RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/2840 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2020 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker en het College van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 20 december 2019, waarin verweerder met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is overgegaan tot een gedeeltelijke openbaarmaking van documenten die gaan over de nevenactiviteiten en nevenfuncties van hoogleraar [X] . Verzoeker heeft de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht. Overwegingen Inleiding Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond is en zal hierna toelichten waarom. Verzoeker heeft verweerder verzocht om alle documentatie over de nevenfuncties van hoogleraar [X] . Hij heeft de gevraagde documenten in drie verschillende categorieën documenten opgedeeld, A, B en C. Verweerder heeft het Wob-verzoek ten dele ingewilligd en documenten openbaar gemaakt. Verweerder heeft andere documenten niet openbaar gemaakt, omdat daarop volgens hem de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, d, g en e van de Wob van toepassing zijn. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 30 juli 2020 om een voorlopige voorziening gevraagd. Voorlopige voorziening in bezwaar of in beroep? Verweerder heeft bij besluit van 5 augustus 2020 opnieuw stukken openbaar gemaakt. Deze stukken gaan vooral over onderdeel B van het Wob-verzoek. Verweerder blijft in dit besluit bij zijn weigering om de documenten die vallen onder onderdeel C openbaar te maken. Verder heeft hij bericht dat er nog een zoekslag zal worden uitgevoerd voor de documenten die vallen onder onderdeel A en B van het Wob-verzoek. In een daaropvolgend aanvullend besluit van 20 augustus 2020 heeft verweerder meegedeeld dat de zoekslag nu is afgerond. Verweerder is daarbij opnieuw overgegaan tot gedeeltelijke openbaarmaking van stukken die onder het Wob-verzoek vallen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat als verzoeker zijn bezwaar niet intrekt, dat bezwaar alsnog wordt voorgelegd aan een Geschillenadviescommissie. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het stelsel van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat op een bezwaar tegen een primair besluit met één besluit wordt beslist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het besluit van 5 augustus 2020, aangevuld met het besluit van 20 augustus 2020, aan te merken als het besluit op het bezwaar van verzoeker. Verweerder vermeldt daarin immers expliciet dat hij reageert op het bezwaarschrift van verzoeker en hij gaat over tot verdere openbaarmaking van de door verzoeker gevraagde documenten. Voor deel blijft verweerder bij de weigering zoals verwoord in het primaire besluit. Dit kan niet anders dan gezien worden als de afronding van de besluitvorming in bezwaar, waarbij verweerder een deel van het primaire besluit handhaaft. Verweerder gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat hij nu nogmaals op het bezwaar van verzoeker kan beslissen. Die bewaarfase is nu voorbij.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.