RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16-248024-18 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1992] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 augustus
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. W. Drummen, advocaat te Amsterdam, alsmede van hetgeen de nabestaanden van het slachtoffer naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair op 7 mei 2018 te Eemnes als bestuurder van een personenauto zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] op 10 juni 2018 is overleden; subsidiair op 7 mei 2018 te Eemnes als bestuurder van een personenauto door haar gedragingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt dan wel het verkeer op de weg heeft gehinderd. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft met een te hoge snelheid gereden en blijkens de getuigenverklaring van [getuige 1] heeft zij onvoldoende op het verkeer gelet toen zij in het handschoenenkastje keek. Hierdoor heeft zij het overstekende slachtoffer over het hoofd gezien en heeft een botsing met tragische afloop plaatsgevonden. Door afgeleid te zijn terwijl verdachte reed met een te hoge snelheid, is gevaar ontstaan. Het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank ziet zich ten eerste gesteld voor de vraag of uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor het slachtoffer [slachtoffer] is overleden. Bij de beantwoording van die vraag komt het blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BP2208) aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. In de voorliggende zaak heeft de aanrijding desastreuze gevolgen gehad; het slachtoffer [slachtoffer] is overleden en laat naasten met veel verdriet achter. De onmiskenbare ernst van deze gevolgen kan, zoals hiervoor is benadrukt, echter niet bepalend worden geacht voor de vraag welk strafrechtelijk verwijt verdachte kan worden gemaakt. Verdachte wordt een drietal gedragingen verweten: 1) de overschrijding van de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, 2) het inhalen van een andere auto en 3) het onvoldoende zicht houden om te zien of de weg vrij was van verkeer. Met betrekking tot de gedragingen 1) en 2) overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier en in het bijzonder de bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaring van [getuige 2] , de bestuurster van de auto die verdachte heeft ingehaald, blijkt dat verdachte haar snelheid heeft verhoogd naar ongeveer 55-60 kilometer per uur op het moment dat zij [getuige 2] aan het inhalen was. De aanrijding met het slachtoffer vond volgens [getuige 2] echter niet direct plaats na deze inhaalmanoeuvre, maar hier zat ongeveer 1 of 2 minuten tussen. Verdachte heeft verklaard dat zij nog een kilometer heeft gereden na het inhalen voordat zij het slachtoffer aanreed. Uit het dossier blijkt niet met welke snelheid verdachte reed na het inhalen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat het ongeval het gevolg is van de gedragingen 1) en 2). Ten aanzien van gedraging 3) zou verdachte tegen getuige [getuige 1] kort na het ongeval hebben verklaard dat zij naar beneden zou hebben gekeken en iets uit het handschoenenkastje hebben willen pakken. Hierna volgde een klap. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank deze gedraging niet bewezen, nu deze verklaring van getuige [getuige 1] op zichzelf staat en niet door ander bewijs in het dossier wordt ondersteund. De rechtbank weegt op dit punt verder nog mee dat getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij het slachtoffer ook niet heeft waargenomen voorafgaand aan de aanrijding. Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich er niet, althans in onvoldoende mate, van heeft vergewist dat voornoemde weg vrij was van verkeer. Ook voor het subsidiair aan verdachte ten laste gelegde veroorzaken van gevaar op de weg dient naar het oordeel van de rechtbank vrijspraak te volgen, omdat bij dat feit dezelfde drie gedragingen als hiervoor genoemd aan verdachte worden verweten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen - zoals hierboven onder het primair ten laste gelegde feit is beschreven – deze gedragingen niet bewezen worden verklaard. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verkeersongeval niet aan de schuld van verdachte te wijten is, noch dat zij gevaar op de weg heeft veroorzaakt dan wel het verkeer op de weg heeft gehinderd. 5BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, mrs. G. Perrick en J.A. Spee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E. Rasink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 augustus
- Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: zij, op of omstreeks 7 mei 2018, te Eemnes, althans het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Wakkerendijk, komende uit de richting van Eemnes en gaande in de richting van Baarn, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - met een snelheid die lag boven de ter plaatse maximale toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was te rijden en/of - een over die Wakkerendijk in dezelfde richting als haar, verdachte, rijdende personenauto in te halen op het moment dat een voor haar, van links komende bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer] , reeds begonnen was, dan wel doende was voornoemde weg over te steken en/of - zich er (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate van te vergewissen dat voornoemde weg vrij was van verkeer en/of - ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemde [slachtoffer] en/of - ( vervolgens) op/tegen de door [slachtoffer] bestuurde fiets is gebotst, waardoor die [slachtoffer] op 10 juni 2018 is overleden; ( art 6 Wegenverkeerswet 1994 ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij, op of omstreeks 7 mei 2018, te Eemnes, althans het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Wakkerendijk, komende uit de richting van Eemnes en gaande in de richting van Baarn, - met een snelheid die lag boven de ter plaatse maximale toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was heeft gereden en/of - een over die Wakkerendijk in dezelfde richting als haar, verdachte, rijdende personenauto heeft ingehaald op het moment dat een voor haar, van links komende bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer] , reeds begonnen was, dan wel doende was voornoemde weg over te steken en/of - zich er (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate van heeft vergewist dat voornoemde weg vrij was van verkeer en/of - ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] en/of - ( vervolgens) op/tegen de door [slachtoffer] bestuurde fiets is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; ( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )