RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/1764 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. A. el Morabet Belhaj en J. Chattou). Procesverloop Bij besluit van 21 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot huurtoeslag voor het jaar 2019 gewijzigd en vastgesteld op nihil. Ook heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2019 gewijzigd en vastgesteld op € 640,-. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2020 via Skype. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Op 27 oktober 2019 heeft verweerder een melding van eiseres ontvangen waarmee zij haar geschatte toetsingsinkomen over 2019 heeft gewijzigd naar € 25.000,-. De wijziging van het geschatte toetsingsinkomen heeft geleid tot het primaire besluit, waarbij verweerder het voorschot huur- en zorgtoeslag voor 2019 heeft aangepast.
- Eiseres is het er niet mee eens dat de eerder ontvangen voorschotbedragen huur- en zorgtoeslag over de maanden januari tot en met september 2019 terugbetaald moeten worden. Volgens eiseres is verweerder ten onrechte voor het gehele kalenderjaar 2019 uitgegaan van het geschatte toetsingsinkomen van € 25.000,-. Dit toetsingsinkomen moet volgens eiseres niet gelden voor de maanden januari tot en met september 2019, omdat zij toen nog niet fulltime werkte en daardoor minder verdiende.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht voor 2019 zorgtoeslag op € 640,- en de huurtoeslag op nihil heeft vastgesteld. Verweerder heeft terecht aan de hand van het door eiseres geschatte toetsingsinkomen van € 25.000,- het voorschot huur- en zorgtoeslag berekend. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder gaat bij het verlenen van een voorschotbedrag uit van het geschatte toetsingsinkomen. Doordat eiseres vanaf oktober 2019 fulltime is gaan werken, is het geschatte toetsingsinkomen in 2019 gewijzigd. Verweerder heeft vanaf dat moment het aangepaste toetsingsinkomen gehanteerd voor de berekening van het voorschot. Uit de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) volgt dat gekeken wordt naar het jaarinkomen om de voorschotten te bepalen. Vervolgens wordt per maand gekeken welk bedrag als voorschot wordt uitgekeerd. Als blijkt dat het inkomen hoger is, daarvan is sprake, dan wordt het voorschot herzien. Daarbij is niet van belang in welk deel van het jaar inkomen is genoten. Het systeem van de Awir brengt namelijk mee dat het inkomen steeds naar een jaarinkomen wordt herleid. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awir volgt dat dit het gemakkelijkst uitvoerbaar en in reguliere gevallen een goed beeld geeft van de draagkracht. Dat is de uitvoeringspraktijk. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is voor eiseres dat zij geconfronteerd werd met een terugvordering. Het bestreden besluit volgt op de omstandigheid dat zij meer is gaan werken. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van het geschatte jaarinkomen van € 25.000,-.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2020 door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De griffier is verhinder om deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, van de Awir. Dit volgt uit artikel 16, vijfde lid, van de Awir. Kamerstukken II 2004/2005, 29 764, nr. 3, blz. 11.