← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:4674

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/1924 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai). Procesverloop Bij besluit van 11 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 2 december 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. De WW-uitkering is gebaseerd op een dagloon van € 69,

  1. Bij besluit van 17 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 9 september
  2. Eiser was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding
  3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser was sinds november 2008 werkzaam als producent van meeneemheftrucs bij [bedrijf] . Op 1 oktober 2017 heeft eiser ontslag genomen. In de periode van oktober 2017 tot en met mei 2018 heeft eiser een sabbatical gevolgd. Daarna heeft eiser tot en met oktober 2018 mantelzorg verleend voor zijn vader. Vanaf november 2018 tot en met augustus 2019 heeft hij in de horeca gewerkt. In de maanden september 2019 tot en met november 2019 heeft hij tijdelijk bij zijn oud-werkgever [bedrijf] gewerkt. Op 21 november 2019 kreeg eiser de diagnose Parkinson. Op 25 november 2019 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
  4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het dagloon € 69,65 bedraagt, omdat verweerder uitgaat van de inkomsten uit de polisadministratie die eiser in het refertejaar 3 november 2018 tot en met 3 november 2019 heeft verdiend. Het standpunt van eiser
  5. Eiser voert aan dat hij een goed arbeidsverleden had tot oktober 2017 en er sindsdien sprake is van een ongelukkige samenloop van medische- en gezinsomstandigheden. De ziekte Parkinson is vaak al 10 jaar in ontwikkeling voordat de diagnose vastgesteld wordt. Achteraf gezien heeft eiser onbewust de startende ziekte willen oplossen met een sabbatical. Eiser wil dat het dagloon gebaseerd wordt op de periode tot oktober
  6. Het oordeel van de rechtbank
  7. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het vaststellen van de hoogte van het dagloon gebruik heeft gemaakt van de polisadministratie. Hierin staan de loongegevens vermeld die door de (ex-)werkgevers van eiser door middel van de loonaangifte aan de Belastingdienst zijn verstrekt. Verweerder heeft het dagloon vastgesteld op grond van de informatie in de polisadministratie en het op basis van deze informatie vastgestelde totale loon dat eiser in het refertejaar 4 november 2018 tot en met 3 november 2019 heeft verdiend. Eiser betwist de juistheid van de informatie in de polisadministratie niet.
  8. Onder referteperiode wordt volgens artikel 2 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden. De rechtbank stelt vast dat in het Dagloonbesluit uitdrukkelijk is geregeld dat het dagloon wordt gebaseerd op het inkomen dat is genoten in de referteperiode. Er wordt geen beleidsruimte of beleidsvrijheid geboden voor verweerder om zelf te bepalen hoe het dagloon wordt vastgesteld en om hierbij een belangenafweging te maken. In het Dagloonbesluit is verder ook geen hardheidsclausule opgenomen op grond waarvan in bijzondere gevallen mag worden afgeweken van bepalingen omtrent het vaststellen van het dagloon.
  9. In artikel 6 van het Dagloonbesluit staan uitzonderingen op de hoofdregels om onredelijke uitkomsten van de dagloonsystematiek te corrigeren. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof, ziekte of werkstaking tijdens de dienstbetrekking, bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking in het laatste aan dat verlof, die werkstaking of die ziekte voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheden zich niet hebben voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond. Verweerder heeft toegelicht dat deze omstandigheden in de referteperiode moeten hebben plaatsgevonden.
  10. De rechtbank stelt vast dat de uitzonderingsgevallen uit artikel 6 van het Dagloonbesluit niet van toepassing zijn op de situatie van eiser. Eiser heeft namelijk gewoon gewerkt in de referteperiode, heeft niet minder loon genoten in verband met verlof en heeft zich niet ziekgemeld. De rechtbank kan daarom, hoe invoelbaar de situatie van eiser ook is, niet anders concluderen dan dat verweerder de regels uit het Dagloonbesluit juist heeft toegepast. Verweerder is dus terecht uitgegaan van de referteperiode van 4 november 2018 tot en met 3 november
  11. Het dagloon is terecht vastgesteld op een bedrag van € 69,
  12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober
  13. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.