← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:4301

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/389 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. E. Chahid). Procesverloop Bij besluit van 13 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend per 12 juli

  1. Bij besluit van 11 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Nadat geen van partijen heeft aangegeven ter zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding
  2. Eiseres heeft op 12 juli 2019 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft zij als gewenste ingangsdatum 23 maart 2019 ingevuld. Verweerder heeft besloten eiseres een bijstandsuitkering toe te kennen per 12 juli
  3. Het bestreden besluit
  4. Verweerder meent dat er geen aanleiding is om de uitkering te verlenen over de periode van 23 maart 2019 tot 12 juli
  5. In beginsel verleent verweerder namelijk geen bijstand over een periode voorafgaand aan de meldingsdatum, namelijk 12 juli
  6. Volgens verweerder heeft eiseres geen omstandigheden aangevoerd die verweerder ertoe hadden moeten brengen om af te wijken van dit beginsel. Hiertoe geldt volgens verweerder dat niet is gebleken dat eiseres haar aanvraag niet eerder dan op 12 juli 2019 had kunnen doen. Ook is verweerder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die hem ertoe hadden moeten brengen om eiseres met ingang van 23 maart 2019 bijstand toe te kennen. Het standpunt van eiseres
  7. Eiseres vindt dat de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht vanaf 23 maart 2019 had moeten worden toegekend. Deze datum heeft zij op het aanvraagformulier vermeld als gewenste ingangsdatum. Zij was vanwege psychische klachten niet in staat eerder dan op 12 juli 2019 een bijstandsuitkering aan te vragen. Door deze klachten is zij evenmin in staat gebleken om tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van 1 april 2019 waarbij haar recht op bijstand per 22 februari 2019 is ingetrokken. Eiseres stelt dat verweerder hiermee rekening had moeten houden met de ingangsdatum van de bijstand. Vooral aangezien haar psychische klachten grotendeels zijn veroorzaakt door de manier waarop zij door medewerkers van de gemeente is behandeld in de procedure waarin haar recht op bijstand is ingetrokken. Juridisch kader
  8. Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw wordt, indien het college heeft vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Oordeel rechtbank
  9. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat haar per 23 maart 2019 bijstand dient te worden verleend. In de gestelde psychische klachten van eiseres heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de bijstand te laten ingaan met ingang van de door eiseres gewenste datum (23 maart 2019), nu het gestelde verder niet met medische stukken is onderbouwd. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in de gelegenheid is geweest om met de hulp van iemand anders eerder dan op 12 juli 2019 een aanvraag in te dienen.
  10. De conclusie is dat verweerder terecht bijstand heeft verleend vanaf de datum van de aanvraag, namelijk 12 juli
  11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 8 september
  12. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. de griffier rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 20 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3703

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.