beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER locatie Utrecht zaaknummer / rekestnummer: 508733 / HA RK 20-228 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 20 oktober 2020 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van: [verzoekster] , wonend in [woonplaats] , hierna te noemen verzoekster, gemachtigde: mr. A. Laghmouchi 1De procedure 1.
(1)Het honorarium bestaat uit twee delen, een vast deel en een variabel deel, waarvoor het volgende geldt: a. Het vaste deel bestaat uit een vooraf te betalen honorarium van EUR 45.000 ex BTW, welk bedrag gelijk is aan het minimum honorarium, mocht letter b hierna niet van toepassing komen, waarbij geldt dat het minimum honorarium uit drie tranches bestaat, te weten een bedrag van EUR 35.000 ex BTW (…), een bedrag van EUR 5.000 ex BTW (welke factuur op 31 oktober 2019 zal worden verstuurd) en wederom een bedrag van EUR 5.000 ex BTW (welke factuur op 29 november 2019 zal worden verstuurd); [verzoekster] heeft, gelet op deze vaste prijsafspraak, verzuimd om aan te geven in welk opzicht het noodzakelijk is dat zij over de door [bedrijf] gemaakte kosten en overzicht van door [bedrijf] gemaakte uren beschikt, zodat niet is gebleken welk rechtmatig belang [verzoekster] bij afgifte van de gevorderde stukken heeft.” Uit deze rechtsoverweging blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer slechts dat de rechter, bij de beoordeling van het belang van verzoekster bij de door haar ingestelde vordering tot afgifte van stukken, aansluiting heeft gezocht bij de tekst van de bevestiging van de opdracht van 16 september 2019 zonder dat zij daarbij reeds een oordeel heeft uitgesproken over de (rechtsgeldigheid van de) gestelde overeenkomst als zodanig. Uit de formulering van rechtsoverweging 3.
- blijkt dan ook geen vooringenomenheid, te minder nu de rechter in haar beslissing aansluit bij hetgeen door verzoekster in haar vordering tot afgifte heeft gesteld, namelijk dat [bedrijf] stukken onder zich heeft als gevolg van de gestelde overeenkomst van 16 september
- 3.
- Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek ongegrond zal verklaren. 3.
- Bij brief van 5 oktober 2020 is namens [bedrijf] aan de wrakingskamer verzocht te bepalen een eventueel volgend wrakingsverzoek van verzoekster niet in behandeling te nemen. De wrakingskamer ziet hiervoor geen aanleiding en zal dan ook daartoe niet overgaan. 4De beslissing De wrakingskamer: 4.
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond; 4.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekers, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team civiel recht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank; 4.
- bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer 8501273 / MC EXPL 20-3082 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mrs. R.C. Stijnen en A. van Dijk als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L.C.J. van der Heijden en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober
- Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.