RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND StrafrechtZittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/056725-20; 16/652523-18 (tul) en 16/661639-15 (tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juni 2020 in de strafzaak tegen[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] , Sierra Leone, wonende aan de [adres 1] , [postcode 1] in [woonplaats] , gedetineerd in het [verblijfplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juni
(100)[verdachte] : Is goed. Ik ga nu met diegene, Ja Te 20:10 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] op * [telefoonnummer 7] en laat het toestel twee keer overgaan. Er komt geen gesprek tot stand. 4.3.1.8 Tapgesprekken van medeverdachte [medeverdachte 2] Telefoongesprekken met de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer 24] Tapgesprekken van 19 december 2019 (sessienummers 13679 en 13690), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 19 december 2019 om 22.20 uur belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 6] ) een onbekende man (NN* [telefoonnummer 24] ): [medeverdachte 2] : Safi, hij vraagt aan mij 31 250 (fon: eenendertigtweevijftig) NN: [.] voor los? 31 250? (fon: eenendertigtweevijftig) [medeverdachte 2] : Ja man NN: Ik ga tegen hem zeggen, is wel hoog man ik, ga het proberen. Om 22.48 uur belt [medeverdachte 2] de onbekende man opnieuw: NN: Hij zegt, hoeveel gaat hij uitkomen? Eén half? [medeverdachte 2] : Eén half, ja NN: Ja, maar eh, ga je hem nog maken he? [medeverdachte 2] : Ja, sowieso, ik ga even kijken met hem, of ik wat van hem eraf kan halen. Een paar goeie dingen, begrijp je woolah, gaat geen spijt krijgen NN: Maar gewoon C (fan: See) toch? C toch? [medeverdachte 2] : Ja, C, ja NN: Laat snel weten, dan ga ik hem connecten waar hij moet gaan [medeverdachte 2] : Dan moet ik daar naar toe gaan, begrijp je? Telefoongesprekken met de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer 3] Een tapgesprek van 7 december 2019 (sessienummer 3213), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 7 december 2019 belt [medeverdachte 2] een onbekende man (NN* [telefoonnummer 3] ): NN: Over maximaal 2 a 3 dagen ga ik je alles in één keer geven, dan heb ik mijn spullen verkocht, kan ik [.] . [medeverdachte 2] : Klaar, is goed. Met de steun van Allah. NN: Ik zweer op Allah, dat ik vanaf uitkering, dat ik niet gewerkt heb, ik heb een 50 gram verkocht en ging rusten. [medeverdachte 2] : Oke, is goed, is goed, later praten we wel bij. NN: Morgen ben ik terug, maar jouw 1000 euro, krijg je van mij woensdag. [medeverdachte 2] : Oke, is goed. Tapgesprekken van 17 januari 2020 (sessienummers 40 en 42 ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 17 januari 2020 wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) om 16.59 uur gebeld door een onbekende man (NN* [telefoonnummer 3] ): NN zegt dat hij [C] tegen kwam om 11 uur en hij heeft bruin van hem gekocht. NN vraagt of [medeverdachte 2] wit wil komen brengen. [medeverdachte 2] komt zo. NN zegt dat hij hem wilde bellen om te vragen of hij er nog een wil komen brengen. (…) NN zegt vervolgens iets over 100 euro. [medeverdachte 2] vraagt of het een probleem als het kapot is. NN interesseert het niet als het maar goed is. [medeverdachte 2] zal 25 meenemen. Om 17.03 belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) opnieuw met deze NN* [telefoonnummer 3] : [medeverdachte 2] vraagt of NN zich niet schaamt. NN vraagt waarom. [medeverdachte 2] zegt je hebt 100 euro gekregen voor mij en je bent koffie gaan halen bij [C] . NN wist niet dat het voor hem was. NN had die andere gebeld maar hij nam niet op. [medeverdachte 2] zegt je had mij kunnen bellen. Een tapgesprek van 27 januari 2020 (sessienummer 714), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 27 januari 2020 belt [medeverdachte 2] opnieuw met NN* [telefoonnummer 3] : NN vraagt waar [medeverdachte 2] is. [medeverdachte 2] is in de buurt en belde zomaar. NN vraagt of hij 200 kan krijgen. [medeverdachte 2] wil NN wel 50 geven. NN heeft gisteren van [C] 80 gekregen. [medeverdachte 2] zegt dat kan niet. NN vraagt waarom [medeverdachte 2] hem niet gelooft. NN belt [medeverdachte 2] over een half uur. [medeverdachte 2] vraagt of NN beiden moet hebben. NN moet beiden hebben. [medeverdachte 2] zal 50 en 10 meenemen. [medeverdachte 2] zegt als [C] jou 80 geeft dan krijg je van mij
- [medeverdachte 2] zegt dat [C] oud geworden is. Volgens NN heeft [C] betere spullen. Beiden zien elkaar straks bij de bushalte. Tapgesprekken van 8 februari 2020 (sessienummer 1241 en 1250), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 8 februari 2020 om 15.59 uur belt [medeverdachte 2] wederom met NN* [telefoonnummer 3] : NN heeft net iemand gebeld en die had nog maar
- [medeverdachte 2] is onderweg naar een klant en zal het straks geven. NNman vraagt of [medeverdachte 2] het goed wil verpakken in papier. [medeverdachte 2] doet zijn best. NN vraagt of [medeverdachte 2] 20 apart wil doen en twee keer vijf. [medeverdachte 2] vraagt of hij [.] 10 moet geven. NN vraagt hem 5 te geven. NN kreeg gisteren veel spullen terug die niet geschikt zijn voor de neus. [medeverdachte 2] heeft nu wel goeie en zal die jongen over een half uur die spullen geven. NN gaat nu even slapen en vraagt of [medeverdachte 2] die spullen klein wil maken. [medeverdachte 2] zal zijn best doen. Ruim drie kwartier later bellen [medeverdachte 2] en de onbekende man opnieuw met elkaar: NN vraagt of [medeverdachte 2] er genoeg papier omheen wil doen want als het zacht blijft dan is het niet goed. [medeverdachte 2] weet wat hij moet doen. NN vraagt of [medeverdachte 2] erbij wil zeggen dat die grote 75 zijn en die kleintjes
- [medeverdachte 2] zal het doorgeven. NN was helemaal leeg gisteren en had een paar 20jes van eergisteren. [medeverdachte 2] zal zeggen 75 en
- NN kan dan zien wat eruit komt. Een tapgesprek van 10 februari 2020 (sessienummer 1360), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 10 februari 2020 belt [medeverdachte 2] NN* [telefoonnummer 3] : NN wil dat [medeverdachte 2] 25 voor hem gaat koken en komt het straks ophalen en dan is het ook droog. [medeverdachte 2] gaat het gelijk voor NN maken. Een tapgesprek van 17 februari 2020 (sessienummer 1494), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 17 februari 2020 wordt [medeverdachte 2] gebeld door NN* [telefoonnummer 3] : [medeverdachte 2] vraagt waar NNman is. NN is in zijn straat. [medeverdachte 2] vraagt of het niet straks kan. NN is leeg, en straks moet hij weg dan komt er helemaal niks van terecht. NN vraagt of [medeverdachte 2] zijn broertje wil bellen dan gaat NN zelf naar hem toe. [medeverdachte 2] vraagt wanneer NN in [naam wijk] is. Telefoongesprekken met de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer 14] Een tapgesprek van 18 januari 2020 (sessienummer 66), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 18 januari 2020 belt [medeverdachte 2] met een onbekende man (NN* [telefoonnummer 14] ) NN: Ehhh heb je daar ehhh, [.] FON of ehh die bolletje [medeverdachte 2] : Ik heb ehhhh B en K. Allebei NN: Ja mag ik misschien K [medeverdachte 2] : Ja hoeveel? NN: Tien stuks als het kan [medeverdachte 2] : Tien. Dat is goed NN: Ja en ehhh sowieso morgen komt iemand van mij die wil sowieso meer NN: Maar dat zien we morgen. Die mensen van laatst. [medeverdachte 2] : Ja. Komt goed ook. NN: Maar ehh, ken jij naar mij komen of wat? [medeverdachte 2] : Ja ehh, jij ken niet naar [naam wijk] komen? Kan wel komen, neefje van mij komt. Maar gaat wel een uur duren. Tapgesprekken van 29 januari 2020 (sessienummers 784 en 786), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 29 januari 2020 wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) opnieuw gebeld door NN* [telefoonnummer 14] : 16.41 uur: NN: Ehh goed goed. Ehhhh kunnen we zometeen afspreken? [medeverdachte 2] : Ja is goed NTV NN: Ik heb zeg maar ehhh, die andere jongen komt ook [medeverdachte 2] : Ja NN: Zeg maar tachtig nodig. Eentje van vijfenzeventig eentje van vijf. [medeverdachte 2] : Is goed. NN: Hij komt hier over een uurtje. Ik bel vast nu. Je weet toch [medeverdachte 2] : Nee safie is goed. Perfect. Jij komt naar mij toe gewoon. NN: Geen probleem. Natuurlijk [medeverdachte 2] : Ja. Vijfenzeventig apart, vijf apart. NN: Ja alsjeblieft [medeverdachte 2] : Safie is goed NN: Ik bel jou als ie er is ja? [medeverdachte 2] : Safie is goed 16.54 uur: NN: Die man heeft mij net gebeld, doe maar eentje 100 (honderd) en eentje 5 (vijf) [medeverdachte 2] : Safi is goed. Een tapgesprek van 31 januari 2020 (sessienummer 913), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Twee dagen later wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) weer gebeld door NN* [telefoonnummer 14] : NN: Ja goed man, ehhh je hebt nieuwe toch? [medeverdachte 2] : Ja die heb ik over ehhh anderhalf uur zo [medeverdachte 2] : Die ouwe heb ik wel hier nog. NN: Nee man. NTV goeie goeie broer? [medeverdachte 2] : Goeie goeie broer NN: Hoe laat broer. Zit een klant op mij te wachten. Ik ga kijken of ik hem anderhalf uur aan de lijn kan houden. Ja ik laat het jou weten dan. [medeverdachte 2] : Safie is goed. Die andere heb ik sowieso nog. NN: Ja broer die gozer heb geklaagd. Ik heb nog over he. Ik haal gewoon nieuwe. Wollah het is niet eens op bij mij. Maar heel wat mensen klagen. [medeverdachte 2] : Ewa straks heb ik die nieuwe wollah. Telefoongesprekken met de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer 19] Tapgesprekken van 29 januari 2020 (sessienummers 828 en 831), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 29 januari 2020 wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) om 22.54 uur gebeld door een andere onbekende man (NN* [telefoonnummer 19] ): NN: Kun je niet 50 voor mij klaar leggen? [medeverdachte 2] : 50 NN: Ja die kom ik gelijk euh, leggen. [medeverdachte 2] : van die gewoon, van net? NN: Ja van net, gewoon zelfde precies, brok gewoon. [medeverdachte 2] : Saaf is goed ..... is goed, zie je zo broer Om 22.56 uur wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) weer gebeld door NN* [telefoonnummer 19] : NN: He bro, je weet toch die 50, kun je die niet voor 32 laten anders eet ik helemaal niks. [medeverdachte 2] : Ja oke is goed. Een tapgesprek van 4 februari 2020 (sessienummer 1069), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 4 februari 2020 wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) gebeld door dezelfde NN* [telefoonnummer 19] : NN: bror ik heb vraagje. Je weet toch die neus. voor neus. heb je dit ook? [medeverdachte 2] : ik heb eentje die is ook goed voor neus NN: Hij moet echt goed zijn want hij voor mijn eigen lijn wollah [medeverdachte 2] : nee, nee, hij is echt goed deze wollah NN: hoeveel vraagt voor 50 [medeverdachte 2] : 50 wat moet ik laten ehh 32 half NN: safi maar hij is toch wel gewoon goed, je weet toch, want anders bij mij klagen ze, je weet toch [medeverdachte 2] : hij is gewoon goed broer, als hij niet goed is kan je m teruggeven NN: nee nee dat weet ik, maar het gaat om die moeite nu [medeverdachte 2] : Nee, nee hij is echt goed broer, mensen vinden m goed wollah NN: safi is goed. Regel die voor mij
- [medeverdachte 2] : ja NN: en 25 van die andere wat je tegen die bolle zei die nieuwe shit [medeverdachte 2] : ja dat die NN: maar die is niet voor allebei? [medeverdachte 2] : voor allebei broer, deze is echt voor allebei. Hij is voor allebei top NN: ja want sommige gaan dan klagen, denk ik wollah [medeverdachte 2] : nee broer, wollah NN: maak dan 25 en 50 klaar [medeverdachte 2] : deze is echt goed voor allebei wollah NN is rond 21 uur bij [medeverdachte 2] . Een tapgesprek van 7 februari 2020 (sessienummer 1166), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 7 februari 2020 belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) NN* [telefoonnummer 19] : [medeverdachte 2] : Is dat en bevallen? NN: ja alleen die, je weet toch, voor de neus niet echt. [medeverdachte 2] : kijk maar broer, ik heb andere hier he NN: ja maar nee nee, ik doem gewoon weg [medeverdachte 2] : [.] safi kijk maar ff NN: maar je weet toch, sommige klagen, sommige niet (….) NN: maar je hebt weer andere? [medeverdachte 2] : ik heb weer andere ja. NN: maar voor neus? [medeverdachte 2] : wollah broer zelfde verhaal. Ze vinden m wel goed [medeverdachte 2] : wollah (stilte) anders ga ik voor jou kijken. Een tapgesprek van 10 februari 2020 (sessienummer 1364), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 10 februari 2020 spreken [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) en NN* [telefoonnummer 19] elkaar opnieuw: [medeverdachte 2] : lk heb iets gehaald en het is goed voor je neus. NN: Waarom zei je het niet 2 dagen geleden, want ik heb die andere nog. Ik heb die telefoon uit gegooid die andere man [medeverdachte 2] : Ik wou het alleen doorgeven het zijn mooie dingen, je gaat het zelf zien. Telefoongesprekken met de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer 9] Een tapgesprek van 1 februari 2020 (sessienummer 927), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 1 februari 2020 belt een onbekende man (NN* [telefoonnummer 9] ) [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) om 00.07 uur: [medeverdachte 2] vraagt of NN nog spullen heeft. NN heeft 100 maar die andere zei dat hij morgen pas gaat maken. [medeverdachte 2] vraagt anders langs te komen dan heeft hij het voor morgen alvast. Beiden zien elkaar zo. Een tapgesprek van 6 februari 2020 (sessienummer 1127), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 6 februari 2020 belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) NN* [telefoonnummer 9] : NN heeft nog 600 of
- NN zegt we hebben deze week niet gewerkt. Volgens [medeverdachte 2] hebben ze allemaal niet gedraaid. Telefoongesprekken met andere NN-personen Een tapgesprek van 16 januari 2020 (sessienummer 40316), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 16 januari 2020 belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 6] ) naar NN* [telefoonnummer 25] : [medeverdachte 2] belt uit maar er wordt niet opgenomen. [medeverdachte 2] zegt tijdens de kiestoon: nee dat is [.] , ik ben [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft het op de achtergrond over iemand die 350 gekocht heeft en een van deze dagen voor een halve of 700 zal komen. Een tapgesprek van 22 januari 2020 (sessienummer 485), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 23 januari 2020 belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 26] ) met NN* [telefoonnummer 13] : [medeverdachte 2] vraagt of NN nog actief is. NN is altijd actief. [medeverdachte 2] heeft mooie spullen voor een mooie prijs. NN vraagt wat de prijs is. [medeverdachte 2] zegt tot 10 3,3 en boven 3.
- Een tapgesprek van 22 januari 2020 (sessienummer 771), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 28 januari 2020 wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) gebeld door NN* [telefoonnummer 27] : NN wil met [medeverdachte 2] alleen praten. [medeverdachte 2] vraagt waarom. NN zegt ik adviseer je om goeie spullen te regelen want er lopen hier veel dealertjes met goeie spullen. NN vraagt of [medeverdachte 2] die familie nog kent die hem nog 500 moet geven. NN heeft gehoord dat hij gevaarlijke spullen heeft. [medeverdachte 2] heeft dezelfde spullen als hem. NN hoorde wat anders en waarschuwt hem. [medeverdachte 2] zegt de mensen praten veel. Een tapgesprek van 30 januari 2020 (sessienummer 852), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 30 januari 2020 belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) NN* [telefoonnummer 15] : [medeverdachte 2] zegt dat er nieuwe dingen zijn. NN gaat kijken met wie hij gaat werken en dan belt hij [medeverdachte 2] weer terug. Een tapgesprek van 7 februari 2020 (sessienummer 1204), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 7 februari 2020 wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) gebeld door NN* [telefoonnummer 17] : NN vraagt ben je in de buurt broer en kan je het zelfde kan pakken als eergisteren. [medeverdachte 2] vraagt of hij 5 wil. NN wil vijf. [medeverdachte 2] zegt dat het ongeveer 20 minuten duurt, dan komt hij eraan. [medeverdachte 2] vraagt of het een probleem is als het een beetje kapot en poeder is. NN man zegt als het goed is is het goed. Een tapgesprek van 24 februari 2020 (sessienummer 714), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 24 februari 2020 belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 1] ) met NN* [telefoonnummer 28] : NN: Hoe heeft hij gewogen met het plastic [medeverdachte 2] : Zonder het plastic he ik zie alles hij heeft mij gebeld met camera. NN: Ik heb gewogen met plastic was het
- (….) NN: Ow raar, misschien twee kleine brokjes. [medeverdachte 2] : Whola ik ga daar niet over liegen broer. Hallo. NN: Ja hallo, nee saffie als jij het zegt. NN: 5 zakken voor sowieso (Arabisch) 75 brok. (…) NN: 2 kleine, ik heb 2 kleine brokjes gepakt dat klopt. 4.3.2 Bewijsoverwegingen Versluierd taalgebruik Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen tapgesprekken leidt de rechtbank af dat verdachte met zijn medeverdachten en met anderen vaak door middel van versluierde taal communiceerde. Voor de deelnemers aan de gesprekken is duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per se het geval. Om de betekenis en strekking van de in de bewijsmiddelen weergegeven woorden en gesprekken te duiden, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met verklaringen van verdachte(n), met de continuïteit waarmee bepaalde woorden of uitdrukkingen voorkomen, met gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze hebben plaatsgevonden en met de in het onderzoek in beslag genomen goederen. Ten aanzien van feit 1 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij cocaïne en/of heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en aanwezig heeft gehad. In de telefoongesprekken die verdachte en zijn medeverdachten in de ten laste gelegde periode met elkaar en met anderen voeren, wordt veelvuldig gesproken over getallen in relatie tot spullen of goederen. De goederen waarover wordt gesproken worden aangeduid met woorden en/of letters als ‘melk’, ‘witte’, ‘bruine’, ‘donkere’, ‘koffie’, ‘spullen voor de neus’, ‘bolletjes’, ‘brokjes’, ‘base’, ‘C’ en ‘K’. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat cocaïne wit van kleur is en heroïne bruin, dat cocaïne kan worden gesnoven en dat drugs vaak in bolletjes worden verkocht. Verdachte is op 3 maart 2020 in zijn woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam 1] aangehouden, samen met medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). In die woning is ruim 500 gram cocaïne en ruim 80 gram heroïne aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij er spijt van heeft dat hij met drugs bezig is geweest. Zijn medeverdachte, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), heeft bij de politie verklaard dat hij cocaïne heeft verkocht en bewerkt (‘uitgekookt’) en dat cocaïne ook wel ‘melk’ wordt genoemd. Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in de tapgesprekken wordt gesproken over cocaïne en heroïne en dat met de in de tapgesprekken genoemde getallen geldbedragen en/of hoeveelheden (in aantallen of grammen) worden bedoeld. Dat verdachte cocaïne en heroïne heeft verstrekt, afgeleverd, vervoerd en aanwezig heeft gehad blijkt onder meer uit de tapgesprekken waarin [medeverdachte 2] hem er op uitstuurt om op een bepaalde locatie cocaïne en/of heroïne aan iemand te geven. Dat verdachte deze drugs niet alleen heeft afgeleverd en verstrekt, maar ook zelf heeft verkocht dan wel bij verkoop zodanige betrokkenheid heeft gehad dat hem daarvan in het kader van medeplegen een verwijt kan worden gemaakt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken uit de stukken in het dossier. Aan verdachte is onder 1 ook ten laste gelegd dat hij cocaïne en/of heroïne heeft bewerkt en verwerkt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit de verschillende tapgesprekken en de bewijsmiddelen ten aanzien van de woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] in [plaatsnaam 2] , kan worden opgemaakt dat verdachte en zijn medeverdachten woorden als ‘koken’, ‘bakken’ en ‘maken’ gebruiken wanneer zij spreken over het verwerken en bewerken van cocaïne en/of heroïne. Verdachte kwam zeer regelmatig in of bij de woning van [A] aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] in [plaatsnaam 2] . In die woning zijn op 4 maart 2020 goederen aangetroffen waarmee cocaïne kan worden verwerkt. Verdachte zegt op 24 februari 2020 tijdens een telefoongesprek tegen iemand dat hij in [plaatsnaam 2] is ‘bij die vriend waar ik altijd maak’. Daarnaast is in de woning van verdachte een telefoon aangetroffen met daarin een smsje van [A] die vraagt: ‘Kom je nog maken vandaag?’. Gelet op de zojuist aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien met de overige bewijsmiddelen, kan worden geconcludeerd dat verdachte in de ten laste gelegde periode cocaïne heeft bewerkt en verwerkt. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode, samen met anderen, cocaïne en/of heroïne heeft bewerkt, verwerkt, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van feit 2 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de verdovende middelen die in zijn woning zijn aangetroffen aanwezig heeft gehad. De rechtbank wijst daartoe op hetgeen reeds ten aanzien van feit 1 is overwogen en overweegt over het medeplegen met [medeverdachte 2] nog het volgende. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 2] vlak voor zijn aanhouding de kamer uit liep waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] – kort voor zijn aanhouding in een telefoongesprek tegen een onbekende man gezegd dat hij ‘hier nog 500 heeft’. Zijn telefoon straalde op dat moment aan op een mast in de buurt van de woning van verdachte. Nu in die woning enkele uren later ruim 500 gram cocaïne is aangetroffen acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen, wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (Ow). Een organisatie in de zin van voormeld artikel is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Om van deelneming in de zin van artikel 11b Ow te kunnen spreken is vereist dat de verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogt. Organisatie Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de inhoud van de tapgesprekken, de reisbewegingen van verdachte en zijn medeverdachte(n), de hoeveelheid aangetroffen drugs en de overige bewijsmiddelen, worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 2] geen zogeheten ‘straatdealer’ was, maar een tussenhandelaar die grotere (en kleinere) hoeveelheden verdovende middelen leverde aan andere dealers. In tapgesprekken wordt gesproken over grote hoeveelheden (verdovende middelen en/of geldbedragen) en [medeverdachte 2] krijgt in één van die gesprekken het advies om ‘goeie spullen te regelen’, omdat ‘hier veel dealertjes met goeie spullen’ rondlopen. In een ander gesprek vraagt een afnemer om ‘goeie spullen voor de neus’, omdat het voor zijn eigen lijn is en mensen [de rechtbank begrijpt: klanten] anders gaan klagen. Uit telefoongesprekken die [medeverdachte 2] met zowel verdachte als [medeverdachte 1] voerde, blijkt dat hij met hen niet alleen over prijzen en hoeveelheden sprak, maar ook dat hij hen aanstuurde, opdrachten gaf en/of voorzag van handelswaar. Tussen verdachte en zijn medeverdachten was dan ook sprake van een zekere rolverdeling. Zo kan uit de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, ook worden afgeleid dat de drugs die door verdachte en zijn medeverdachten werden verhandeld, door [medeverdachte 2] en/of verdachte (als zogeheten ‘ezel’) werden opgehaald uit Rotterdam en opgeslagen in de woning van verdachte. Zo is gebleken dat [medeverdachte 2] zijn klanten met regelmaat belde om te vertellen dat hij ‘nieuwe spullen’ had en dat hij op de dag van of de dag voor deze telefoongesprekken altijd in Rotterdam was geweest, al dan niet samen of tegelijk met verdachte. De reizen naar Rotterdam werden ook bijna altijd – al dan niet midden in de nacht – voorafgegaan of gevolgd door een stop aan de [straatnaam 2] in [plaatsnaam 1] . Uiteindelijk zijn in de woning van verdachte aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam 1] , een woning waarvan [medeverdachte 1] overigens ook een sleutel had, grote hoeveelheden cocaïne en heroïne aangetroffen. De rechtbank is op grond van voorgaande overwegingen en de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, van oordeel dat tussen verdachte en zijn medeverdachten sprake was van een (structureel) samenwerkingsverband dat verder ging dan het enkel medeplegen van misdrijven. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de periode waarover hun samenwerking zich heeft uitgestrekt – te weten van 5 december 2019 tot en met 3 maart 2020 – voldoende duurzaam is om te kunnen spreken van een organisatie als bedoeld in artikel 11b Ow. Oogmerk van de organisatie Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen volgt dat de organisatie niet alleen als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet, maar dat gedurende de ten laste gelegde periode door verdachte en zijn medeverdachten meerdere misdrijven in de zin van voornoemde wet zijn gepleegd. Ook is gebleken van de intentie om dergelijke misdrijven te blijven plegen, nu tijdens de aanhouding van verdachte grote hoeveelheden verdovende middelen in zijn woning zijn aangetroffen. Deelneming Uit voorgaande overwegingen en de bewijsmiddelen vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat verdachte samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft deelgenomen aan de organisatie, nu zij allen gedragingen hebben verricht die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Uit het voorgaande volgt eveneens dat verdachte – meer dan in algemene zin – wist van het oogmerk van de organisatie. Conclusie Gelet op al het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft deelgenomen aan – een organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
- op tijdstippen in de periode van 5 december 2019 tot en met 3 maart 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en aanwezig heeft gehad (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;
- op 3 maart 2020 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad: - een hoeveelheid van 535,19 gram van een materiaal bevattende cocaïne en - een hoeveelheid van 82,6 gram van een materiaal bevattende heroïne; zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;
- op tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 december 2019 tot en met 3 maart 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en één of meer personen, onder wie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid van de Opiumwet, namelijk het (telkens) bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, (telkens) middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. De bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd, moeten aan het voorwaardelijk deel van de straf worden verbonden, met uitzondering van het locatieverbod. Dat verbod moet volgens de officier niet als bijzondere voorwaarde, maar in het kader van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr) worden opgelegd. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd de volgende vrijheidsbeperkende maatregelen aan verdachte op te leggen en dadelijk uitvoerbaar te verklaren: een locatieverbod, inhoudende dat verdachte zich gedurende 3 jaren niet mag ophouden in de wijk [naam wijk] in Utrecht als bedoeld in artikel 38v Sr, waarbij wordt bevolen dat 1 maand vervangende hechtenis wordt toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan; een contactverbod met [medeverdachte 1] voor de duur van 4 jaren als bedoeld in artikel 38v Sr, waarbij wordt bevolen dat 1 maand vervangende hechtenis wordt toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan; een contactverbod [medeverdachte 2] voor de duur van 4 jaren als bedoeld in artikel 38v Sr, waarbij wordt bevolen dat 1 maand vervangende hechtenis wordt toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd, gelet op de samenhang tussen de feiten 1 en 3 en de kleinere, meer ondergeschikte rol van verdachte in de criminele organisatie. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en/of maatregel rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Hij heeft zich in de context van die organisatie onder meer schuldig gemaakt aan het bewerken, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en/of heroïne en aan het voorhanden hebben van ruim 500 gram cocaïne en 82 gram heroïne. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor zowel de problemen van kwetsbare verslaafden als de overlast en gevoelens van onveiligheid die gepaard gaan met de handel in harddrugs. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich hier niet om heeft bekommerd, maar enkel heeft gehandeld uit winstbejag. Daarnaast houdt de rechtbank er in het nadeel van verdachte rekening mee dat hij deel uitmaakte van een organisatie die ‘als tussenhandelaar’ harddrugs leverde aan andere dealers. Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een straf die geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf met zich brengt. De rechtbank acht het vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie bovendien van belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat de handel in drugs uiteindelijk niet loont en zwaar wordt bestraft. Persoon van verdachte Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 2 juni
- Hieruit blijkt dat verdachte in 2017 en 2018 nog is veroordeeld tot (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor soortgelijke feiten. Deze straffen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank houdt hier in strafverzwarende zin rekening mee bij het bepalen van de hoogte van de straf. De reclassering heeft op 18 mei 2020 gerapporteerd over verdachte. Uit het rapport blijkt dat verdachte zeer beïnvloedbaar is en al sinds jonge leeftijd negatief lijkt te worden beïnvloed door zijn sociale contacten en de criminele omgeving waarin hij woont. Verdachte staat in het kader van eerdere veroordelingen reeds onder toezicht bij de reclassering. Gelet op het matige verloop van dat toezicht en de onderhavige feiten acht de reclassering een intensiever traject en diagnostiek geïndiceerd. De reclassering heeft geadviseerd om verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, zodat daaraan de bijzondere voorwaarde kan worden verbonden dat verdachte zich niet mag bevinden in de wijk [naam wijk] in Utrecht. Op die manier kan verdachte afstand nemen van zijn negatieve sociale netwerk en intensiever invulling geven aan andere bijzondere voorwaarden als diagnostiek, behandeling en begeleiding. In dat kader acht de reclassering het ook positief dat verdachte na detentie bij zijn vriendin (in een andere provincie) zal gaan wonen. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat hij bereid is om mee te werken aan alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Straf en maatregel Zoals reeds overwogen, acht de rechtbank het passend om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank ziet in het advies van de reclassering aanleiding om een deel van die gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen, zodat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden daaraan kunnen worden verbonden. De rechtbank ziet in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd wel aanleiding om verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de straf verbinden, met uitzondering van het locatieverbod, nu de rechtbank dit in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aan verdachte zal opleggen. Maatregelen als bedoeld in artikel 38v Sr Uit de stukken in het procesdossier blijkt dat verdachte de bewezen geachte feiten met name heeft gepleegd in de wijk [naam wijk] in Utrecht en dat de handel in drugs in die wijk gepaard gaat met veel overlast. Om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout in zal gaan indien hij zich na detentie vrij kan begeven in de wijk [naam wijk] , zal de rechtbank verdachte een locatieverbod opleggen als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende dat verdachte zich gedurende drie jaren niet mag ophouden in de wijk [naam wijk] in Utrecht. De rechtbank acht deze maatregel proportioneel, nu verdachte ter terechtzitting heeft meegedeeld dat hij niet in de wijk zal blijven wonen, maar zal verhuizen naar zijn vriendin in een andere provincie. De moeder van verdachte zal wel in de woning in [naam wijk] blijven wonen. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte (de woning van) zijn moeder in [naam wijk] wel – maar enkel via een door de rechtbank vast te stellen route – mag bezoeken. Verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegd. Om mogelijke beïnvloeding van elkaar en het plegen van nieuwe strafbare feiten na detentie te voorkomen, zal de rechtbank verdachte contactverboden opleggen met zijn medeverdachten voor de duur van twee jaren. Dat betekent dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag hebben met zijn medeverdachten. Bij het bepalen van de duur van de verboden is rekening gehouden met de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraffen die aan verdachte en zijn medeverdachten zijn opgelegd, nu deze geen opschortende werking hebben. Voor iedere keer dat verdachte één van de verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van één week worden toegepast. De rechtbank zal bevelen dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen indien hij zich na detentie vrij mag begeven in de wijk [naam wijk] of indien hij contact mag hebben met zijn medeverdachten. 9BESLAG 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de volgende onder verdachte of in diens woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam 1] in beslag genomen goederen moeten worden onttrokken aan het verkeer: o cocaïne (goednummers 2594588, 2594591, 2594617 en 2594551); o heroïne (goednummers 2594595, 2594724 en 595429); o cocaïne en heroïne (goednummers 2594590 en 2594628); o hasj (goednummers 2594620, 2594623 en 2594626); o een patroonhouder (goednummer 2594600). Daarnaast heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd van de volgende goederen die onder verdachte en/of in diens woning in beslag zijn genomen: o een weegschaal en verpakking (goednummers 2594598 en 2594599); o een paar schoenen van het merk Louboutin (goednummers 590241); o acht mobiele telefoons (goednummers 590263, 590226, 590227, 590232, 590813, 590268, 590583, 590586). Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de identiteitskaart die in de woning van verdachte in beslag is genomen aan de rechthebbende, te weten [B] , wordt geretourneerd. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de onder verdachte in beslag genomen goederen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring De rechtbank zal de in de woning van verdachte in beslag genomen telefoons, weegschaal en verpakking verbeurd verklaren, nu de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten (grotendeels) met deze goederen zijn gepleegd. De rechtbank zal ook de schoenen van het merk Louboutin verbeurd verklaren, nu uit het dossier kan worden afgeleid dat deze schoenen (grotendeels) moeten zijn gekocht met het geld dat verdachte met het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft verdiend. Verdachte beschikte immers al langere tijd niet over de inkomsten waarmee dergelijke goederen kunnen worden aangeschaft. Retour rechthebbende De rechtbank zal gelasten dat de identiteitskaart van [B] , die in de woning van verdachte is aangetroffen, aan [B] wordt geretourneerd. Onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de in de woning van verdachte in beslag genomen drugs en patroonhouder van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De rechtbank zal de drugs en de patroonhouder onttrekken aan het verkeer. 10TENUITVOERLEGGING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING 16/652523-18 Verdachte is op 17 oktober 2018 bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Aan verdachte is destijds een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte heeft de in de onderhavige zaak bewezen geachte feiten gepleegd gedurende deze proeftijd. De officier van justitie heeft daarom tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden die bij vonnis van 17 oktober 2018 aan verdachte is opgelegd. De verdediging heeft zich ten aanzien van een beslissing op deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van 17 oktober 2018 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden ten uitvoer wordt gelegd. 16/661639-15 Verdachte is op 16 november 2017 bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Aan verdachte is een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren die nadien nog eens met een jaar is verlengd. Verdachte heeft de in de onderhavige zaak bewezen geachte feiten gepleegd gedurende deze proeftijd. De officier van justitie heeft daarom tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden die bij vonnis van 16 november 2017 aan verdachte is opgelegd. De verdediging heeft zich ten aanzien van een beslissing op deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van 16 november 2017 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden ten uitvoer wordt gelegd. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 38v, 38w, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het onder de feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf en maatregel veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden; bepaalt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; beveelt dat een gedeelte van 6 maanden van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast; stelt daarbij als algemene voorwaarden dat verdachte: o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende de proeftijd: o moet melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: [adres 3] , [postcode 2] in [plaatsnaam 4] . Hierna moet hij zich blijven melden, zo lang en zo vaak de reclassering dat nodig acht; o laat behandelen en begeleiden door het ForFACT (team) van [instelling] , centrum voor forensische geestelijke gezondheidszorg, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte neemt deel aan diagnostiek en, aan indien geïndiceerd, een passende behandeling, zo lang de reclassering dat nodig acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van de zorgverlener; o laat toe leiden naar een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dat nodig acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren en beveelt dat verdachte zich niet mag ophouden in de wijk [naam wijk] in Utrecht; bepaalt daarbij dat verdachte de wijk [naam wijk] gedurende die 3 jaren enkel mag betreden voor een bezoek aan zijn moeder op het adres [straatnaam 2] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam 1] via de [straatnaam 4] , de [straatnaam 5] en de [straatnaam 6] ; beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week, met een maximum van 6 maanden; legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren en beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte 2] ; beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week, met een maximum van 6 maanden; legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren en beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte 1] ; beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week, met een maximum van 6 maanden; Beslag - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: o een weegschaal en verpakking (goednummers 2594598 en 2594599); o een paar schoenen van het merk Louboutin (goednummers 590241); o een iPhone 6 (goednummer 590263); o drie Nokia telefoons (goednummers 590226, 590227 en 590268); o een Huawei telefoon (goednummer 590232); o een Aquarius pgp telefoon (goednummer 590813) o een iPhone (goednummer 590583); o een Alcatel telefoon (goednummer 590586); - gelast de teruggave aan de rechthebbende, [B] , van de volgende voorwerpen: o een identiteitskaart op naam van [B] ; - onttrekt de volgende voorwerpen aan het verkeer: o cocaïne (goednummers 2594588, 2594591, 2594617 en 2594551); o heroïne (goednummers 2594595, 2594724 en 595429); o cocaïne en heroïne (goednummers 2594590 en 2594628); o hasj (goednummers 2594620, 2594623 en 2594626); o een patroonhouder (goednummer 2594600); Tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling - gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2018 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 2 maanden (parketnummer: 16/652523-18); - gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland van 16 november 2017 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 3 maanden (parketnummer 16/661639-15). Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juni
- Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
- hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 december 2019 tot en met 3 maart 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (telkens) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet; ( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )
- hij op 3 maart 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad: - een hoeveelheid van 535,19 gram van een materiaal bevattende cocaïne en/of - een hoeveelheid van 82,6 gram van een materiaal bevattende heroïne; zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet; ( art 3 ahf/ond A Opiumwet )
- hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 december 2019 tot en met 3 maart 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en één of meer perso(o)n(en), onder wie [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid en/of artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (telkens) bereiden, bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, (telkens) (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet. ( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 mei 2020, genummerd MDRAA 19030 / PL0900-2019270375 (Primero), opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 9 juni
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 3 maart 2020, p.
- Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 3 maart 2020, p.
- Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 3 maart 2020, p.
- Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 3 maart 2020, p.
- Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 3 maart 2020, p.
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI van 5 maart 2020, pagina
- Pagina
- Schriftelijke bescheiden, te weten rapporten van het NFI van 5 maart 2020, pagina’s. 577 en
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI van 5 maart 2020, pagina
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI van 5 maart 2020, pagina
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI van 5 maart 2020, pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina 228 (digitale nummering) van het BOB-dossier, deel 1, van 8 juni
- Pagina’s 78 en
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina’s 1000 en
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina’s 57 en
- Pagina
- Pagina
- Pagina’s 405 en
- Pagina 406 tot en met
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Schriftelijke bescheiden, te weten de uitwerkingen van tapgesprekken, pagina
- Pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina’s 456 en
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Schriftelijke bescheiden, te weten uitwerkingen van tapgesprekken, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina’s 176 en
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Schriftelijke bescheiden, te weten de uitwerkingen van tapgesprekken, pagina’s 204 en
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina
- Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van een tapgesprek, pagina 270.