RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/583 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. E. Chahid). Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Dit besluit vervangt de eerder verzonden besluiten van 9 augustus 2019, 20 augustus 2019 en 22 augustus
- Bij besluit van 23 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft via Skype for Business plaatsgevonden op 5 november
- Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft daarvoor een verklaring over zijn inkomen en vermogen overgelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek moet worden toegewezen.
- De rechtbank stelt vast dat in een procedure als deze de periode in geding loopt van de datum van melding tot de datum van het primaire besluit, in dit geval dus van 20 maart 2019 tot en met 22 augustus
- Verweerder heeft eisers aanvraag om bijstand afgewezen, omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen. In het primaire besluit heeft verweerder daaraan ten grondslag gelegd dat eiser geen volledige inlichtingen heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie. Dit standpunt heeft verweerder in het bestreden besluit niet langer gehandhaafd. In het bestreden besluit is aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe eiser in de periode in geding in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
- Eiser voert aan dat zijn aanvraag in het primaire besluit is afgewezen vanwege de omstandigheid dat hij onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over zijn verblijfsadressen. In het bestreden besluit zegt verweerder dat niet kan worden vastgesteld dat eiser dat heeft gedaan. Eiser vindt daarom dat hem bijstand moet worden toegekend. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat beide redenen volgens hem niet kloppen.
- De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bezwaar een volledige heroverweging moet doen. De hoogste rechter in bijstandszaken, de Centrale Raad van Beroep, heeft geoordeeld dat een bestuursorgaan in bezwaar bij een eerder genomen besluit mag blijven, maar dat om een andere reden mag doen dan hij daarvoor deed. Dit betekent dus dat verweerder in bezwaar de aanvraag mag afwijzen op een andere afwijzingsgrond dan hij daarvoor in het primaire besluit had gedaan. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
- De rechtbank overweegt verder dat eiser dus pas na de beslissing op bezwaar wist dat verweerder vond dat hij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Aanvankelijk is de aanvraag afgewezen omdat er onvolledige inlichtingen zouden zijn gegeven over zijn woonsituatie, vervolgens vindt een hoorzitting plaats en wordt er gevraagd hoe hij in zijn levensonderhoud voorziet. Eiser zegt dan dat hij een groot netwerk heeft van vrienden die hem helpen en voedsel en onderdak bieden. Verweerder heeft eiser hierover niet nader bevraagd en heeft hem ook niet gevraagd en de gelegenheid gegeven dit te onderbouwen. Verweerder heeft uitsluitend op basis van wat zichtbaar is op de bankafschriften geoordeeld dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Verweerder heeft ook niet met eiser gesproken over wat er te zien is op die afschriften en de vragen die verweerder daarover had. Alhoewel de rechtbank het met verweerder eens is dat uit de bankafschriften niet blijkt hoe eiser in zijn levensonderhoud heeft voorzien, acht de rechtbank deze gang van zaken onzorgvuldig. De rechtbank stelt echter ook vast dat eiser in beroep nog steeds geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie. Tijdens de hoorzitting in bezwaar en ook op de zitting bij de rechtbank heeft eiser namelijk gezegd dat hij alles heeft laten zien dat hij kon laten zien en dat hij geen contact meer heeft met de bank en daarom geen bankafschriften kan overleggen. Dan blijft de onduidelijkheid dus bestaan, terwijl de aanvrager juist duidelijkheid moet verschaffen en openheid van zaken moet geven. Daarnaast heeft hij gezegd dat op zijn bankafschriften zichtbaar is dat hij van vrienden geld krijgt via tikkies, maar dat blijkt niet uit de afschriften die in het dossier zitten. Daarom blijft de conclusie dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is uitgesproken op 13 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:419 en van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4411