← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:4408

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/2843 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2020 in de zaak tussen [verzoeker] , te [plaats] , verzoeker(gemachtigde: A. Stokhof), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder. Procesverloop Bij brief van 4 augustus 2020 heeft verweerder verzoeker geïnformeerd dat zijn aangifte van verhuizing wordt aangehouden omdat deze onvolledig is. Verzoeker heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 29 augustus 2020 heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
  2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker bezwaar heeft gemaakt tegen een brief van verweerder die evident geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Voor gemachtigde als juridisch adviseur moet het ten tijde van het maken van het bezwaar en het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening evident zijn geweest dat het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk is. Daarom moet worden geoordeeld dat de procedure, en daarmee zijn proceskosten, aan de handelwijze van verzoeker zelf is te wijten.
  4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober
  5. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.