vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/495132 / HA ZA 20-40 Vonnis in incident van 15 juli 2020 in de zaak van 1. rechtspersoon naar buitenlands recht [procesdeelnemer I] M.B.H., gevestigd te [vestigingsplaats 1] in Oostenrijk, hierna ook genoemd: [procesdeelnemer I] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [procesdeelnemer II] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , hierna ook genoemd: [procesdeelnemer II] , eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident, gezamenlijk hierna ook genoemd: [procesdeelnemer I] , advocaat mr. A. al Mansouri te Nijmegen, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [procesdeelnemer III] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , gedaagde, eiseres in het incident, hierna ook genoemd: [procesdeelnemer III] , advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam, 2. [procesdeelnemer IV], handelende als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam van procesdeelnemer IV], wonende te [woonplaats 1] , gedaagde, eiser in het incident, hierna ook genoemd: [procesdeelnemer IV] , advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [procesdeelnemer V] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 4] , gedaagde, eiseres in het incident, hierna ook genoemd: [procesdeelnemer V] , advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 januari 2020 waarbij is bepaald dat de aanvankelijk digitale procedure wordt omgezet naar een schriftelijke dagvaardingsprocedure, volgens het recht dat daarvoor geldt vanaf 1 oktober 2019 de incidentele conclusie van [procesdeelnemer III] tot oproeping in vrijwaring en tot het overleggen van bescheiden op grond van art. 843a Rv de incidentele conclusie van [procesdeelnemer IV] tot oproeping in vrijwaring en tot het overleggen van bescheiden op grond van art. 843a Rv de incidentele conclusie van [procesdeelnemer V] tot onbevoegdheid en tot oproeping in vrijwaring de drie incidentele conclusies van antwoord daarop van [procesdeelnemer I] de repliek van [procesdeelnemer V] in het incident tot onbevoegdheid en tot oproeping in vrijwaring de dupliek van [procesdeelnemer I] in het incident tot onbevoegdheid en tot oproeping in vrijwaring. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten. 2Overzicht van de hoofdzaak 2.1. Kort samengevat heeft de hoofdzaak betrekking op een aanrijding die heeft plaatsgevonden tussen twee treinen op 16 september 2017 op het spoor tussen [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] . [procesdeelnemer I] en [procesdeelnemer II] vragen in verband met die aanrijding hoofdelijke veroordeling van [procesdeelnemer III] , [procesdeelnemer IV] en [procesdeelnemer V] tot betaling van € 2.498.964,91 aan [procesdeelnemer I] en € 756.257,-- aan [procesdeelnemer II] en aan hen gezamenlijk € 261.917,21, vermeerderd met rente en kosten. 3Bevoegdheid en toepasselijk recht Absolute bevoegdheid 3.1. [procesdeelnemer I] is een rechtspersoon naar buitenlands recht en is in het buitenland gevestigd. Daardoor heeft de vordering een internationaal karakter. 3.2. Allereerst moet daarom de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Dat is het geval. Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie wordt onder ‘plaats van het schadebrengende feit’ als bedoeld in artikel 7 sub 2 EEX-Vo 2012 zowel gedoeld op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis als de plaats waar de schade is ingetreden. De plaats van het schadebrengende feit ligt in Nederland, omdat de aanrijding heeft plaatsgevonden in Nederland. Toepasselijk recht 3.3. Vervolgens is de vraag welk recht op de vordering van toepassing is. Dat is het Nederlandse recht. Dat wordt bepaald aan de hand van de Verordening Rome II. De vordering gaat immers over een door deze verordening bestreken onderwerp en de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis was ná inwerkingtreding van de verordening (11 januari 2009). Niet is gesteld, noch gebleken, dat door partijen een keuze is gemaakt over het toepasselijke recht. Op grond van artikel 4 van Verordening Rome II is het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. De gestelde schade heeft zich in het onderhavige geval voorgedaan in Nederland, zodat op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing is. 3.4. Vanwege de aard van deze incidentele beoordeling hebben deze oordelen over de internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht een voorlopig karakter. Dat betekent dat in de hoofdprocedure hierover een ander oordeel zou kunnen volgen. Relatieve bevoegdheid, een incidenteel verzoek van [procesdeelnemer V] 3.5. [procesdeelnemer V] vordert dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaart om van deze procedure kennis te nemen, vanwege een overeengekomen forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam. Andere regels van relatieve bevoegdheid, zoals artikel 107 Rv, mogen deze forumkeuze van partijen niet teniet doen, aldus [procesdeelnemer V] . 3.6. [procesdeelnemer I] betwist de gestelde overeengekomen forumkeuze en betwist ook dat deze leidt tot onbevoegdheid van deze rechtbank. [procesdeelnemer I] acht bovendien deze rechtbank, met inachtneming van artikel 107 Rv, bevoegd. [procesdeelnemer I] citeert uit de overeenkomst die [procesdeelnemer II] sloot met [procesdeelnemer III] : “Geschillen welke eventueel tussen partijen zullen rijzen, (…) zullen in eerste aanleg worden beslecht door de bevoegde rechter te Utrecht.” [procesdeelnemer I] wijst erop dat in haar verhouding met [procesdeelnemer III] en in die met [procesdeelnemer V] dus sprake is van tegenstrijdige forumkeuzebedingen, terwijl zij beiden gedaagden zijn in deze procedure. Dat zou bij verwijzing naar de rechtbank Rotterdam kunnen leiden tot een incident opgeworpen door [procesdeelnemer III] waarbij wordt betoogd dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bij uitsluiting bevoegd is. 3.7. Een algemeen uitgangspunt is inderdaad dat een forumkeuze (als bedoeld in artikel 108 Rv) vóór gaat op een andere regel van relatieve bevoegdheid, zoals die in artikel 107 Rv. In de door [procesdeelnemer II] geaccepteerde offerte van [procesdeelnemer V] , verklaart [procesdeelnemer V] haar algemene voorwaarden een onderdeel van het aanbod. In die algemene voorwaarden staat dat “Alle geschillen die zich voordoen in verband met een Overeenkomst (…) voortvloeien uit of verband houden met een Overeenkomst, zullen worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Rotterdam.”. Door acceptatie van de offerte is het forumkeuzebeding overeengekomen. Zowel [procesdeelnemer V] als [procesdeelnemer I] zijn Nederlandse rechtspersonen/partijen, in tegenstelling tot wat [procesdeelnemer I] lijkt te stellen. Kennisnemen van de inhoud is geen vereiste voor binding aan algemene voorwaarden (artikel 6:232 BW). Daardoor is deze rechtbank in het geschil tussen deze twee partijen in principe niet bevoegd. Dat zou anders kunnen zijn als [procesdeelnemer I] succesvol de vernietiging van de algemene voorwaarden inroept. Of zij de vernietiging in deze procedure daadwerkelijk inroept, is enigszins de vraag. Zij stelt dat zij de vernietiging “kan (…) inroepen”. Gelet op het hierna volgende, behoeft deze vraag nu geen beantwoording. 3.8. Over de andere eiser in deze hoofdzaak, [procesdeelnemer I] , stelt [procesdeelnemer V] dat zij ‘(middellijk) is vertegenwoordigd door haar Nederlandse vestiging [procesdeelnemer II] ’. Middellijke en onmiddellijke vertegenwoordiging zijn verschillende rechtsfiguren, met verschillende juridische consequenties. Het is aan [procesdeelnemer V] om haar stellingen voldoende duidelijk uit te werken en dat laat zij na. Hoe dan ook, [procesdeelnemer V] kan zich niet tegelijkertijd op het standpunt stellen dat zij (rechtstreeks) met [procesdeelnemer II] contracteerde én dat [procesdeelnemer II] die overeenkomst met [procesdeelnemer V] sloot (slechts) als vertegenwoordiger van [procesdeelnemer I] . Die standpunten sluiten elkaar uit. In elk geval kan daaruit niet geconcludeerd worden dat [procesdeelnemer V] met de beide eisers een forumkeuze overeenkwam die tot onbevoegdheid van deze rechtbank leidt. Immers niet is gebleken dat [procesdeelnemer V] een overeenkomst heeft met [procesdeelnemer I] . Volgens [procesdeelnemer V] is [procesdeelnemer I] in ieder geval gebonden aan de algemene voorwaarden/de forumkeuze doordat zij wist dat bij de uitvoering van de werkzaamheden met derden gecontracteerd werd die algemene voorwaarden hanteren. In dat geval strekken de algemene voorwaarden zich volgens [procesdeelnemer V] dan ook uit tot de achterliggende opdrachtgever: [procesdeelnemer I] . Die redenering gaat niet op. Volgens [procesdeelnemer I] heeft [procesdeelnemer I] een ombouwtrein verhuurd aan [procesdeelnemer II] waarmee door en namens [procesdeelnemer II] onderhoudswerkzaamheden zijn verricht. In de dagvaarding staat dat ProRail aan [procesdeelnemer II] de opdracht tot vernieuwing gaf. Dat [procesdeelnemer I] dus een ‘achterliggende opdrachtgever’ zou zijn, is daarmee voldoende weersproken. Zoals eerder overwogen is er geen contractuele relatie met [procesdeelnemer V] en [procesdeelnemer I] is niet gebonden aan die forumkeuze. Onbevoegdheid op grond daarvan is dus ten aanzien van in ieder geval één van de eisers in de hoofdzaak, [procesdeelnemer I] , zeker niet aan de orde. 3.9. Er is sprake van nog een andere complicerende factor. [procesdeelnemer II] stelt dat zij met [procesdeelnemer III] een andere forumkeuze is overeengekomen. Daarbij is déze rechtbank het gekozen forum. Artikel 107 Rv creëert bevoegdheid van een rechter in een zaak met meerdere gedaagden indien er een zodanige samenhang tussen de diverse vorderingen bestaat dat het doelmatig is de vorderingen door dezelfde rechter te laten behandelen. In deze zaak zijn de vorderingen van twee eisers en drie gedaagden op hetzelfde feitencomplex gebaseerd. Het is niet efficiënt door verschillende rechters een onderzoek naar de feiten te laten uitvoeren en het levert een risico op van tegenstrijdige beslissingen. [procesdeelnemer V] neemt geen standpunt in over samenhang en doelmatigheid. Dat is opvallend, omdat op initiatief van [procesdeelnemer V] een extra ronde - repliek en dupliek- is toegestaan in dit incident, wat haar bij uitstek die gelegenheid bood. [procesdeelnemer V] stelt in ieder geval niet dat behandeling door verschillende rechters gewenst is. Evenmin stelt zij dat procederen bij deze rechtbank voor haar bezwaarlijk is. De rechtbank acht zich overeenkomstig artikel 107 Rv bevoegd. 3.10. De vordering van [procesdeelnemer V] zal worden afgewezen. [procesdeelnemer V] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 4De incidentele verzoeken van [procesdeelnemer III] De oproeping in vrijwaring 4.1. [procesdeelnemer III] vordert dat haar wordt toegestaan [A] , [B] en [C] in vrijwaring op te roepen. [procesdeelnemer I] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. De aangevoerde en niet weersproken gronden kunnen die vordering dragen. 4.3. De proceskosten worden gecompenseerd; elke partij draagt de eigen kosten. Het overleggen van bescheiden Voor toewijzing van een vordering op grond van art. 843a Rv moet aan een viertal eisen zijn voldaan. [procesdeelnemer III] , moet stellen dat aan de vier in lid 1 gestelde vereisten is voldaan:a. rechtmatig belangb. bepaalde bescheiden c. aangaande een rechtsbetrekking waarin zij/hij partij isd. bescheiden zijn ter beschikking van of berusten onder de wederpartij. 4.5. [procesdeelnemer III] vordert dat [procesdeelnemer I] de stukken overlegt in de hoofdprocedure. [procesdeelnemer III] wil dat, zodat [procesdeelnemer IV] en [procesdeelnemer V] van de informatie kunnen kennisnemen. [procesdeelnemer I] verzet zich hiertegen, omdat de stukken volgens haar deels vertrouwelijk zijn en de andere partijen er niet om hebben gevraagd. De wet biedt geen grondslag voor een verplichting tot het overleggen van de gevraagde stukken in een procedure. Het gaat alleen om het verkrijgen van inzage, afschrift of uittreksel ervan door degene die daar om verzoekt, terwijl er in deze hoofdprocedure meerdere gedaagden zijn. In zoverre is de vordering dus niet toewijsbaar. Echter, uit de conclusie van [procesdeelnemer III] begrijpt de rechtbank dat zij in ieder geval zélf de stukken wil krijgen. Dat beschouwt de rechtbank als een vordering die ‘het mindere’ is van het overleggen van de stukken bij akte in de hoofdzaak. Beoordeeld zal worden of de stukken door [procesdeelnemer I] aan [procesdeelnemer III] beschikbaar moeten worden gesteld. 4.6. [procesdeelnemer III] vordert overlegging van de volgende stukken (haar randnummer 25): polis, clausuleblad en polisvoorwaarden schadenota’s en andere bescheiden waaruit volgt welke bedragen door de verzekeraars uitgekeerd zijn dan wel uitgekeerd gaan worden al het overige dat in de rechtsverhouding tussen [procesdeelnemer I] en de verzekeraars relevant is [procesdeelnemer III] wil duidelijkheid krijgen over de positie van de verzekeraars en over de bedragen die zij (moeten) uitkeren aan [procesdeelnemer I] . 4.7. Volgens [procesdeelnemer I] heeft [procesdeelnemer III] geen rechtmatig belang bij het inzien van die stukken. [procesdeelnemer I] ’s vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op artikel 6:170 BW en voor dergelijke vorderingen geldt geen subrogatieverbod. [procesdeelnemer I] kreeg vergoedingen uitbetaald van haar verzekeraar, Wiener Städtische. Op basis van de verzekeringsovereenkomst kreeg [procesdeelnemer I] tevens de last tot incasso om verhaal te nemen op de aansprakelijke partijen. Om die reden heeft [procesdeelnemer III] geen belang bij inzage van de gevraagde stukken, waaruit de uitgekeerde of uit te keren bedragen blijken. [procesdeelnemer III] heeft niet gesteld wat die stukken daadwerkelijk in haar voordeel kunnen opleveren, aldus [procesdeelnemer I] . 4.8. [procesdeelnemer I] hoeft deze stukken niet over te leggen aan [procesdeelnemer III] . [procesdeelnemer III] heeft niet voldoende uitgelegd waaróm zij die duidelijkheid wil krijgen over de verhouding met de verzekeraars en welk rechtens te respecteren belang zij daarbij heeft. [procesdeelnemer III] vordert ook “al het overige dat in de rechtsverhouding tussen [procesdeelnemer I] en de verzekeraars relevant is”. Daaraan hoeft [procesdeelnemer I] ook niet te voldoen. Afgezien van het feit dat hierbij eveneens haar rechtmatig belang ontbreekt, is ook onvoldoende specifiek benoemd welke stukken zij dan zou willen zien. 4.9. [procesdeelnemer III] vordert (in haar randnummer 27) overlegging van de basisovereenkomst tussen [procesdeelnemer I] en ProRail, met allonges en bijlagen. [procesdeelnemer III] wil inzicht krijgen in die contractuele verhoudingen om te zien welke veiligheidsverplichtingen [procesdeelnemer I] daarin had. 4.10. [procesdeelnemer I] meent dat [procesdeelnemer III] hierbij geen rechtmatig belang heeft. 4.11. [procesdeelnemer III] heeft inderdaad nagelaten voldoende uit te leggen waarom een (mogelijk geschonden) contractuele verplichting tussen [procesdeelnemer I] en ProRail van belang is voor de procedure tussen [procesdeelnemer III] en [procesdeelnemer I] . [procesdeelnemer I] hoeft die stukken niet over te leggen. 4.12. [procesdeelnemer III] vordert (in haar randnummer 29) overlegging van geluidsopname(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.