RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/1327 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Maachi), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder (gemachtigde: E. Diepenbroek). Inleiding en procesverloop Eiser ontving een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande. Verweerder heeft eiser op 31 januari 2019 aangemeld voor een Joboffer-traject bij [bedrijf A] in [plaats] . Op 6 februari 2019 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden en eiser heeft het aangeboden werk geaccepteerd. Eiser is op 7 februari 2019 begonnen bij [bedrijf B] in [plaats] . Op 11 februari 2019 is de opdracht beëindigd. Eiser is op 13 februari 2019 begonnen bij [bedrijf C] . Op 15 maart 2019 is het traject afgesloten. Bij besluit van 23 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de maatregel opgelegd dat eiser met ingang van 1 april 2019 over een periode van twee maanden 100% minder uitkering ontvangt op grond van artikel 9 en artikel 18, vierde lid onder h, van de Pw en artikel 5.9, sub b, van de Verzamelverordening Inkomensvoorzieningen Hilversum 2016 (Verzamelverordening). Volgens verweerder heeft eiser zich verwijtbaar niet aan de (arbeids)verplichtingen van de Pw gehouden. Naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit heeft op 29 augustus 2019 een hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit van 19 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar het advies van 13 februari 2020 van de Commissie Bezwaarschriften. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020 via Skype. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser heeft aangevoerd dat hij telkens aantoonbaar bereid is geweest om de arbeidsverplichtingen na te komen. Verweerder heeft niet onderbouwd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met verwijzing naar eisers gedragingen voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet, of in onvoldoende mate, gebruik heeft gemaakt van een door verweerder aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. In het actiepuntenformulier van [bedrijf A] staan verschillende gedragingen vermeld die aan eiser toe te rekenen zijn. Zo was eiser telefonisch vaak niet bereikbaar, ondanks een in bruikleen gegeven mobiele telefoon met beltegoed. Hij is verder zonder afmelding niet verschenen op zijn werk bij [bedrijf C] . Hij is meerdere keren te laat op zijn werk gekomen, ondanks de vooruitbetaalde reiskosten en ter beschikking gestelde fiets. [bedrijf A] heeft eiser meerdere kansen gegeven om zijn gedrag te verbeteren, maar zonder resultaat. [bedrijf A] heeft uiteindelijk het traject met eiser afgesloten. Eiser heeft de aan hem tegengeworpen gedragingen niet betwist. Gelet op het voorgaande is verweerder op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de Pw en artikel 5.9 van de Verzamelverordening in beginsel gehouden eisers bijstand voor de duur van twee maanden voor 100% te verlagen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft verder aangevoerd dat er geen sprake is van een verwijtbare gedraging als bedoeld in de Verzamelverordening. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de hem tegengeworpen gedragingen hem niet kunnen worden verweten. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom elke vorm van verwijtbaarheid aan zijn kant ontbreekt. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat verweerder hem niet dan wel onvoldoende in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven. De enkele uitnodiging voor een gesprek is onvoldoende. In de uitnodiging van 29 maart 2019 staat vermeld dat eisers traject bij [bedrijf A] voortijdig en niet succesvol is teruggemeld. Eiser werd in de brief uitgenodigd voor een gesprek op 8 april 2019, om zijn zienswijze naar voren te brengen. In de uitnodiging staat vermeld dat als eiser niet verschijnt, verweerder zonder eisers lezing de gevolgen voor de uitkering zal beoordelen. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging en dat hij ook geen uitleg heeft gegeven waarom hij geen gehoor gegeven heeft aan de uitnodiging. De rechtbank volgt daarom eiser niet in zijn stelling dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven. De beroepsgrond slaagt niet.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.