RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16-215132-19; 16-017802-19 (gev.); 16-070071-19 (gev.); 16-117340-19 (gev.); 16-120042-18 (gev.) en 16-147151-20 (gev.) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 20 oktober 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1984] te [geboorteplaats] , niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Dordrecht. 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING 2TENLASTELEGGING De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging met parketnummer 16-215132-19 is tijdens de proformazitting op 27 juli 2020, op vordering van de officier van justitie, gewijzigd. De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: parketnummer 16-215132-19
(2018)de angst was waardoor hij en zijn vrouw zijn gaan betalen. [slachtoffer 1] vertelde mij dat hij en zijn vrouw [slachtoffer 2] werden bedreigd met onder andere de tekst: “Ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen. Je moet achter je blijven kijken, we volgen je, mijn mannen zijn altijd bij je in de buurt. Ik zorg dat je in een rolstoel terecht komt. Ik blaas je gevel eruit”. Tegen [slachtoffer 1] werd gezegd: “Je vrouw is overdag alleen thuis toch?” en tegen [slachtoffer 2] werd gezegd: “We weten dat je overdag alleen thuis bent”. [slachtoffer 1] gaf aan dat hij en zijn vrouw hierdoor in enorme angst leefden. Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 27 augustus 2019 het volgende bevonden: Op 5 juli 2019 ontving ik geluidsfragmenten van aangever [slachtoffer 1] . (…) Deze geluidsopnames heeft aangever [slachtoffer 1] opgenomen op het moment dat [slachtoffer 4] deze aan hem liet luisteren. (…) Ik hoorde het volgende: D: Ik had gehoord van je man dat je een beetje overspannen was. C: Ja dat klopt maar ik weet nog steeds niet wie ik aan de lijn heb. D: [slachtoffer 1] heeft mij werk aangeboden. D: hij heb zijn eigen teruggetrokken D: maar we zijn wel bijna 14 dagen bezig geweest. D: Er zijn dingen aangeschaft, er zijn 4 mensen bezig geweest. Er zijn investeringen gedaan in bepaalde dingen en dan gaat hij zijn eigen terug trekken, maar dat kan niet [naam] . C: Ja dan krijgt dat telefoontje wel opeens een andere insteek en eh wat moet je dan bij mij precies? D: maar hoe gaat dit opgelost worden [naam] ? D: Lijkt mij het beste dat [slachtoffer 1] het met mij gaat oplossen, de financiën. D: [naam] het gaat om een ton. D: Er is geld in geïnvesteerd in bepaalde dingen dat heb ik zelf tegen hem verteld en dat zijn mensen ja dat kan zomaar niet. C: Goed wat wil je van mij nu? D: Ik denk ik laat het je even weten weet je. Kijk, ga het er met hem over hebben want weet je wat het is [naam] ? Het zal hoe dan ook betaald moeten worden he? Ik ga geen verlies niks lijden he? Er is geld geïnvesteerd en ik die jongens, [naam] luister die nemen dat niet he? “D: Kijk het zijn Joegoslaven. Die vermoorden de eigen moeder nog als het moet”. D: Dat snap ik, dat begrijp ik. Ehmm gaat het eerst maar even met [slachtoffer 1] over hebben, dan weet je hoe dan ook het moet komen van hem weet je. Want die opnames. Want zo ja dat opdracht geven daar staat sowieso al 5 jaar gevangenisstraf op ja? C: Ja dat kan eh ja nou goed ja dat kan dan zal zo zijn. Dat zal jij beter weten dan ik denk ik. D: Je kan het netjes met mij oplossen dan krijgt hij ook nog die opnames krijgt hij dan. Weet je maar anders ja als dat anders openbaar komt dan is hij alles kwijt. Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 4 september 2019 het volgende bevonden: Ik kreeg van aangever [slachtoffer 1] schermafdrukken van zijn rekeningen waarvan hij geld heeft gepind voor het betalen van verdachte [verdachte] . Op het bankafschrift stond het volgende: Rekeningen Bij- en afschrijvingen [bedrijf 5] BV Bankrekening [rekeningnummer] 23 mei 2018 [adres] , pas 104 - 2000 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2000 In totaal is er 4.000 euro afgeschreven. (…) Op het bankafschrift stond het volgende: Rekeningen Bij- en afschrijvingen [bedrijf 5] BV, Bankrekening [rekeningnummer] 23 juni 2018 [adres] , pas 104 - 2000 In totaal is er 2.000 euro afgeschreven. (…) Op het bankafschrift stond het volgende: Rekeningen Bij- en afschrijvingen [slachtoffer 1] , Privé rekening [rekeningnummer] 23 juni 2018 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2000 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2000 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2000 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2000 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2000 In totaal is er 10.000 euro afgeschreven. (…) Op het bankafschrift stond het volgende: Rekeningen Bij- en afschrijvingen [slachtoffer 1] Privé rekening [rekeningnummer] 2 juli 2018 [adres] [woonplaats] , pas 151 - 2.000 [adres] [woonplaats] , pas 151 - 2.000 [adres] [woonplaats] , pas 151 - 2.000 [adres] [woonplaats] , pas 151 - 2.000 [adres] [woonplaats] , pas 151 - 2.000 [adres] [woonplaats] , pas 151 - 2.000 In totaal is er 12.000 euro afgeschreven. (…) Op het volgende bankafschrift stond het volgende: Rekeningen Bij- en afschrijvingen [bedrijf 5] BV Bankrekening [rekeningnummer] 2 juli 2018 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 1.000 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2.000 [adres] [woonplaats] , pas 104 - 2.000 In totaal is er 5.000 euro afgeschreven. Op 6 september 2019 deed verbalisant [verbalisant 2] de volgende bevindingen: Ik las een mutatie die was opgemaakt op 30 mei 2018: “Vandaag gesproken met de moeder van [verdachte] . Zij gaf aan dat zij zich zorgen maakt over haar zoon [verdachte] . (…) Hij stuurt berichtjes via de WhatsApp waarin hij met een vervormde stem de boel intimideert. (…) Stem, werd herkend door moeder.” (…) Vervolgens las ik het volgende: “Verder gaf zij (de rechtbank begrijpt: de moeder van verdachte) aan dat hij sinds 24 mei een andere auto heeft gekocht. Een Mercedes. (…) Ook had hij foto’s gestuurd van een Porsche. Hij had tegen zijn moeder gezegd dat hij deze ook ging kopen. (…) Ook liet moeder mij foto's zien waarop [verdachte] met zeer veel geld in zijn handen staat. Bossen met briefjes van 50 euro.” (…) Op 23 mei heeft aangever [slachtoffer 1] 25.000 euro aan [verdachte] betaald. Dit heeft hij betaald in bundels van briefjes van 50 euro. Uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt het volgende: Ik stelde een onderzoek in naar een tablet Apple iPad, SIN AAMT8579NL. Deze was aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats] , tijdens de doorzoeking van 30 september
- In de app Recordings en tevens in de door het forensische systeem verzamelde audiodata, zag ik het volgende: New Recordingiiii_1.aac Ik zag dat de opname van de bedreiging van [slachtoffer 1] met vervormde stem in dit toestel aanwezig was. . “Op 12 maart 2019 geluidsfragment: "Dag [slachtoffer 1] hoe gaat ie? En hoe gaat het met [naam] ? [slachtoffer 1] luister, we zijn nu al een aantal dagen bezig. Jij maakt er een beetje een spelletje van [slachtoffer 1] geloof mij het is geen dierentuin of speeltuin, het is ook geen sprookje dan moet je bij de Efteling zijn. Wij blijven ook niet netjes [slachtoffer 1] . Luister wij hadden een afspraak volgens de regel van vijf, ik heb mij aan mijn afspraken gehouden en jij moest zo nodig, met die kankerbek van je, je bek voorbij praten dat anderen er ook weer vanaf weten. Er zijn niet voor niets mensen naar mij toegekomen vriendelijke vriend. Hoe moeten hun het anders weten? Je mag naar de politie gaan. Geen enkel probleem [slachtoffer 1] maar mijn soldaten maken het af. Geloof mij onderschat mij niet. Onderschat mij niet. Begrijp je mij? Neem contact met mij op. Of blijf je zo door gaan met je spelletjes? Niet doen [slachtoffer 1] . Niet doen. Niet denken dat je de man ben. Geloof me ik heb hele grote neergehaald. Jij kan ook neer gaan, want ik pak je alles af, tot aan je onderbroek aan toe. Geloof me. Je zal niks meer overhouden. Maar je mag niks laten horen dan ga je het vanzelf meemaken vriend. Begrijp mij heel goed. Laat het duidelijk zijn. Neem contact met mij op. Of er blijft niets meer van je over.” Ik zag dat de originele onvervormde opname ook in dit toestel aanwezig was. Ik herkende de stem van de verdachte voor honderd procent. Bewijsmotivering feit 2 Wettelijk kader Afpersing betreft een ‘gevolgsdelict’. Dit houdt in dat het intreden van het gevolg een noodzakelijke voorwaarde is voor strafbaarheid. Voor bewezenverklaring van afpersing dient steeds een oorzakelijk verband te bestaan tussen de gedraging van verdachte (het geweld of de bedreiging met geweld) en de prestatie van het slachtoffer (het gevolg). De rechtbank overweegt het volgende. Vast is komen te staan dat er een afspraak tot stand is gekomen die inhield dat verdachte ene [A] tegen betaling voor [slachtoffer 1] (tenminste) bang zou maken. [slachtoffer 1] had tegen verdachte gezegd dat hij hier “enkele duizenden euro’s voor over had” maar een concrete prijs is niet afgesproken. [slachtoffer 1] had hier wel veelvuldig naar gevraagd, maar verdachte zei steeds dat dit “wel goed zou komen”. [slachtoffer 1] vond de invulling van het plan door verdachte veel te ver gaan. Dit had [slachtoffer 1] niet met bang maken voor ogen gehad en hij besloot af te zien van het hele plan. Toen [slachtoffer 1] dit kort na het maken van de afspraak tot het bang-maken van [A] aan verdachte liet weten, begon verdachte [slachtoffer 1] onder druk te zetten. Direct zei verdachte dat hij € 100.000,- aan onkosten had gemaakt. Zo had hij onder andere mensen uit het Oostblok laten invliegen. Ook maakte verdachte opmerkingen als: “de jongens pikken dit niet” . Toen [slachtoffer 1] niet gelijk tot betaling overging, benaderde verdachte [slachtoffer 2] waarbij verdachte dingen zei als “die jongens (…) die nemen dat niet he?” en ‘Kijk het zijn Joegoslaven. Die vermoorden de eigen moeder nog als het moet”. [slachtoffer 1] heeft bovendien verklaard dat [slachtoffer 2] voor de eerste betaling emotioneel naar hem toe was gekomen en verklaarde dat verdachte tegen haar gezegd zou hebben dat hij al eens een handgranaat had gegooid en daar al eens voor had vastgezeten. De rechtbank beschouwt deze woorden – in het licht van wat hiervoor is opgemerkt en de latere verklaring van [slachtoffer 1] dat verdachte heeft verklaard een handgranaat naar binnen te gooien – als een bedreiging en relateert deze aan de tenlastegelegde bewoordingen: “ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen (…) althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking”. De rechtbank is van oordeel dat de sfeer waarin de opmerkingen van verdachte jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn gemaakt dusdanig was dat redelijkerwijs te verwachten was dat aangevers instemden met het betalen van de geldbedragen. De dwang vanuit verdachte was met andere woorden geëigend om aangevers te bewegen tot het overhandigen van het geld. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de drie in de tenlastelegging genoemde geldbedragen (te weten € 25.000,-, € 12.000,- en € 15.000,-) door afpersing van verdachte aan hem hebben overgedragen. De rechtbank komt daarmee ook tot het oordeel dat de tenlastegelegde dwang wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het standpunt van de verdediging dat door verdachte nooit berichten met behulp van stemvervormingsaparatuur zijn gemaakt, en aan aangevers zijn verzonden, wordt weerlegd door de uitlatingen van de moeder van verdachte, de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en het feit dat op de iPad van verdachte, zowel een origineel – niet vervormd – als vervormd bericht is aangetroffen, waarin de stem van verdachte door een verbalisant is herkend en verdachte bedreigingen jegens [slachtoffer 1] uit. Dit bericht is weliswaar van na de tenlastegelegde periode van feit 2, maar het biedt ondersteuning voor de gestelde werkwijze van verdachte in de ten laste gelegde periode. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs bestaat voor het tonen van het vuurwapen door verdachte aan [slachtoffer 1] . Alleen [slachtoffer 1] zou hierbij aanwezig zijn geweest. [slachtoffer 2] heeft over het vuurwapen verklaard, maar haar verklaring is enkel gebaseerd op hetgeen zij van [slachtoffer 1] heeft gehoord. De rechtbank zal verdachte daarom partieel van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. [slachtoffer 2] heeft aangaande de uitlating: “We weten dat je overdag alleen thuis bent” bij de rechter-commissaris verklaard dat zij zich niet meer kan herinneren dat dit tegen haar is gezegd. Met betrekking tot het geluidsfragment inhoudende: “Ik heb een 9 millimeter op de zaak liggen” heeft [slachtoffer 2] verklaard dat ze daar niet echt bang van werd. Dit geluidsfragment bevat overigens de vervormde stem van [slachtoffer 1] . De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van de twee in de tenlastelegging opgenomen gedachtestreepjes waarin deze teksten zijn opgenomen. Van de overige ten laste gelegde bewoordingen zal verdachte eveneens worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld wanneer deze bewoordingen zouden zijn geuit. Bewijsmiddelen feit 7 Op 16 maart 2019 deed [slachtoffer 1] aangifte : Op donderdag 5 juli 2018 verscheen voor mij, een persoon die mij opgaf te zijn: Achternaam : [slachtoffer 1] Voornamen : [voornaam] Plaats : [woonplaats] Op 25 februari 2019 (…) werd mijn vrouw [naam] gebeld door [verdachte] . [verdachte] zei tegen [naam] dat haar man, ik dus, mijn bek voorbij gepraat had en dat ze wel even langs zouden komen. Op 13 maart 2019 heb ik een geluidsfragment gekregen. Dit klinkt alsof er iemand gemarteld wordt. De berichten en appjes worden verzonden vanaf telefoonnummer [woonplaats] . Deze bedreigingen hebben een hele grote uitwerking op mij en mijn gezin. We zijn bang dat hij ons en ons gezin iets aan doet. Mijn vrouw heeft last van psychische klachten door de bedreigingen en zij is echt heel erg bang. Ik ben ook bang en ik wil dat dit stopt. Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 16 maart 2019 het volgende bevonden: Tijdens de aangifte door [slachtoffer 1] liet hij mij geluidsfragmenten horen. Deze geluidsfragmenten waren verzonden naar de mobiele telefoons van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ik hoorde dat de stem van het geluidsfragment was vervormd dan wel dat het geluidsfragment vertraagd werd afgespeeld. De letterlijke tekst is hieronder uitgewerkt: Geluidsfragment 2: Op de achtergrond zijn klap geluiden te horen en een geluid wat lijkt of dat iemand pijn heeft. “Harder, harder slaan, harder, hoor je dat [slachtoffer 1] ? Dat gebeurt er met jou ook. Dat heb je met mensen die hun bek voorbij praten. Nog wel lekker geslapen vannacht? Neem contact op.” Op 9 april 2019 deed [slachtoffer 1] aangifte. Hij verklaarde: Ik werd gebeld op 3 april
- [verdachte] begon met bedreigingen. [verdachte] zei toen dat hij wel bepaalde of ik zou komen of niet. Vervolgens zij hij dat wanneer ik niet zou komen, hij mijn gezin uit zou roeien. Uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt het volgende: Ik stelde een onderzoek in naar een tablet Apple iPad, SIN AAMT8579NL. Deze was aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats] In de app Recordings en tevens in de door het forensische systeem verzamelde audiodata, zag ik het volgende: New Recordingiiii_1.aac Ik zag dat de opname van de bedreiging van [slachtoffer 1] met vervormde stem in dit toestel aanwezig was. Op 12 maart 2019 geluidsfragment: "Dag [slachtoffer 1] hoe gaat ie? En hoe gaat het met [naam] ? [slachtoffer 1] luister, we zijn nu al een aantal dagen bezig. Jij maakt er een beetje een spelletje van [slachtoffer 1] geloof mij het is geen dierentuin of speeltuin, het is ook geen sprookje dan moet je bij de Efteling zijn. Wij blijven ook niet netjes [slachtoffer 1] . Luister wij hadden een afspraak volgens de regel van vijf, ik heb mij aan mijn afspraken gehouden en jij moest zo nodig, met die kankerbek van je, je bek voorbij praten dat anderen er ook weer vanaf weten. Er zijn niet voor niets mensen naar mij toegekomen vriendelijke vriend. Hoe moeten hun het anders weten? Je mag naar de politie gaan. Geen enkel probleem [slachtoffer 1] maar mijn soldaten maken het af. Geloof mij onderschat mij niet. Onderschat mij niet. Begrijp je mij? Neem contact met mij op. Of blijf je zo door gaan met je spelletjes? Niet doen [slachtoffer 1] . Niet doen. Niet denken dat je de man ben. Geloof me ik heb hele grote neergehaald. Jij kan ook neer gaan, want ik pak je alles af, tot aan je onderbroek aan toe. Geloof me. Je zal niks meer overhouden. Maar je mag niks laten horen dan ga je het vanzelf meemaken vriend. Begrijp mij heel goed. Laat het duidelijk zijn. Neem contact met mij op. Of er blijft niets meer van je over." Ik zag dat de originele, onvervormde opname ook in dit toestel aanwezig was. Hierbij herkende ik de stem van de verdachte voor 100%. Bewijsoverweging feit 7 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder 7 ten laste gelegde bedreiging onvoldoende is komen vast te staan wanneer de teksten zijn geuit/verstuurd door verdachte. De rechtbank overweegt echter dat uit de beide aangiftes volgt dat die elkaar ondersteunen, ook ten aanzien van het moment waarop de ten laste gelegde gedragingen plaatsvonden. Deze datering sluit bovendien aan bij de datum van het aangetroffen geluidsfragment. 5.3 Feit 3 (16-215132-19) – Belaging [slachtoffer 3] 5.3.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht de belaging van [slachtoffer 3] wettig en overtuigend te bewijzen op basis van de aangifte, getuigenverklaringen en de inhoud van de bij verdachte in beslag genomen gegevensdragers. 5.3.2 Het standpunt van de verdediging Verdachte bekent het stalken van [slachtoffer 3] . Ten aanzien van het sturen van (audio-)berichten en het bellen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het aanbellen, versturen van naaktfoto’s en zich ophouden in de nabijheid van het werkadres van aangeefster dient verdachte te worden vrijgesproken. Voor deze onderdelen van de tenlastelegging bestaat onvoldoende bewijs. 5.3.1 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 oktober 2020 verklaard: Ik heb [slachtoffer 3] gestalkt. Ik beken het bellen en het sturen van berichtjes. Ik heb ook audio- en videoberichten gestuurd. Mocht ik haar bij de bushalte hebben gezien, dan was dat toeval. Op 7 augustus 2019 deed [slachtoffer 3] aangifte: Ik doe aangifte tegen [verdachte] . Eind mei 2019 heb ik de relatie verbroken. [verdachte] heeft mij nog geen dag met rust gelaten. Hij stuurt mij constant berichten via WhatsApp, e-mails, brieven of benaderd mij via anderen. Ook benaderd hij mij in naam van anderen. Ik bedoel hiermee dat hij nepaccounts aanmaakt op bijvoorbeeld Facebook en WhatsApp. [verdachte] volgt mij ook. Op 1 juli stond ik bij de bushalte in Amersfoort. [verdachte] stopte op de plek waar de bus hoort te stoppen. Ik hoorde hem zeggen "Moet ik je brengen?!" "Ik was hier gewoon toevallig hoor, ik kwam uit Amsterdam". Gelijk zat ik te trillen een heel raar gevoel gaat er dan door mij heen een soort angst en spanning gemengd met adrenaline. [verdachte] heeft ook al twee keer eerder voor mijn werk gestaan. De tweede keer dat hij bij mijn werk was zat hij beneden bij de Starbucks. (…) Ik keek van boven door het raam naar buiten en zag inderdaad zijn auto ook staan. Pas na 1,5 uur ongeveer zag ik hem weglopen naar zijn auto. Op of omstreeks 23 juni 2019 ontving ik van [verdachte] een aantal foto’s via WhatsApp. Ik zag dat dit foto's waren van brieven. Een van de brieven leek afkomstig van het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Ik las hierin dat [verdachte] opgenomen zou worden op de afdeling gastro-intestinale en oncologische chirurgie op dinsdag 25 juni
- Er zou voor hem een operatie gepland zijn op woensdag 26 juni
- In de brief staan echter fouten. Ook staat er geen geadresseerde genoemd in de brief. De brief lijkt mij dan ook valselijk opgemaakt door [verdachte] . De tweede brief leek afkomstig van de Rechtbank Midden-Nederland. Ik zag dat [verdachte] de geadresseerde was. In brief stond vermeld dat er een spoedmachtiging-uithuisplaatsing was aangevraagd voor zijn zoontje [B] . Als onderwerp stond vermeld: 'spoedmachtiging-uithuisplaatsing na aanleiding dreigingen aan vaders adres en zoon middels foto'. Gezien de term 'spoedmachtiging-uithuisplaatsing' en de omslachtige onderwerpregel, met daarin een spelfout, lijkt mij dat ook deze brief valselijk is opgemaakt door [verdachte] . Op of omstreeks 19 juni 2019 ontving ik van [verdachte] een aantal foto's via WhatsApp. Ik zag dat dit foto's waren van [verdachte] , mijzelf en de zoon van [B] . Ik zag dat de foto's bewerkt waren. Ik zag dat op de keel van [verdachte] afbeeldingen van snijwonden. Ik zag dat op mijn foto een kogelwond en twee kogels geplakt waren. Ik zag dat op het voorhoofd van [B] ook een kogelwond en een kogel was geplakt. Ik vermoed dat [verdachte] deze foto's heeft bewerkt. Ik heb veel e-mails van [verdachte] ontvangen. Ik heb tevens spraakberichten van [verdachte] ontvangen. Ik heb brieven, door [verdachte] naar mij gestuurd. Ik heb berichten via WhatsApp die [verdachte] naar mij stuurt. Ik ben via Facebook Messenger benaderd door ene [C] . Zij zegt in dit bericht dat [verdachte] de waarheid over alles spreekt. Ik vermoed dat [verdachte] dit profiel heeft aangemaakt om op die manier contact met mij te zoeken. [verdachte] heeft mij ook foto's gestuurd waarop ik bloot te zien ben. Ik heb hem deze foto’s destijds via WhatsApp naar [verdachte] gestuurd. [verdachte] is de enige die in het bezit is van deze foto’s. Behalve ikzelf. Hij heeft mij ook een mail gestuurd, waarin staat dat hij mijn collega's alles gaat sturen waarvan hij de schuld krijgt. Ik wil niet dat mijn collega's op de hoogte zijn van mijn privéleven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 19 september 2019 het volgende bevonden: Hierop beluisterde ik gesprek 1 en gesprek
- Ik hoorde de beller zichzelf tijdens gesprek 1 voorstellen als ' [verdachte] ' en tijdens gesprek 2 als ‘ [verdachte] ’. Tevens herkende ik de stem van de verdachte, op basis van: - een door slachtoffer [slachtoffer 3] geleverd audiobestand, waar de verdachte op te horen was. - een door slachtoffer [slachtoffer 4] geleverd videobestand, waar de verdachte op te zien en te horen was. Ik zag dat op, tijdens gesprek 1, het genoemde telefoonnummer van de verdachte geplaatst was in een toestel voorzien van IMEI-nummer [IMEI-nummer] , na open bronnenonderzoek gebleken, een Samsung Galaxy S
- Ik zag dat, tijdens gesprek 2, het genoemde telefoonnummer van de verdachte geplaatst was in een toestel voorzien van IMEI-nummer [IMEI-nummer] , na open bronnenonderzoek gebleken, een iPhone 4S. Ik zag dat, tijdens gesprek 3, het genoemde telefoonnummer van de verdachte geplaatst was in een toestel voorzien van IMEI-nummer [IMEI-nummer] , na open bronnenonderzoek gebleken, een iPhone 6S. Getuige [getuige 3] verklaarde op 11 november 2019 : Uiteindelijk was de relatie door [slachtoffer 3] beëindigd, maar bleef [verdachte] , met gebruik van allerlei middelen, contact met [slachtoffer 3] maken. Ik hoorde dat [verdachte] dit op de gekste manieren deed, persoonlijk, via de mail, via WhatsApp. Ook maakte [verdachte] zeer vaak contact met [D] en mij. Ik begreep van [slachtoffer 3] dat hij middels opnames, e-mails, WhatsAppgesprekken en meer middelen kon aantonen dat bovengenoemde het geval was. Door [slachtoffer 3] en door [D] was ik reeds hiervoor gewaarschuwd, want zij zeiden dat [verdachte] deze ‘bewijzen’ allemaal zelf in elkaar zet en situaties ensceneert. Door verbalisant [verbalisant 1] is onderzoek gedaan naar de laptop die tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte in beslag is genomen. Op 20 november 2019, stelde ik een onderzoek in naar een in beslag genomen notebook. Deze notebook was aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats] tijdens de doorzoeking van 30 september
- Vooraf aan deze doorzoeking was in de woning, aangehouden: [verdachte] . Ik zag in deze notebook het volgende. Ik zag tevens een brief in Pdf-formaat, gericht aan de verdachte, van de oncologische afdeling van het UMC-Utrecht. Opvallend aan de brief is echter dat deze is voorzien van een aantal fouten in de zinsopbouw. De brief van UMC-Utrecht zijn als Bijlage 7 aan dit proces-verbaal gehecht. Uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt het volgende: Ik stelde een onderzoek in naar een tablet Apple iPad, SIN AAMT8579NL. Deze was aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats] , tijdens de doorzoeking van 30 september
- De ‘kogelfoto’s. In het toestel zijn meerdere afbeeldingen aangetroffen van de foto’s die naar onder andere slachtoffer [slachtoffer 3] zijn verstuurd via WhatsApp, zoals in haar aangifte vermeld Overige stalkingsgrelateerde afbeeldingen Van de afbeeldingen die door slachtoffer [slachtoffer 3] zijn geleverd, zijn enkele aangetroffen in het toestel van de verdachte, zoals onderstaand weergegeven. Ik zag tevens losse afbeeldingen van een vriend van [slachtoffer 3] , die kennelijk zijn gebruikt voor het tonen van een vals nieuwsartikel, zoals eerder in dit onderzoek weergegeven in het proces-verbaal Tijdlijn stalking, onder documentcode 2019.09.23.
- Bewijsmotivering feit 3 – Belaging [slachtoffer 3] Beoordelingskader De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht verschillende factoren van belang zijn zoals de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De kern van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht wordt gevormd door de stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Stelselmatigheid veronderstelt een herhaling van gedragingen, zoals iemand herhaaldelijk lastigvallen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat ook een geringe duur en frequentie van de gedragingen het bestaan van de vereiste stelselmatigheid van de inbreuk niet hoeft uit te sluiten (zie HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625). De wetgever heeft voor de strafbaarheid van belaging voldoende geacht dat de dader opzet heeft gehad op zijn gedragingen. Voor het bewijs van opzet hoeft niet vast te komen staan dat het opzet ook gericht moet zijn geweest op de wederrechtelijkheid en stelselmatigheid van die gedragingen (Kamerstukken II 1997-1998, 25 768, nr. 5, p. 14-15) (zie in dit verband ook HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2138). Conclusie Vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet had op het verzenden van vele berichten, brieven- en audiobestanden. Ook parkeerde verdachte zijn auto bij het werk van aangeefster en benaderde hij haar op straat. Dat dit alles voor aangeefster indringend is geweest, blijkt uit haar aangifte en de verklaring van getuige [getuige 3] . De intensiteit van de gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af uit de frequentie van de telefoontjes, en de frequentie en inhoud van de emailberichten. Aangeefster werd gedwongen de contacten van verdachte te dulden en haar werd vrees aangejaagd. Hoewel er sprake is van een relatief korte periode waarin verdachte contact heeft gezocht met aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat – met name gelet op de verscheidenheid aan manieren waarop verdachte contact probeerde te zoeken met aangeefster – wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde belaging heeft begaan. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het aan hem tenlastegelegde aanbellen bij [slachtoffer 3] , wegens gebrek aan voldoende bewijs. De rechtbank zal partieel vrijspreken voor de periode van 30 mei 2019 tot 6 juni 2019, aangezien [slachtoffer 3] verklaard heeft dat zij zich op 5 juni 2019 nog niet belaagd voelde. 5.4 Feit 4 (16-215132-19) – Bedreiging [slachtoffer 4] 5.4.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht het onder 4 tenlastegelegde bedreigen van [slachtoffer 4] wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte met bijgevoegde screenshots en het proces-verbaal betreffende het onderzoek naar de gebruikte telefoonnummers. Ondanks de ontkenning door verdachte, acht zij ook het bedreigen door middel van het tonen van een foto waarop verdachte met een vuurwapen in zijn hand staat, wettig en overtuigend te bewijzen. 5.4.2 Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft de bedreiging van [slachtoffer 4] met de in de tenlastelegging opgenomen tekst bekend. Hij heeft ontkend aangever te hebben bedreigd door het tonen van een foto. De raadsvrouw heeft voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak bepleit. 5.4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen feit 4 – Bedreiging [slachtoffer 4] Verdachte verklaarde ter terechtzitting van 6 oktober 2020: Ik heb [slachtoffer 4] bedreigd door het sms-bericht: “[naam] en jij gaan het mee maken my onderschatten ik schiet jullie kapot ja kapot”, aan hem te sturen. Op 9 juli 2019 verklaarde aangever [slachtoffer 4]: Plaats delict: [woonplaats] Op 22 juni 2019 kreeg ik een sms. Ik zag dat het telefoonnummer [telefoonnummer] was. Ik las de tekst: "[naam] en jij gaan het mee maken my onderschatten ik schiet jullie kapot ja kapot". Ik wist direct dat het [verdachte] was. Op 20 juli 2019 verklaarde aangever [slachtoffer 4] : Plaats delict: [woonplaats] Ik ben vannacht opnieuw bedreigd door [verdachte] . Ik ben bang. Op 20 juli 2019 ontving ik van nummer [telefoonnummer] in mijn telefoon genoemd [naam] , het volgende bericht: 'Heb je iets nodig van me wat is er aan de hand vriend wist het al die tijd had ik gelijk al die tijd. Om 02.25 uur ontving ik het bericht: 'je bent gebeld door [naam] of die van mij heb het gezien je had geen contact mee toch werd er gezegd ik weet nu genoeg’. Voordat ik de bovengenoemde berichten kreeg, zag ik de profielfoto van [verdachte] bij zijn telefoonnummer van [naam] (deze naam heb ik [verdachte] in mijn telefoon gegeven) gezien. Ik zag op deze foto, [verdachte] staan met in zijn rechterhand een vuurwapen. (…) De screenshot van deze foto van [verdachte] met het wapen voeg ik toe als bijlage aan deze aangifte. De foto zag ik vannacht voor het eerst. De foto heeft er niet lang op gestaan. Ik vermoed dat [verdachte] weet dat ik zijn profiel foto's bekijk. Hij heeft er nu een andere profielfoto erop staan. Bewijsmotivering feit 4 – Bedreiging [slachtoffer 4] Gelet op het op 22 juni 2019 gestuurde bericht met de doodsbedreiging en de tijdstippen van de op 20 juli 2019 door verdachte gestuurde (spraak)berichten, concludeert de rechtbank dat verdachte opzettelijk de aandacht van aangever [slachtoffer 4] trok, zodat aangever de profielfoto, waarop verdachte te zien was met een wapen, zou opmerken. De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 4] heeft bedreigd door hem een foto met daarop een vuurwapen te tonen. Het leidt geen twijfel dat verdachte degene is op de genoemde foto; de verdediging heeft slechts betwist dat niet gesproken kan worden van het daadwerkelijk tonen van de betreffende foto. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en acht ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen. 5.5 Feit 5 (16-215132-19) – Oplichting [bedrijf 1] 5.5.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht de aan verdachte tenlastegelegde oplichting van [bedrijf 1] wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de aangifte, de verklaring van [aangeefster] en de verklaring van verdachte. Uit de aangifte zou blijken dat verdachte vervalste verzekeringspapieren had getoond, terwijl hij niet verzekerd was. Uit de verklaring van [aangeefster] blijkt dat verdachte bij het ophalen van de auto tegen haar zou hebben gezegd dat hij via zijn telefoon had betaald en hij haar daarbij een papier zou hebben getoond, waaruit dit zou moeten blijken. 5.5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspraak van oplichting bepleit. Het betreft volgens haar een civielrechtelijk geschil. Verdachte heeft nooit de intentie gehad om [bedrijf 1] op te lichten of om bewust niet te betalen. 5.5.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen feit 5 – Oplichting [bedrijf 1] Op 3 september 2019 deed [aangeefster] , namens [bedrijf 1] , aangifte. Zij verklaarde: Plaats delict: [woonplaats] , gemeente Bunschoten Mijn man en ik zijn werkzaam bij [bedrijf 1] gevestigd in [woonplaats] . Wij werden telefonisch benaderd door een persoon genaamd [verdachte] . Deze persoon gaf ons een reparatieopdracht voor zijn personenauto, zijnde een Audi A
- De volgende dag kwam [verdachte] de Audi weer ophalen. Wij hadden die dag namelijk de ruiten vervangen en daarmee aan de opdracht voldaan. Ik benaderde hem voor het betalen van het verschuldigde bedrag voor de reparatie. Dit betrof een bedrag van € 1.097,52 ex BTW. Ik zag dat [verdachte] hierop een papieren rekeningafschrift toonde, waarop ik moest opmaken dat het geldbedrag reeds was overgemaakt. Hierop gaf ik de auto af, in de veronderstelling dat [verdachte] had betaald.. Echter is het geld nooit op de bankrekening van ons bedrijf overgeschreven. Getuige [getuige 4] verklaarde op 20 mei 2020 bij de rechter-commissaris als volgt: De auto had glasschade en ook blikschade. De glasschade hebben wij gerepareerd. Het totaalbedrag wat hij moest betalen was € 1.328,-. Ik heb uitvoerig tegen mijn vrouw gezegd dat zij meneer [verdachte] moest laten betalen. Dat deed ik omdat mijn gevoel al was dat er iets niet klopte. Uit het glas-garagesysteem kwam dat hij geen dekking had. Hij zei dat hij de rekening zelf zou betalen. Op dinsdag hadden we de ruiten laten vervangen en hij heeft de auto toen opgehaald. Ik zei tegen mijn vrouw dat zij meneer [verdachte] moest laten betalen. Meneer [verdachte] zei tegen mijn vrouw dat hij had betaald via zijn telefoon. Toen ik terugkwam zag ik dat de auto van meneer [verdachte] weg was. Mijn vrouw zei dat hij via de app, via zijn telefoon, had betaald. Toen zei ik gelijk dat dat niet klopte en dat we het geld dan niet zou krijgen. Verdachte verklaarde op 6 oktober 2020 ter terechtzitting : Ik heb de auto aangeboden ter reparatie. Bewijsmotivering feit 4 - Oplichting [bedrijf 1] [aangeefster] heeft verklaard dat zij verdachte de gerepareerde auto meegaf, nadat hij haar een (papieren) rekeningafschrift had getoond, waaruit bleek dat de factuur al was voldaan. Dat [aangeefster] de auto heeft afgeven na het tonen van enig (achteraf bleek vervalst) bewijs van betaling, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 4] . Zo verklaarde [getuige 4] dat hij nadrukkelijk tegen zijn vrouw (getuige [aangeefster] ) had gezegd dat zij [verdachte] , wanneer hij zijn auto zou komen ophalen, de rekening moest laten betalen. Door [aangeefster] mede te delen dat hij had betaald, heeft verdachte zich voorgedaan als een bonafide betalende klant. Voorts heeft verdachte zijn rol willen bevestigen door – middels listige kunstgrepen – haar een vervalst bankafschrift te tonen. Hierdoor is [aangeefster] overgegaan tot het teniet doen van de openstaande schuld (het zonder daadwerkelijke betaling meegeven van de auto). 5.6 Feit 6 (16-215132-19) – primair (Marktplaats-)oplichting [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , subsidiair ten laste gelegd als verduistering 5.6.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht zowel de oplichting van [slachtoffer 6] (de koper van een partij klapstoelen die verdachte op Marktplaats aanbood) als de oplichting van [slachtoffer 5] (de koper van pallets met underlayment) wettig en overtuigend te bewijzen. Zij wijst hierbij op een uitspraak van de Hoge Raad met nummer: ECLI:NL:HR:2014:
- 5.6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Verdachte was volgens de in het dossier aangetroffen berichten voornemens het geld terug te storten. Er is geen sprake geweest van het aannemen van een valse naam of samenweefsel van verdichtsels. Hooguit levert het handelen van verdachte niet strafrechtelijke dwaling op. 5.6.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak oplichting/verduistering [slachtoffer 5] De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het enkele feit dat verdachte de pallets met underlayment niet heeft geleverd aan aangever [slachtoffer 5] onvoldoende bewijs vormt om verdachte te kunnen veroordelen voor het oplichten van [slachtoffer 5] . De rechtbank spreekt verdachte in zoverre vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde, nu evenmin sprake is van verduistering van het geldbedrag dat [slachtoffer 5] aan verdachte overgemaakt. Bewijsmiddelen feit 6 primair – Oplichting [slachtoffer 6] Aangever [slachtoffer 6] verklaarde op 28 november 2019: Op 1 september 2018 zag ik dat er via Marktplaats.nl klapstoelen werden aangeboden. Ik reageerde op deze advertentie. Over de wederpartij kan ik de volgende gegevens verstrekken: [verdachte] , [verdachte] , [rekeningnummer] , tenaamstelling bankrekening: [verdachte] . Ik wilde de partij van 347 klapstoelen aannemen. Wij kwamen we een prijs overeen van € 1.561,
- De afspraak was dat [verdachte] de klapstoelen na betaling langs zou brengen. Hierop heb ik het genoemde bedrag naar [verdachte] op 1 september 2018 overgemaakt. Op 12 oktober 2018 had ik nog steeds geen klapstoelen ontvangen en heeft [verdachte] nog steeds niets van zich laten weten hieromtrent. (…) Op 3 november 2018 vernam ik nog steeds niets van [verdachte] . Ik heb hem tevens geprobeerd telefonisch te benaderen, echter zonder resultaat. Ik besefte ik dat ik was opgelicht. Op 2 september 2019 zag ik wederom een advertentie op Marktplaats.nl, waarbij opnieuw klapstoelen werden aangeboden door [verdachte] uit [woonplaats] . Ik vermoedde dat dit om dezelfde persoon ging, vanwege de naam en de woonplaats. Ik nam contact op met [verdachte] om hem ter verantwoording te roepen voor het feit dat hij klapstoelen aanbood, terwijl hij nog steeds niet aan mij had geleverd, dan wel het geld niet had geretourneerd. Tevens gaf ik aan dat ik aangifte bij de politie had gedaan. Toen [verdachte] hierop reageerde, gaf hij aanvankelijk aan dat dit een ander persoon moest zijn, echter in een bericht hierna gaf hij aan de advertentie van Marktplaats.nl af te halen en met de leverancier overleg te hebben, zodat hij alsnog eventueel aan mij kon leveren. In de dagen die hierop volgden ben ik het contact met [verdachte] , na enkele rappels, weer kwijtgeraakt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 25 november 2019 het volgende bevonden Eerder in het onderzoek zijn tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte, onder andere Samsung Galaxy S7 Edge, onder de verdachte in beslag genomen. Ik zag dat in dit toestel een WhatsApp-gesprek tussen het slachtoffer en verdachte, over de periode tussen 2 september 2019 en 8 september
- Opgesomd hield dit gesprek het volgende in: het slachtoffer is boos op verdachte, omdat hij de klapstoelen niet heeft geleverd, terwijl het slachtoffer ziet dat verdachte gewoon weer klapstoelen aanbiedt; verdachte lijkt in eerste instantie niet te begrijpen waar dit precies over gaat; het slachtoffer laat screenshots zien om verdachte aan de koop te doen herinneren; verdachte laat in eerste aanleg weten dat hij deze persoon niet kan zijn geweest en dat hier sprake is van een toevallige situatie; vervolgens lijkt verdachte het slachtoffer te doen geloven dat er iets met de leverancier fout is gegaan en zegt hij toe contact met de leverancier op te nemen over de kwestie; verdachte laat vervolgens niets meer van zich horen; hierop eist het slachtoffer zijn € 1.561,50 op. Bewijsmotivering feit 6 primair – Oplichting [slachtoffer 6] Op grond van de aangifte van [slachtoffer 6] en het in de telefoon van verdachte aangetroffen WhatsApp-gesprek tussen aangever en verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het oplichten van [slachtoffer 6] . Verdachte heeft hierbij de valse hoedanigheid van bonafide verkoper aangenomen. Dat hij nooit van plan was de klapstoelen daadwerkelijk te leveren blijkt uit de reactie van verdachte, nadat aangever hem confronteerde toen verdachte wederom klapstoelen op internet aanbood. In eerste instantie deed verdachte alsof hij niet wist waarover het ging, vervolgens schoof verdachte het probleem af op een leverancier en uiteindelijk liet verdachte niets meer aan aangever horen. 5.7 Feiten 1 en 2 (16-017802-19) - Valsheid in geschrift brieven CBR en politie en opzettelijk gebruikmaken van deze valse brieven 5.7.1 De standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten en de raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 5.7.2 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 (16-017802-19) Verdachte heeft de onder 1 en 2 genoemde feiten begaan, hij heeft deze ondubbelzinnig bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, op grond van het bepaalde in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 oktober 2020; een proces-verbaal van aangifte [aangever 2] (CBR) d.d. 3 december 2018, genummerd PL0900-2018177752-1, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 5 tot en met 10 met bijlagen; een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 22 juni 2018, genummerd PL0900-2018177752-2, pagina’s 28 tot en met 30 met bijlagen. Bewijsoverweging Verdachte werd op 8 april 2018 aangehouden ter zake het rijden onder invloed van verdovende middelen. Uit het bloedonderzoek kwam naar voren dat er ten tijde van de aanhouding bij verdachte 313 microgram amfetamine per liter bloed aanwezig was. Hierop werd het rijbewijs van verdachte geschorst en moest verdachte een rijvaardigheidscursus volgen. Op 8 juni 2018 heeft verdachte bezwaar aangetekend tegen de rijvaardigheidscursus bij het CBR. Hierbij leverde verdachte een brief in van de politie met daarin de uitslag van het bloedonderzoek. Deze brief bleek achteraf vervalst te zijn. Voort heeft verdachte een vervalste brief van het CBR bij de politie aangeleverd inhoudende dat hij zijn rijbewijs terug moest krijgen omdat er geen verdovende middelen in zijn bloed waren aangetroffen. Verdachte heeft bekend de twee brieven te hebben vervalst en hiervan ook gebruik te hebben gemaakt. 5.8 Feit 1 (16-070071-19) – wederrechtelijk gebruik maken van identificerende persoonsgegeven [slachtoffer 7] , en feit 2 (16-070071-19) – oplichting [bedrijf 2] 5.8.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht op grond van de aangifte van [slachtoffer 7] , het onderzoek naar de gebruikte IP-adressen en het proces-verbaal waaruit blijkt dat het geld (van het krediet) op de bankrekening van verdacht is gestort, het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 5.8.2 Het standpunt van de verdediging Uit het rekeningafschrift van verdachte blijkt dat er op 23 april 2018 een bedrag van € 2.500,- is overgemaakt door [bedrijf 2] B.V. Verdachte heeft verklaard dat hij in april 2018 op eigen naam een kredietaanvraag bij [bedrijf 2] heeft gedaan. Nu hier geen onderzoek naar is gedaan, kan het alternatieve scenario – dat het geld betreft wat verdachte naar aanleiding van de kredietverstrekking op eigen naam heeft ontvangen – niet worden uitgesloten. Bij OTTO stond [slachtoffer 7] geregistreerd met daarbij de adresgegevens van verdachte. Dat door verdachte op naam van [slachtoffer 7] is besteld, kan niet op basis van het dossier worden vastgesteld. De verdediging verzoekt verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrij te spreken wegens gebrek aan voldoende bewijs. 5.8.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 (16-070071-19) Op 1 september 2018 verklaarde aangever [slachtoffer 7] : Ik doe aangifte tegen [verdachte]. Ik zag dat ik tweemaal stond geregistreerd bij het BKR. Ik zag dat dit was voor een bestelling bij de OTTO en het verstrekken van krediet door [bedrijf 2] BV. Respectievelijk was dit voor de volgende bedragen € 3.040,- en € 5.000,-. Ik zag dat bij registratie betreffende de OTTO, mijn naam en geboortedatum stonden genoemd. Echter, als adres stond vermeld de [adres] te [woonplaats] . Dus het adres van [verdachte] . Ik zag dat de registratie datum 22 juni 2018 was. Ik heb nooit goederen, facturen, aanmaningen of iets dergelijks mogen ontvangen hierover. Ik zag dat bij de registratie betreffende [bedrijf 2] , een doorlopend krediet van € 5.000,- zou zijn verstrekt. Ik heb gebeld met de fraude afdeling van de OTTO. Ik hoorde dat mij werd verteld dat het ging om een bestelling Lego. Ten behoeve voor een onderzoek stel ik de uitdraaien van het BKR ter beschikking. Uit de uitdraai van het BKR die door aangever [slachtoffer 7] bij zijn aangifte is gevoegd blijkt dat het adres van aangever op de doorlopend krediet overeenkomst staat vermeld. Hieruit blijkt ook dat een kopie van het rijbewijs van aangever als bijlage bij de kredietovereenkomst is gevoegd, evenals een salarisspecificatie op naam van aangever en een kopie van een rekeningafschrift van de ING Bank op naam van aangever waaruit zijn inkomensgegevens blijken. Verbalisant [verbalisant 4] heeft op 24 oktober 2018 het volgende bevonden: Ik zag in de informatie vertrekt door Otto BV dat het volgende IP adres gebruikt was voor de bestelling: [IP adres] . Ik zag verder dat het adres van de klant de [adres] in [woonplaats] was en dat het contact telefoonnummer dat werd opgegeven [telefoonnummer] was. De bestelling bij Otto BV is geplaatst middels het internet en het daarvoor gebruikte IP adres was [IP adres] . Zo ook de kredietaanvraag bij [bedrijf 2] , wat met hetzelfde IP adres is aangevraagd. (...) Ik zag dat het voornoemde IP adres op 17 april 2018 in gebruik was bij: Naam: [verdachte] , Adres: [adres] te [woonplaats] . Van de ING Bank kreeg ik te horen dat het rekeningnummer [rekeningnummer] geregistreerd was door: Naam: [verdachte] , geboren: [1984] . Adres: [adres] te [woonplaats] . Op dit adres staan twee personen ingeschreven, geen van hen heeft de bovenstaande personalia. Op de [adres] te [woonplaats] woont wel ene [verdachte] , geboren [1984] te [geboorteplaats] . Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 20 november 2019 het volgende bevonden: Ik stelde een onderzoek in naar een notebook merk: HP Type: Probook 470 G2 SIN-nummer: AAMT8581NL. Deze was aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats] (opengeklapt en ontgrendeld, op de bank in de woonkamer), tijdens de doorzoeking van 30 september
- Vooraf aan deze doorzoeking was in de woning, achter deze notebook, aangehouden: [verdachte]. Ik zag in de notebook een Pdf-bestand van een rekeningafschrift van ING, op naam van [slachtoffer 7] . Ik zag tevens dat er van dit Pdf-bestand een Word-bestand beschikbaar was. Het is een feit van algemene bekendheid dat een officiële instantie nooit een bewerkbaar Word-document zal verstrekken. Uit de bijlage die is gevoegd bij de vordering van benadeelde partij [bedrijf 2] B.V. blijkt dat op rekeningnummer [rekeningnummer] € 2.500,- is overgemaakt. Bewijsmotivering feiten 1 en 2 (16-070071-19) Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd, wordt door de inhoud van de bewijsmiddelen weerlegd. De rechtbank is niet van oordeel dat de politie nader onderzoek naar het alternatieve scenario had moeten doen nu hiervoor geen enkel aanknopingspunt uit het dossier naar voren komt. 5.9 Feiten 3 en 4 (16-070071-19) – Poging oplichting [bedrijf 3] en opzettelijk gebruikmaken van een vervalst geschrift 5.9.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht zowel de poging tot oplichting van [bedrijf 3] als het opzettelijk gebruikmaken van een vervalste factuur wettig en overtuigend bewezen. 5.9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak van de poging tot oplichting (feit 3) bepleit, omdat volgens haar niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om onder valse voorwendselen [bedrijf 3] te bewegen tot afgifte van de televisie. Niet is onderzocht of, zoals verdachte stelt, inderdaad van zijn Bunq-rekening € 1.800,- voor de aanschaf van de televisie is afgeschreven. Nu niet is aangetoond dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de factuur vals was, kan het opzettelijk gebruik maken van een valse factuur evenmin worden bewezen. De verdediging heeft dan ook vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde bepleit. 5.9.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Aangever [aangever 3] deed namens [bedrijf 3] [woonplaats] aangifte: Ik doe aangifte namens de [bedrijf 3] te [woonplaats] . Op 17 oktober 2018 kwam een man in de winkel. Hij overhandigde een betaalbewijs en afhaalbewijs voor een bestelde televisie, met de opmerking dat het te druk was bij de online pick-up balie. Ik ben naar de collega gelopen om te vragen op wiens naam de bon stond. Hierop antwoordde hij: “ [verdachte] ”. Deze persoon staat bij ons bekend als oplichter. (...) [verdachte] had een online factuur, online bestelbevestiging en betaalbewijs overhandigd aan de medewerker. Aan de factuur zag ik dat deze valselijk was opgemaakt. Ik zag dat het lettertype iets groter en dikker was dan het origineel. Ik zag dit ook aan de barcode en de unieke acht cijferige code. Ik zag bij de betaalwijze staan dat de bestelling via ‘IDEAL’ betaald was, maar dan wordt er op de originele factuur geen barcode afgedrukt. Ter controle bleek dat de barcode niet te scannen was. Bij het afleveradres zag ik de volgende adresgegevens: [verdachte] , [adres] , [woonplaats] . Verdachte verklaarde op 6 november 2018 : A: Ik ben ongeveer twee weken geleden naar de [bedrijf 3] geweest om mijn televisie op te halen. (…) Ik heb toen via de mail een bon afhaalbewijs gekregen om de televisie op te halen. Ik ben toen naar de parkeergarage gegaan waar het afhaalpunt is. Toen ik daar stond kwam er een jongen aan met mijn televisie. Plotseling werd die jongen gebeld en moest mijn televisie weer terug het magazijn in. Ik ben toen weggegaan. Bewijsmotivering – Feiten 3 en 4 (16-070071-19) Ter zitting verklaarde verdachte dat de € 1.800,- die hij voor de televisie had betaald, van zijn Bunq-rekening was afgeschreven en dat de politie dit had moeten onderzoeken. Hierover heeft verdachte nooit eerder verklaard. Ook heeft hij geen rekeningafschrift van de door hem bedoelde Bunq-rekening of enig ander bewijs wat zijn stelling zou moeten onderbouwen overgelegd. Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij gaat voorbij aan het verweer van de verdediging, nu dit ook overigens door de bewijsmiddelen wordt weersproken. 5.10 Feit 16-117340-19 – Gebruik maken van een vals APK-keuringsrapport 5.10.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht het opzettelijk gebruik maken van een valselijk opgemaakt keuringsrapport wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] en de verklaring van getuige [getuige 5] . 5.10.2 Het standpunt van de verdediging De handtekening van getuige [getuige 5] , degene die de keuring van de auto zou hebben verricht, is niet vergeleken met de handtekening op het APK-keuringsrapport. Daarmee kan niet worden vastgesteld of het keuringsrapport vals is. Mocht dit komen vast te staan, dan kan niet worden bewezen dat verdachte ook daadwerkelijk wist dat het rapport vals was of dat hij dit had moeten weten. 5.10.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen 16-117340-19 Verdachte verklaarde op 1 mei 2019 : A: Er is al door een agent tegen mij gezegd dat mijn auto niet gekeurd was. Ik heb hem toen later een papier hiervan laten zien. Verbalisant [verbalisant 5] verklaarde over de aanhouding van verdachte: Op 1 mei 2019 hielden wij op de locatie Nijkerkerweg, Barneveld, als verdachte aan; [verdachte] . Volgens de politiesystemen was van de auto waarin de verdachte reed voorzien van kenteken [kenteken] , de APK verlopen op 16-11-
- Verdachte had collega verbalisant [politieambtenaar] een kopie van een APK keuringsrapport overhandigd waarop was te lezen dat genoemde auto op 13 december 2018 bij [bedrijf 6] in [woonplaats] was gekeurd. Getuige [getuige 5] heeft op 1 mei 2019 verklaard: Ik ben eigenaar van [bedrijf 6] . Ik heb gezocht in mijn systemen op het kenteken [kenteken] . Ik kan deze op geen enkele wijze terugvinden. Niet op de site van de VWE en ook niet op de site van het RDW. Als ik deze auto gekeurd zou hebben, moet ik deze ten alle tijden terug kunnen vinden in de systemen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 20 november 2019 het volgende bevonden: Ik stelde een onderzoek in naar een notebook merk: HP Type: Probook 470 G2 SIN-nummer: AAMT8581NL. Deze was aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats] (opengeklapt en ontgrendeld, op de bank in de woonkamer), tijdens de doorzoeking van 30 september
- Vooraf aan deze doorzoeking was in de woning, achter deze notebook, aangehouden: [verdachte]. Ik zag in de notebook twee PDF-documenten. Deze documenten betroffen een leeg, niet ingevuld APK-keuringsrapport en een ingevuld APK-keuringsrapport, wat de indruk wekte dat een personenauto van het merk Mercedes, type CLK, voorzien van kenteken [kenteken] , op 13 december 2018 was goedgekeurd door keuringsinstantie [bedrijf 6] , gevestigd in [woonplaats] . In de politieregisters zag ik dat de verdachte in Barneveld op 1 mei 2019, onder registratienummer PL0600-2019189466, was aangehouden. Tijdens dit onderzoek werd het genoemde APK-keuringsrapport door de politie aangetroffen en bleek uit onderzoek de verdenking dat deze vals was opgemaakt (…). Ik zag dat het rapport wat ik aantrof in de notebook op basis van bovenstaande bevindingen, het rapport van het laatstgenoemde onderzoek betrof. Bewijsoverweging - Gebruik maken van een vals APK-keuringsrapport Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat de auto niet is gekeurd op 13 december 2018 door keuringsinstantie [bedrijf 6] Dat het rapport vals is, is hiermee vast komen te staan. Dat verdachte dit wist leidt de rechtbank af uit het feit dat op de laptop van verdachte zowel een leeg keuringsrapport is aangetroffen, alsmede het rapport dat hij op 1 mei 2019 aan de politie heeft getoond. 5.11 16-147151-20 – Enkelband 5.11.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie acht op basis van de aangifte en foto’s in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 april 2020 de enkelband heeft vernield. 5.11.2 Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft verklaard de enkelband af te hebben gedaan en zegt de band daarbij niet te hebben beschadigd, onbruikbaar- of weggemaakt. Voor het beschadigen en onbruikbaar maken van de enkelband bestaat volgens de raadsvrouw onvoldoende bewijs. Het wegmaken omvat ook het onttrekken aan het doel van de enkelband en dit kan volgens haar wel worden bewezen. 5.11.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Verdachte verklaarde ter terechtzitting : U houdt mij voor dat ik op 13 april 2020 mijn enkelband in Baarn zou hebben afgedaan. Dat klopt. Op 26 mei 2020 deed [aangever 4] aangifte namens de Dienst Vervoer en Ondersteuning: Ik doe aangifte van vernieling van een strap van een GPS 1-Piece enkelband. Dit feit is gepleegd op of omstreeks: 13 april
- De aangifte richt zich tegen deelnemer: [verdachte] , [verdachte] . Zie getekende concept aangifte. Uit de als bijlage bij de aangifte gevoegde conceptaangifte blijkt het volgende: De aangesloten en achtergelaten apparatuur is eigendom van Dienst Vervoer en Ondersteuning. Tijdens het om- en aansluiten was deze apparatuur onbeschadigd. De strap van de enkelband is vernield door de deelnemer. Betrokkene verklaart de clipjes te hebben losgemaakt. Betrokkene heeft de enkelband met transponder in een tasje gedaan en deze in de omgeving van station Baarn verstopt. De aangebrachte enkelband kan niet door een deelnemer zelfstandig worden verwijderd, zonder de band te beschadigen. Bewijsoverweging De rechtbank acht op grond van de verklaring van verdachte en de (concept)aangifte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de strap van de enkelband heeft beschadigd en dat hij de enkelband heeft weggemaakt. 6BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 16-215132-19
- op tijdstippen in de periode gelegen tussen 8 januari 2019 en 17 april 2019 te Amersfoort, meermalen telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, telkens één medewerker van UPS heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten (telkens) één of meerdere pakketten inhoudende (merk)kleding en/of schoenen, door die pakketten te bestellen (met afleveradres: [adres] te [woonplaats] ) met gebruikmaking van de Cash on Delivery-dienst van UPS en bij bezorging van die pakketten aan die voornoemde medewerkers van UPS te vertellen dat het verschuldigde bedrag voor die pakketten reeds was voldaan en daarbij één of meerdere valse bankafschriften en/of email-berichten en/of orderbevestigingen en/of facturen te tonen;
- op tijdstippen in de periode gelegen tussen 14 mei 2018 en 2 juli 2018 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk of Amersfoort, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld te weten: €25.000 op 23-5-2018 en €12.000 op of omstreeks 23-6-2018 en €15.000 op 2-7-2018 (in totaal ongeveer 52.000 euro), dat geheel of ten dele aan die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorde, door - die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] één of meerdere malen mondeling en/of middels tekstbericht de woorden toe te voegen; 'ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen' en 'je moet achter je blijven kijken, we volgen je, mijn mannen zijn altijd bij je in de buurt' en 'ik zorg dat je in een rolstoel terecht komt' en 'ik blaas je gevel eruit' en 'je vrouw is overdag alleen thuis toch?' althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en - die [slachtoffer 2] mondeling en/of middels tekstbericht de woorden toe te voegen; “de jongens pikken dit niet” en/dat het Joegoslaven zijn die hun eigen moeder nog zouden vermoorden als het moet en/of dat die jongens bij hen zouden langskomen en“we komen wel een bakkie doen” en/of woorden van gelijke dreigende aard of strekking; En op tijdstippen in de periode gelegen tussen 14 mei 2018 en 2 juli 2018 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk en/of Amersfoort althans in Nederland, (telkens) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten (telkens) tot afgifte van een hoeveelheid geld te weten: €25.000 op 23-5-2018 en €12.000 op of omstreeks 23-6-2018 en €15.000 op 2-7-2018 (in totaal ongeveer 52.000 euro), dat geheel of ten dele aan die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorde, door - die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] één of meerdere malen mondeling en/of middels tekstbericht de woorden toe te voegen; 'ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen' en'je moet achter je blijven kijken, we volgen je, mijn mannen zijn altijd bij je in de buurt' en'ik zorg dat je in een rolstoel terecht komt' en' ik blaas je gevel eruit' en'je vrouw is overdag alleen thuis toch?' althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en - die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] één of meerdere malen mondeling en/of middels tekstbericht de woorden toe te voegen; “de jongens pikken dit niet” en/ dat het Joegoslaven zijn die hun eigen moeder nog zouden vermoorden als het moet en/of dat die jongens bij hen zouden langskomen en “we komen wel een bakkie doen” en/of woorden van gelijke dreigende aard of strekking; - die [slachtoffer 2] één of meerdere malen mondeling en/of middels tekstbericht de woorden toe te voegen; dat hij, verdachte, de bandopnames openbaar zal maken als er niet betaald wordt en dat de aangevers (voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ) hierdoor alles kwijt zouden raken en daaraan toe te voegen dat “op opdracht geven sowieso al 5 jaar staat” en “je kan het netjes met mij oplossen en dan krijgt hij de opnames ook nog” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
- op tijdstippen in de periode gelegen tussen 6 juni 2019 en 1 augustus 2019 te Amersfoort, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door ( (meermalen) voornoemde op straat te benaderen en aan te spreken en ( (meermalen) te bellen naar voornoemde en ( foto’s waarop voornoemde naakt is afgebeeld te versturen naar voornoemde en/ ( (meermalen) brieven en kranten artikelen en/documenten te versturen naar voornoemde en(meermalen) telefonisch (per whatsapp en/of sms) (video/audio)berichten te versturen naar voornoemde en ( (meermalen) via social media (video/audio)berichten te versturen naar voornoemde en(meermalen) email-berichten te versturen naar voornoemde en(meermalen) zich op te houden en te parkeren bij of in de nabijheid van het werkadres van die voornoemde met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te dulden.
- op tijdstippen in de periode gelegen tussen 22 juni 2019 en 20 juli 2019 te Amersfoort, althans in Nederland, (meermalen) [slachtoffer 4] heeft bedreigd (telkens) met enig misdrijf tegen het leven gericht , door één (whatsapp/sms) bericht en afbeelding naar voornoemde te sturen, inhoudende; " " [naam] en jij gaan het mee maken my onderschatten ik schiet jullie kapot ja kapot", en " een afbeelding van een hand met een vuurwapen;
- op tijdstippen in de periode gelegen tussen 23 juni en 25 juni 2019 te Bunschoten-Spakenburg, gemeente Bunschoten, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid endoor listige kunstgrepen endoor een samenweefsel van verdichtsels, (een medewerker van) [bedrijf 1] heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, te weten een openstaande rekening (inhoudende een verschuldigde bedrag van in totaal 1097,52 euro exclusief BTW) door zijn (verdachtes) personenauto (Audi A3) aan te bieden ter reparatie bij die [bedrijf 1] en(nadat aan die reparatie-opdracht was voldaan) aan een medewerker van die [bedrijf 1] te vertellen dat het verschuldigde bedrag voor de reparatie reeds was voldaan en(daarbij) een vals rekeningafschrift te tonen;
- primair op tijdstippen in de periode gelegen tussen 1 september 2018 en 18 september 2018 te Amersfoort (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (in elk geval 1561,50 euro) door op het internet, te weten op de website www.markplaats.nl, één advertentie te plaatsen waarin goederen (waaronder; stoelen ) te koop werden aangeboden en(vervolgens) met die voornoemde persoon via marktplaats.nl contact te onderhouden en afspraken te maken over de wijze van levering van de goederen en betaling van de aangeboden goederen en daarbij toe te zeggen dat deze goederen (na ontvangst van betaling) zouden worden geleverd op het afgesproken adres en daarbij een bankrekening te weten: [rekeningnummer] ten name van [verdachte] door te geven waarop het te betalen aankoopbedrag kon worden overgeboekt en over welke rekening hij, verdachte de beschikking had en daarbij zich voor te doen als bonafide verkoper van die goederen en de indruk en het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen (na betaling) daadwerkelijk zou leveren;
- op tijdstippen in de periode gelegen tussen 3 juli 2018 en 5 april 2019 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk of Amersfoort althans in Nederland, (telkens) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend - die [slachtoffer 1] geluidsfragmenten heeft gestuurd inhoudende martelgeluiden en/of “Harder, harder slaan, harder, hoor je dat [slachtoffer 1] ? Dat gebeurt er met jou ook. Dat heb je met mensen die hun bek voorbij praten. Nog wel lekker geslapen vannacht? Neem contact op” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en die [slachtoffer 2] mondeling of middels tekstbericht de woorden toegevoegd: “ [slachtoffer 1] heeft zijn mond voorbij gepraat we komen langs” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking endie [slachtoffer 1] één of meerdere malen mondeling de woorden toegevoegd: “als je niet komt roei ik je gezin uit” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; parketnummer 16-017802-19
- op tijdstippen in de periode van 6 juni 2018 tot en met 20 juni 2018 te Amersfoort, althans in Nederland, meermalen, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een brief van het CBR van 18 juni 2018 (bijlage 1) heeft vervalst door valselijk en in strijd met de waarheid te vermelden dat de schorsing van het rijbewijs van de heer [verdachte] per direct opgeheven dient te worden, en een brief van de Politie van 13 juni 2018 (bijlage 4), heeft vervalst door valselijk en in strijd met de waarheid te vermelden dat er geen stoffen (zoals alcohol en/of drug en/of geneesmiddelen) in het bloed van de heer [verdachte] zijn aangetroffen en dat er geen proces-verbaal zal worden opgemaakt tegen de heer [verdachte] en dat de zaak tegen de heer [verdachte] geseponeerd is, met het oogmerk om voorgenoemde geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
- op meer tijdstippen in de periode van 18 juni 2018 tot en met 19 juni 2018 te Amersfoort en/of te Rijswijk, meermalen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door een valse, brief van het CBR van 18 juni 2018 (bijlage 1) te verstrekken aan politieagent [verbalisant 3] , en een valse, brief van de Politie van 13 juni 2018 (bijlage 4) op te sturen aan het CBR, en bestaande die valsheid daarin dat, in de brief van het CBR valselijk en in strijd met de waarheid stond vermeld dat de schorsing van het rijbewijs van de heer [verdachte] per direct opgeschort dient te worden, en in de brief van de Politie valselijk en in strijd met de waarheid stond vermeld dat er geen stoffen (zoals alcohol en/of drugs en/of geneesmiddelen) in het bloed van de heer [verdachte] zijn aangetroffen en dat er geen proces-verbaal zal worden opgemaakt tegen de heer [verdachte] en dat de zaak tegen de heer [verdachte] geseponeerd is; parketnummer 16-070071-19
- in de periode van 17 april 2018 tot en met 22 juni 2018 te Amersfoort, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten naam en geboortedatum en adres en salarisspecificatie en inkomensgegevens van [slachtoffer 7] heeft gebruikt door deze gegevens in te voeren en op te geven bij een kredietaanvraag en stukken (waaronder een kopie van het rijbewijs van [slachtoffer 7] ) naar de kredietgever op te sturen en goederen op naam van [slachtoffer 7] te bestellen bij een winkel (Otto) met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen ende identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
- op of omstreeks 17 april 2018 te Amersfoort, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en listige kunstgrepen [bedrijf 2] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het aangaan van een schuld, te weten het verlenen van een krediet en/of het afgeven van een of meerdere geldbedragen, door een kredietaanvraag te doen en op/in het aanvraagformulier de gegevens op te geven van een ander, te weten [slachtoffer 7] en bij die kredietaanvraag stukken aan te leveren ter onderbouwing van de aanvraag zoals een kopie van het rijbewijs en een salarisspecificatie van een ander, te weten [slachtoffer 7] ;
- op 17 oktober 2018 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de [bedrijf 3] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een televisie, een (vervalste) factuur en(vervalst) betaal- en afhaalbewijs heeft overhandigd aan een medewerker van de [bedrijf 3] en (vervolgens) heeft aangegeven dat het bij de online pick up te druk was terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 op 17 oktober 2018 te Amersfoort opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een factuur en een bestelbevestiging en een betaalbewijs als ware het echt en onvervalst, door dit betaalbewijs/factuur/bestelbevestiging te overhandigen aan een medewerker van de [bedrijf 3] ; parketnummer 16-117340-19 op 1 mei 2019 te Barneveld, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, door een vals APK-keuringsrapport van 13 december 2018 te tonen aan politieambtenaar [politieambtenaar] , en bestaande die valsheid daarin dat, in voornoemd keuringsrapport valselijk en in strijd met de waarheid staat vermeld dat het voertuig met het kenteken [kenteken] op 13 december 2018 is goedgekeurd; parketnummer 16-147151-20 op 13 april 2020 te Baarn, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk (de strap van) een enkelband met transponder, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Dienst Vervoer en Ondersteuning toebehoorde, heeft beschadigd en weggemaakt; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 7STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 16-215132-19 oplichting, meermalen gepleegd; afpersing, meermalen gepleegd; belaging; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd; oplichting; primair: oplichting; bedreiging met misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling 16-017802-19 De voortgezette handeling van: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd; opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; 16-070071-19
- opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan;
- oplichting; en de voorgezette handeling van:
- poging tot oplichting;
- opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst; 16-117340-19 opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst; 16-147151-20 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en wegmaken. 8STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht; aan verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van verdachte op te leggen voor de duur van 5 jaren, inhoudende dat hij gedurende die periode geen contact legt of laat leggen met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] ; het gelasten van openbaarmaking van dit vonnis na onherroepelijk worden daarvan met vermelding van de personalia van verdachte. 9.2 Het standpunt van de verdediging Wanneer de straffen die verdachte voor alle feiten tezamen zou kunnen krijgen worden opgeteld, dan wordt hooguit op 3 á 3,5 jaar gevangenisstraf uitgekomen en niet op de 5 jaar, zoals door de officier van justitie is geëist. Bovendien moet rekening worden gehouden met de samenloop-bepalingen. Niemand heeft er voordeel bij wanneer verdachte langdurig komt vast te zitten. De kans is zelfs groot dat hij als een slechter mens na detentie weer naar buiten komt. De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak voor de meest ernstige aan verdachte tenlastegelegde feiten, verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, met een beroep op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd Afpersing Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan 15 strafbare feiten. Het meest ernstige feit betreft het, gedurende een periode van zes weken, afpersen van een hoveniers-echtpaar. Aangever en zijn vrouw ondervonden last van een andere hovenier en hadden – via een derde – verdachte bereid gevonden deze hovenier ‘bang’ te maken. Aangevers hebben zich daardoor aanvankelijk ingelaten met praktijken die zonder meer afkeurenswaardig zijn. Verdachte heeft echter zijn kans schoon gezien om vanwege de onbetamelijkheid van dit verzoek, de aangevers vervolgens af te persen, juist ook op het moment dat die zich wilden terugtrekken en niet verder wilden gaan met hun eigen verwijtbare gedragingen. De keuze om dit te doen is geheel aan verdachte toe te rekenen. Verdachte bezocht de slachtoffers, stuurde middels stemvervormingsapparatuur gemaakte berichten en belde hen. Hij joeg hen angst aan met teksten als “ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen” en “je moet achter je blijven kijken, we volgen je, mijn mannen zijn altijd bij je in de buurt” en “ik zorg dat je in een rolstoel terecht komt” en “ik blaas je gevel eruit” en “je vrouw is overdag alleen thuis toch?” Uiteindelijk hebben de slachtoffers ruim € 50.000, aan verdachte overhandigd. Na de afpersing heeft verdachte de aangevers nog enige tijd bedreigd. Kennelijk heeft de verdachte zich louter laten leiden door de zucht naar ‘snel geld’, waarmee hij bovendien blijk heeft gegeven van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen. Ter terechtzitting is verdachte zijn betrokkenheid blijven ontkennen en heeft daarmee geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen getoond. Feiten als deze plegen de rechtsorde ernstig te schokken en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving te versterken. Hoezeer de slachtoffers hebben geleden door het handelen van verdachte blijkt ook uit de ter zitting door aangever [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring. Hij en zijn vrouw hebben vanwege de afpersing en bedreiging door verdachte onder andere beveiligingscamera’s aangeschaft om zich in hun eigen huis enigszins veilig te voelen. De rechtbank houdt er bij het bepalen van de straf rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop tussen de bewezenverklaarde afpersing (de zogenoemde gekwalificeerde specialis) en dwang, die ook aanleiding heeft gegeven om feit 2 enkelvoudig te kwalificeren tot afpersing. Bedreigingen Naast deze twee slachtoffers heeft verdachte ook nog aangever [slachtoffer 4] , die vroeger een vriend van verdachte was, bedreigd met de dood. Ook deze aangever heeft zich hierdoor bedreigd gevoeld. De ervaring leert dat slachtoffers van (doods)bedreigingen angstig (kunnen) worden en zich niet meer vrij voelen te gaan en te staan waar zij willen. Belaging Verdachte heeft ook op indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vriendin, door haar te belagen. Hij belde en appte haar, ging bij haar werk langs en stuurde brieven. Dit alles deed verdachte om contact met aangeefster af te dwingen. Hij leek zich dan ook niet bij de breuk tussen beiden neer te kunnen leggen. Feiten als het onderhavige worden door slachtoffers (doorgaans) bovendien als beangstigend en bedreigend ervaren. Oplichtingen en misbruik van persoonsgegevens Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting van [bedrijf 3] door met een vals betaal- en ophaalbewijs (wat tevens leidt tot de veroordeling voor valsheid in geschrift) te proberen om een televisie zonder betaling mee te krijgen. Door een oplettende medewerker kon dit echter worden voorkomen. Naast deze poging tot oplichting heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het oplichten van UPS. Hij kocht dure designerkleding onder rembours. Zodra bezorgers van UPS aan de deur kwamen, en verdachte diende te betalen, liet hij weten al te hebben betaald en toonde daarbij onder meer vervalste rekeningafschriften. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte dit in een periode van ruim drie maanden zo’n 19 keer heeft gedaan. Voorts heeft verdachte een autoschadebedrijf opgelicht, door met een vals bankafschrift een medewerker te laten geloven dat hij de onkosten reeds had voldaan, waarop hij zijn auto zonder te betalen, mee kreeg. Tenslotte heeft verdachte een kredietverstrekker opgelicht en deze bewogen tot de afgifte van geld door misbruik van persoonsgegevens. Verdachte is bij het oplichten van zijn slachtoffers op zeer geraffineerde wijze te werk gegaan en heeft louter gehandeld uit winstbejag. Op de laptop van verdachte zijn meerdere valse documenten aangetroffen, waaronder rekeningafschriften, een vals rijbewijs en valse brieven. Ook had verdachte thuis de beschikking over een kassabonnenprinter. Verdachte heeft enkel (deels) voor het oplichten van UPS verantwoordelijkheid genomen, maar niet voor de andere feiten, en de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Valsheid in geschrift en opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften Verdachte heeft – nadat hij een brief van de politie en een brief van het CBR valselijk had opgemaakt – ook opzettelijk gebruik van deze brieven gemaakt. Hij probeerde zo zijn geschorste rijbewijs, wat was geschorst omdat verdachte met drugs op achter het stuur zat, terug te krijgen. Ook heeft verdachte opzettelijk gebruik gemaakt van een vals opgemaakt APK-keuringsrapport, door dit aan de politie bij een controle te tonen. Verdachte is niet het verwijt gemaakt ook dit geschrift zelf te hebben vervalst. Wel is het opmerkelijk te noemen dat op zijn laptop het valse keuringsrapport en een leeg keuringsrapport zijn aangetroffen. Ter terechtzitting heeft verdachte geen blijk gegeven inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen. Hij wilde zijn kind zien en had daarvoor zijn rijbewijs nodig. Dat zijn rijbewijs in het kader van de verkeersveiligheid was geschorst, lijkt hem er in elk geval niet van te weerhouden strafbare feiten te plegen. Verdachte laat door het plegen van deze feiten zien dat hij de overheidsregels niet respecteert. De rechtbank houdt rekening met het bepaalde in artikel 56 lid 2 Sr, op grond waarvan het gebruik van door de dader zelf vervalste/valselijk opgemaakte documenten wordt aangemerkt als een voortgezette handeling. Beschadiging en wegmaken enkelband Op 8 april 2020 werd bij verdachte in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een enkelband aangesloten. Op 13 april 2020 heeft verdachte zijn enkelband afgedaan door de ‘strap’, waarmee deze vast zat, te beschadigen. Vervolgens heeft hij de enkelband verstopt. Door het plegen van dit feit heeft verdachte laten zien dat hij zich niet aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden kon houden. Ook heeft verdachte wederom laten zien geen respect voor andermans eigendommen te hebben. De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van: - een uittreksel Justitiële documentatie van 5 juni 2020 (het strafblad): Uit het uittreksel blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld. Het strafblad van verdachte beslaat tien pagina’s. De eerste veroordeling was in 2002 en betrof een boete wegens verstoring van de openbare orde en bedreiging. In 2004 kreeg verdachte zes jaar gevangenisstraf opgelegd (hij zou daarvan 4 jaar gedetineerd zitten) voor het medeplegen van een poging tot doodslag; - een Pro Justitia rapport, van 2 december 2019, opgemaakt door dr. I.F.F.M. Elzakkers, psychiater. De psychiater heeft – kort samengevat – het volgende gerapporteerd: “Betrokkene is sterk gepreoccupeerd met zijn onschuld en frustratie over de rechtsgang. Betrokkene ziet de zin niet van kijken naar het verleden om op die manier beter te begrijpen hoe hij is geworden wie hij nu is. (…) Betrokkene noemt meermaals dat hij niet wil worden weg gezet als ‘een mongool’ en hij meent dat dit met name door het verslag van de reclassering uit 2012, waar de onderzoeker uit citeert, wel is gebeurd. In het advies van de reclassering uit 2012 wordt verwezen naar een Pro Justitia rapportage uit 2004, welke niet meer beschikbaar is voor de huidige onderzoeker. De beschrijvende diagnose in dit rapport, waarin de reclassering in 2012 betrokkene herkent, luidt als volgt: “Een intellectueel beneden gemiddeld niveau functionerend, prikkelbare, impulsieve en psychisch wat zwak gestructureerde man met een gebrekkig ontwikkelde identiteit, waarbinnen een perfecte uiterlijke verschijning en materiele welvaart de belangrijkste pijlers zijn. Hij heeft een kinderlijk zelfbeeld, wil alles kunnen kopen en hebben. Weinig emotionele diepgang en binding. Relationeel gehandicapt. Frustraties bij ontbreken materie, hij wordt dan boos. Negatieve gevoelens kan hij niet kanaliseren. Hij verdringt die gevoelens door zijn gebruik, maar bij teveel negatieve gevoelens en drugs leidt dit tot een omgekeerd effect.” (…) De ontkenning komt over alsof betrokkene het zelf in ieder geval gelooft. Mocht hetgeen in het proces verbaal staat kloppen (en hier gaat de onderzoeker vanuit), dan is dit een aanwijzing dat er een primitief afweermechanisme, namelijk loochening, speelt bij betrokkene. Het contact met betrokkene is oppervlakkig en verdiept zich niet. De intelligentie is eerder beschreven als verlaagd. In het huidige onderzoek is dit niet getest. De inschatting aangaande de intelligentie is dan ook gemiddeld of laag gemiddeld. Diagnostiek is onvoldoende mogelijk gebleken in dit ambulante onderzoek vanwege gebrekkige medewerking van betrokkene naar het onderzoek aan zijn persoon. Een goed gefundeerde uitspraak aangaande diagnostiek kan dan ook niet met voldoende betrouwbaarheid worden gedaan. Met enige zekerheid kan wel gezegd worden dat betrokkene niet psychotisch imponeert. Op basis van de collaterale informatie die wel beschikbaar is uit de stukken en uit de korte indruk die de onderzoeker heeft gekregen van betrokkene, zou nader onderzoek naar het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis aangewezen zijn. Ook nader onderzoek naar het bestaan van een verstandelijke beperking zou aangewezen zijn, daar betrokkene in het verleden begeleid is door MEE en door De Kei, beiden bedoeld voor mensen met een verstandelijke beperking. De informatie uit de beschikbare stukken geven de onderzoeker aanleiding om te vermoeden dat er sprake is van psychopathologie en dat het risico op recidive hoog is. Gezien het gebrek aan medewerking is een adequate risico taxatie echter niet mogelijk. Ook interventies om het risico op recidive te verminderen kunnen niet geadviseerd worden in verband met het ontbreken van een duidelijk beeld van de persoon van betrokkene. Om meer zicht te krijgen op de persoon van betrokkene en de mogelijkheden het recidive risico te verminderen door behandeling geeft de onderzoeker de rechtbank ter overweging mee betrokkene klinisch te laten observeren in het Pieter Baan Centrum.” - een Pro Justitia rapport van 24 november 2019, opgemaakt door dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog. Het rapport houdt – kort samengevat – het volgende in: “Op basis van het korte contact met betrokkene kan weinig gezegd worden over de persoon van betrokkene. (…) In beide korte gesprekscontacten zijn geen aanwijzingen gezien voor psychotische symptomen zoals wanen of hallucinaties.” - een ‘advies elektronische controle’ van 20 maart 2020, opgemaakt door R. Kwint; - een reclasseringsrapport van 23 maart 2020, opgemaakt door B.J. Morre. Het rapport houdt – kort samengevat – het volgende in: “Betrokkene neemt in de ogen van de reclassering onvoldoende verantwoordelijkheid voor de hem ten laste gelegde feiten. (…) De reclassering is slechts beperkt op de hoogte van de (persoonlijkheids)problematiek van betrokkene. Niettemin heeft de reclassering het advies van het Ambulant Centrum van Fivoor ontvangen om betrokkene aan te melden voor een ambulant behandeltraject bij een forensische polikliniek. Daarbij dient te worden ingestoken op diagnostiek van middelenmisbruik en persoonlijkheidsonderzoek. De behandeling zou kunnen worden gericht op het bevorderen van de copingvaardigheden en stressregulatie. Het sociaal-maatschappelijk functioneren van betrokkene maakt een instabiele indruk op de reclassering. In hoeverre het bedrijf van betrokkene levensvatbaar is na detentie, is onduidelijk. Voorts blijkt uit het onderzoek dat betrokkene vanwege zijn huidige detentie in (mogelijk nog grotere) financiële problemen terecht is gekomen. Betrokkene kan verblijven op het adres van zijn nieuwe partner, echter kan hij zich hier in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) niet inschrijven. In navolging van dit verzoek adviseert GGZ Reclassering Fivoor om enkel schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen onder de voorwaarden van een contact- en locatieverbod met de vier aangevers, waarbij betrokkene dient mee te werken aan elektronische controle op dit gebied. Eveneens adviseert de reclassering om betrokkene hierbij vanwege de hoge kans op recidive een gebiedsgebod op te leggen. Op basis van het eerder vermelde behandeladvies, adviseert de reclassering om betrokkene voorts een verplicht contact met een forensische polikliniek op te leggen, waarbinnen betrokkene dient mee te werken aan een diagnostiek- en (hieruit voortvloeiend) behandeltraject. Wij zien voldoende aanknopingspunten om betrokkene hierbij een meldplicht bij de reclassering op te leggen. De reclassering kan hiermee toezicht houden op de geïndiceerde interventies en de contact- en locatieverboden. Eveneens kan de aandacht binnen dit begeleidingstraject uitgaan naar het stabiliseren van zijn sociaal-maatschappelijke positie. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.” - een ‘advies voortijdige negatieve beëindiging toezicht’ van 14 april 2020, opgemaakt door A. Stok. Het rapport houdt – kort samengevat – het volgende in: “Ten tijden van het schrijven van het reclasseringsadvies liet betrokkene een ambivalente houding zien ten opzichte van het reclasseringstoezicht en de daarbij horende bijzondere voorwaarden. Betrokkene werd sinds 8 april 2020 gecontroleerd middels elektronisch controle (enkelband) maar heeft deze na vijf dagen verwijderd op 13 april. Op 14 april betuigde betrokkene aan de reclassering spijt en benoemde dat hij nu wel gemotiveerd is voor een klinische behandeling en behandeling gericht op zijn gedrag. (…) De reclassering is van mening dat betrokkene onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden. Wij adviseren om over te gaan op een opheffing schorsing. Er is een patroon waarneembaar in de delicten die betrokkene pleegt en zijn instabiele leefomstandigheden. De kans op recidive blijft onverminderd groot, zolang betrokkene zich niet begeleidbaar opstelt voor het stabiliseren van zijn leefomstandigheden waardoor de kans op recidive wordt teruggedrongen.” De rechtbank kan zich vinden in het beeld dat door de rapporteurs over verdachte wordt geschetst. Ook zij ziet ter zitting een verdachte die, ondanks het bewijs dat tegen hem spreekt, geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. De rechtbank heeft verdachte horen verklaren dat er niets mis is met hem en dat hij geen hulp nodig heeft. Verdachte heeft dan ook geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. De rechtbank ziet vanwege het voorgaande dan ook geen mogelijkheid het hoge recidiverisico middels (bijzondere) voorwaarden te verlagen. De rechtbank zal om deze reden geen voorwaardelijk strafdeel aan verdachte opleggen en slechts overgaan tot het opleggen van een kale gevangenisstraf. De hoop is dat verdachte – mede nu hij ter zitting heeft aangegeven dat detentie hem zwaar valt en dat dit een les voor hem is – hierdoor in de toekomst afziet van het plegen van strafbare feiten. Artikel 63 De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 31 augustus 2018 door de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld tot een geldboete van € 850,- (subsidiair 17 dagen hechtenis) en tot zes maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk. Straf Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Vrijheidsbeperkende maatregelen Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten, naast de gevangenisstraf, een vrijheidsbeperkende maatregel moet worden opgelegd voor de duur van vijf jaren, inhoudende dat verdachte geen contact legt of laat leggen met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] . Wanneer verdachte het contactverbod overtreedt, zal hem vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van (telkens) 7 dagen per overtreding, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Dadelijke uitvoerbaarheid Een rechterlijke uitspraak mag in de regel pas ten uitvoer worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden. De in artikel 38v lid 2 op te leggen vrijheidsbeperkende maatregelen kunnen voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen hebben In het onderhavige geval acht de rechtbank dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel aangewezen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens bepaalde personen. Gebleken is dat verdachte in staat is om vasthoudend te zijn in zijn grensoverschrijdend gedrag naar personen. Dat te verwachten is dat verdachte zich in de toekomst wederom belastend zal gedragen tegenover personen, leidt de rechtbank af uit het door de reclassering als hoog ingeschatte recidiverisico en het feit dat verdachte niet open staat voor behandeling en hulpverlening. De rechtbank zal daarom bevelen dat de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Verzoek publicatie vonnis Verdachte is nog niet eerder onherroepelijk voor oplichting veroordeeld. Hem moet de kans worden geboden om te laten zien dat deze gevangenisstraf hem er in de toekomst van zal weerhouden om wederom de fout in te gaan. Hoewel de rechtbank dus wel degelijk een gevaar voor herhaling ziet, voor wat betreft het oplichten en afpersen van derden, zal de rechtbank het verzoek tot het gelasten van openbaarmaking van dit vonnis (met vermelding van de personalia van verdachte), vanwege het op dit moment ontbreken van recidive voor oplichting, afwijzen. 10BESLAG De verdediging heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen goederen. Het verzoek betreft teruggave van telefoons, tablet, laptop, home-cinema-set, jassen en schoenen. De rechtbank zal overgaan tot het verbeurdverklaren van alle voorwerpen die aan verdachte toebehoren en met behulp waarvan hij de bewezen verklaarde feiten heeft begaan. Dit komt neer op