← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:3647

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 18/3379-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2020 op het verzet van [opposante] , te [woonplaats] , opposante, Procesverloop Opposante heeft op 3 september 2018 beroep ingesteld bij de rechtbank. In de uitspraak van 20 februari 2019 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om opposante te horen. Overwegingen

  1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 februari 2019 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante geen gronden en geen besluit heeft ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de uitspraak van 20 februari 2019 heeft de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij – ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank – geen gronden heeft aangevoerd en geen kopie van het besluit waartegen zij beroep instelde heeft opgestuurd.
  2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2019 niet juist was.
  3. Opposante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank van 20 februari
  4. Daarom heeft zij verzet ingesteld. De rechtbank vindt dat de uitspraak van 20 februari 2019 in stand kan blijven. Zij legt hierna uit waarom.
  5. Een verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat de uitspraak van de rechtbank is verzonden. In dit geval is de uitspraak van 20 februari 2019 door de rechtbank verzonden op 21 februari
  6. Het verzetschrift had dus uiterlijk op 4 april 2019 ingediend moeten zijn. De rechtbank heeft het verzetschrift ontvangen op 16 april
  7. Dat is te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het verzetschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar opposante niets aan kan doen.
  8. De rechtbank heeft opposante op 9 maart 2020 een aangetekende brief gestuurd en gevraagd waarom zij haar verzetschrift te laat heeft ingediend. Opposante heeft hier met een brief van 20 maart 2020 op gereageerd. Zij schrijft dat ze al meer dan vijf jaar weg is uit Nederland en steeds dezelfde verzoeken ontvangt, dat zij hier al jarenlang steeds weer antwoord op geeft en dus ook steeds vraagt om een ontvangstbevestiging.
  9. Voor zover dit al een reden is om het verzetschrift te laat in te dienen, is dit geen geldige reden. De rechtbank vindt dit geen bijzondere omstandigheid die maakt dat het opposante niet valt te verwijten dat zij te laat was met het instellen van verzet.
  10. De conclusie is dat het verzet van opposante niet-ontvankelijk is, omdat zij te laat was met het indienen van haar verzetschrift. De uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2020 blijft in stand.
  11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is op 30 juli 2020 gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van P.W Hogenbirk, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.