RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/140841-19 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 19 november 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1970] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.P.C. van Essen, advocaat te Alphen aan den Rijn. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten en vordering van de officier van justitie J.R.F. Esbir Wildeman en van wat verdachte, de raadsman en de nabestaande [nabestaande] naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair: op 3 juni 2019 te Veenendaal als bestuurder van een bestelauto zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] is overleden;subsidiair: op 3 juni 2019 te Veenendaal als bestuurder van een bestelauto zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de vraag of het rijgedrag van verdachte gekwalificeerd moet worden als overtreding van artikel 6 dan wel artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de hoogte van snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden heeft de raadsman het volgende bepleit. In de tenlastelegging is gekeken naar de snelheid ten tijde van het passeren van de laatste detectielus. De raadsman verzoekt om uit te gaan van 63 km/uur, zijnde de laagste snelheid van het gemiddelde van het traject tussen de eerste detectielus en de stopstreep, zijnde 63-68 km/uur. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en de raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom niet uitschrijven wat er in de bewijsmiddelen staat, maar de bewijsmiddelen enkel opsommen. De rechtbank verwijst met voetnoten naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen in het dossier. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 november 2020; de verklaring van getuige [getuige] ; proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, de conclusies met betrekking tot de verkeersregelinstallatie, pagina 75; proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, de conclusies met betrekking tot de snelheid, pagina 77; schouwverslag, opgemaakt door G.W. Krever, forensisch arts, pagina 97 en 98. Bewijsoverwegingen Uit de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte bij het passeren van de detectielus die het dichtst bij de stopstreep ligt tussen de 65 en 74 kilometer per uur reed. Bij de beoordeling van deze zaak zal de rechtbank uitgaan van de onderkant van deze bandbreedte, te weten 65 km/uur, omdat dit immers minimaal de snelheid is waarmee verdachte het kruispunt opreed. Om tot een veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is onder meer vereist dat verdachte schuld heeft aan een aanrijding, in die zin dat hij – zoals ten laste is gelegd – zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet kan reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Aan de hand van vorenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank - kort gezegd - de volgende feiten en omstandigheden vast: verdachte heeft met een door hem bestuurde bestelauto met aanhanger een verkeerslicht genegeerd dat al minimaal 6 seconden rood licht uitstraalde; verdachte reed met een te hoge snelheid, namelijk in ieder geval 15 km/uur te hard, op een plaats waar 50 km/uur was toegestaan; verdachte heeft bij het naderen van de stopstreep zijn snelheid verhoogd (geaccelereerd); verdachte kwam kort hierna in botsing met een overstekende fietsster, in wiens rijrichting het verkeerslicht reeds 2,2 seconden groen licht uitstraalde. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het ongeval waarbij de fietsster [slachtoffer] is overleden aan verdachtes schuld te wijten is. Met betrekking tot de mate van schuld is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte gekwalificeerd dient te worden als zeer onvoorzichtig en onoplettend. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 3 juni 2019 te Veenendaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorvoertuig, te weten een bestelauto (Ford Transit gekentekend [kenteken] ) met aanhanger, daarmede rijdende over de openbare weg, te weten de Rondweg-West, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend - met een snelheid van ongeveer 65 km/u te rijden, en - vervolgens geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat reeds 6 seconden rood licht uitstraalde, maar is hij (met onverminderde snelheid) doorgereden, en - vervolgens een fietser, te weten [slachtoffer] , aan te rijden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tegen (de voorruit van) voornoemde bestelauto kwam en is gelanceerd en op de (naast gelegen) weg is gevallen, waardoor die [slachtoffer] is komen te overlijden. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis; - een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar, met aftrek, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit de mate van schuld en verwijtbaarheid te plaatsen in de eerste categorie van de LOVS-oriëntatiepunten, te weten de categorie van aanmerkelijke schuld. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de relatief beperkte snelheidsovertreding van verdachte. Bij de hoogte van de op te leggen straf heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen, ook niet voor verkeersfeiten. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Verdachte reed in zijn bestelbus met een te hoge snelheid richting een kruispunt en verhoogde die snelheid op het moment dat hij de stopstreep naderde. Hij negeerde een rood verkeerslicht, dat al zes seconden op rood stond, en kwam daarna in botsing met een overstekende fietsster, mevrouw [slachtoffer] . Het verkeerslicht voor haar rijrichting was groen. Ten gevolge van dit zeer onvoorzichtige rijgedrag van verdachte werd ze meters door de lucht geslingerd en kwam ze verderop op het asfalt terecht. Ze overleed ter plekke aan de opgelopen verwondingen. Uit de ter terechtzitting door de partner van het slachtoffer voorgelezen schriftelijke verklaring blijkt hoezeer het onverwachte overlijden van zijn vrouw zijn leven en het leven van hun toen 11-jarige dochter in één klap definitief veranderde. Ze missen haar dagelijks, op alle levensterreinen en haar overlijden heeft een enorm gat heeft achtergelaten in hun gezin. Ditzelfde geldt - blijkens requisitoir van de officier van justitie – zeker ook voor de vier andere kinderen van het slachtoffer en hun partner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.