerder is er dan ook niet ten onrechte vanuit gegaan dat eiser het overschot aan taakuren niet slechts in de eerste helft van dat schooljaar heeft opgebouwd. Er is dan ook geen grond voor de stelling dat de herziening over juni en juli 2019 en de terugvordering betrekking hebben op inkomsten die eiser heeft genoten in een periode waarin hij geen aanvullende bijstand ontving. De beroepsgrond dat als gevolg hiervan het besluit tot herziening en terugvordering onrechtmatig is, treft daarom geen doel.
  12. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de uitbetaling van het saldo aan taakuren moet worden toegerekend aan de maand augustus
  13. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de uitbetaling van dit saldo een vorm van uitgesteld inkomen. Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de Pw, worden middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. In het geval van eiser betreft dat dus (in ieder geval) de maand juli 2019, de laatste maand van het schooljaar 2018-
  14. Hieraan doet niet af dat het bedrag feitelijk in augustus 2019 is uitbetaald. De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep baten eiser niet. Dat betroffen immers geen gevallen waarin sprake was van nabetalingen van uitgesteld inkomen.
  15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. ECLI:NL:CRVB:2009:BI6817, ECLI:NL:CRVB:2017:3367 en ECLI:NL:CRVB:2009:BK1236.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.