vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/497258 / KG ZA 20-71 Vonnis in kort geding van 18 november 2020 in de zaak van de coöperatie COÖPERATIEVE BLOEMENVEILING ROYAL FLORAHOLLAND U.A, gevestigd in Aalsmeer, eiseres, advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens, tegen 1 [gedaagde 1] , wonend in [woonplaats] , 2. [gedaagde 2], wonend in [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. W.Y. Hofstra. Partijen zullen hierna Royal FloraHolland en [gedaagden] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties genummerd 1 tot en met 4; de aan de zijde van [gedaagden] toegezonden producties, genummerd 1 tot en met 4; de aan zijde van Royal FloraHolland toegezonden producties, genummerd 6 tot en met 11; de aan de zijde van [gedaagden] toegezonden producties, genummerd 5 en 6; de mondelinge behandeling die op 25 september 2020 heeft plaatsgevonden; de pleitnota van Royal FloraHolland; de pleitnota van [gedaagden] ; het proces-verbaal van 25 september 2020 van de mondeling behandeling, waarin de zaak met vier weken, tot 23 oktober 2020, is aangehouden; de brief van 23 oktober 2020 van mr. Hofstra met het verzoek de zaak met een extra week aan te houden; de e-mail van 23 oktober 2020 van deze rechtbank met de mededeling dat de zaak met een extra week wordt aangehouden; de e-mail van 2 november 2020 van Royal FloraHolland waarin om vonnis wordt verzocht. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 25 september 2020. Bij de mondelinge behandeling was namens Royal FloraHolland [bedrijfsrechercheur] , bedrijfsrechercheur bij Royal FloraHolland, samen met mr. Duijsens aanwezig. Namens [gedaagden] was mr. Hofstra aanwezig. [gedaagden] zelf is niet verschenen. Namens beide partijen zijn hun standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3. Daarna volgt dit vonnis. 2Het geschil Achtergrond 2.1. Royal FloraHolland organiseert bloemenveilingen. [gedaagde 1] was bloementeler. [gedaagde 2] is zijn vrouw. 2.2. Tussen partijen wordt al geruime tijd geprocedeerd. De Rechtbank Utrecht heeft op 7 oktober 2009 geoordeeld dat [gedaagde 1] jegens Royal FloraHolland onrechtmatig heeft gehandeld door – kort gezegd – een groot aantal ‘stapelwagens’ van Royal FloraHolland te ontvreemden. Het Hof Amsterdam heeft dit oordeel op 26 augustus 2014 bekrachtigd. [gedaagden] is vervolgens in de schadestaatprocedure in hoger beroep door het Hof Arnhem-Leeuwarden op 30 januari 2018 veroordeeld tot betaling aan Royal FloraHolland van € 6.418.400 met rente en kosten. 2.3. Royal FloraHolland wil haar vordering op [gedaagden] verhalen. Zij meent dat [gedaagden] vermogensbestanddelen en/of inkomsten aan het verhaal onttrekt. In dat kader heeft zij een kort geding tegen [gedaagden] aangespannen waarin de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagden] bij vonnis van 2 januari 2020 (met kenmerk C/16/490254 / KG ZA 19-667) heeft veroordeeld tot het volgende: “(…) 4. De beslissing De voorzieningenrechter: 4.1. beveelt [gedaagden] geen goederen aan rechtmatig verhaal door Royal FloraHolland te onthouden en/of goederen aan het verhaal van Royal FloraHolland trachten te onttrekken; 4.2. beveelt [gedaagden] binnen veertien dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis opgave te doen aan Royal FloraHolland van zijn/haar bronnen van inkomsten ven vermogen, op schrift, en met onderliggende documentatie gestaafd ter bevestiging van de dan door ieder verstrekte informatie; 4.3. beveelt [gedaagden] telkens op de eerste werkdag van de even maand een bijgewerkte versie van de opgave onder 4.2 hiervoor te verstrekken aan Royal FloraHolland; 4.4. beveelt [gedaagden] binnen veertien dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis de vragen van Royal FloraHolland aan [A] van TFC in verband met de schuld van [gedaagde 1] aan TFC en de totstandkoming van de overeenkomst tussen TFC en [gedaagde 1] in 1996, zoals omschreven onder 19 van de dagvaarding, op schrift te beantwoorden, en met onderliggende documentatie gestaafd ter bevestiging van de dan door ieder verstrekt informatie; 4.5. bepaalt dat [gedaagden] aan Royal FloraHolland een dwangsom van € 10.000,00 verschuldigd is bij overtreding van het hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 bepaalde en voor iedere volgende dag dat die overtreding voortduurt, met een maximum van € 750.000,00; 4.6. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Royal FloraHolland, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.718,01, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 4.7 veroordeelt [gedaagden] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op: € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling; en € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling; 4.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 4.9. wijst af het meer of anders gevorderde. (…) ” 2.4. Het vonnis van 2 januari 2020 is op 6 januari 2020 aan [gedaagden] betekend. Standpunt van Royal FloraHolland 2.5. Volgens Royal FloraHolland heeft [gedaagden] , ondanks verzoeken en sommaties daartoe, op geen enkele wijze aan het vonnis gevolg gegeven. De opgelegde dwangsommen tot een maximum van € 750.000,00 zijn inmiddels geheel verschuldigd geworden. Royal FloraHolland stelt dat de gebruikelijke executiemiddelen geen resultaat sorteren. [gedaagden] laat zich niets aan het voornoemd vonnis gelegen en hij hult zich in stilzwijgen, aldus Royal FloraHolland. 2.6. Gezien het voorgaande vordert Royal FloraHolland dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om zolang [gedaagden] niet voldoet aan de veroordelingen als genoemd in het dictum van het vonnis van deze rechtbank van 2 januari 2020, met kenmerk C/16/490254 / KG ZA 19-667, de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis bij lijfsdwang toe te staan, met lijfsdwang voor een periode van drie maanden, een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure, de kosten van het in gijzeling doen stellen van [gedaagden] daaronder begrepen. Standpunt van [gedaagden] 2.7. [gedaagden] heeft – kort gezegd – als verweer gevoerd dat Royal FloraHolland geen belang heeft bij het toepassen van lijfsdwang. [gedaagden] stelt alle informatie die hij heeft aan Royal FloraHolland te hebben verstrekt. Hij stelt niet te kunnen verklaren over zaken die er niet zijn. Het toepassen van lijfsdwang levert Royal FloraHolland daarom volgens [gedaagden] niets op. [gedaagden] stelt daarnaast dat Royal FloraHolland niet alle verhaalsmogelijkheden heeft onderzocht. Volgens [gedaagden] kan lijfsdwang slechts worden toegepast indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden. Het is dus een ultimum remedium. [gedaagden] stelt dat er geen sprake is van een situatie dat toegekomen kan worden aan dit laatste redmiddel. Nu tegen het vonnis van deze rechtbank van 2 januari 2020 hoger beroep is ingesteld is [gedaagden] van mening dat Royal FloraHolland bovendien vooruitloopt op de zaken door lijfsdwang te vorderen ter zake een niet in kracht van gewijsde gegane beslissing. Verder dient het (gezondheids)belang van [gedaagden] te prevaleren boven het belang van Royal FloraHolland om haar vordering voldaan te krijgen. Gezien het voorgaande dient de vordering van Royal FloraHolland volgens [gedaagden] te worden afgewezen. Mocht de vordering toch worden toegewezen, verzoekt [gedaagden] de duur van de lijfsdwang aanzienlijk te beperken vanwege de slechte gezondheid van [gedaagden] en verzet [gedaagden] zich tegen uitvoerbaar bij voorraad verklaring. 3De beoordeling Spoedeisend belang 3.1. Het spoedeisend belang van Royal FloraHolland is gegeven met de veroordelingen in het vonnis van deze rechtbank van 2 januari 2020. De vraag of [gedaagden] reeds aan de veroordelingen heeft voldaan, dient door inhoudelijke toetsing te worden vastgesteld. Het voornoemde vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat Royal FloraHolland de door haar ingezette executie kan voortzetten in aanloop naar door het hof te wijzen arrest. De voorzieningenrechter kan daarom overgaan tot de inhoudelijk beoordeling van dit geschil. Het toetsingskader 3.2. De eerste die vraag die voorligt is of [gedaagden] op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de veroordelingen uit het vonnis van deze rechtbank van 2 januari 2020 en of in dat verband terecht dwangsommen zijn geïncasseerd. 3.3. In een executiegeschil in de zin van artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), moet de rechter bij wie het executiegeschil voorligt onderzoeken of de door de rechter verlangde prestatie, waaraan in het onderhavige geval ook dwangsommen als sanctie zijn verbonden, is verricht. De inhoud van de veroordeling dient door uitleg te worden vastgesteld. In een executiegeschil wordt niet de rechtsverhouding tussen partijen opnieuw beoordeeld. De veroordelingen uit het vonnis van 2 januari 2020 3.4. Tijdens de mondelinge behandeling is namens Royal FloraHolland, na vragen van de voorzieningenrechter daarover, aangegeven dat de in deze procedure gevorderde lijfsdwang ziet op het niet nakomen van de veroordelingen, zoals vermeld onder 4.2, 4.3 en 4.4 van het vonnis van 2 januari 2020. 3.5. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] op grond van de veroordelingen vermeld onder 4.2 en 4.3 van het vonnis van 2 januari 2020 gehouden was aan Royal FloraHolland:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.