RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/037716-20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 9 december 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1999] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 november
(13)afspraken die de benadeelde partij heeft gehad. De verdediging heeft niet betwist dat deze afspraken hebben plaatsgevonden of dat de opgegeven reisafstand (62 kilometer v.v.) onjuist zou zijn. Deze reiskosten zijn derhalve toewijsbaar. Ter terechtzitting zijn namens de benadeelde partij verschenen haar advocaat en haar moeder. Benadeelde partij was zelf niet ter zitting aanwezig, zodat de door haar gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de zitting ad € 14,00 niet voor vergoeding in aanmerking komen. De reiskosten ad € 58,80 in verband met het bezoek aan de advocaat zouden op de voet van artikel 6:96 lid 2, onder b, BW kunnen worden beschouwd als materiële schade, bestaande uit kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade. De Hoge Raad heeft echter beslist dat dergelijke kosten géén rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit zijn (vgl. Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338). Deze reiskosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Van de reiskosten naar het politiebureau om aangifte te doen of een nadere verklaring af te leggen ad in totaal € 56,00, kan niet worden gezegd dat zij zijn gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2, onder b, BW. Zij strekken ertoe strafrechtelijke opsporing en vervolging van de dader te bewerkstelligen. De enkele omstandigheid dat een eventuele daarop volgende strafrechtelijke veroordeling de grondslag kan bieden voor schadevergoeding (en dit vaak mededoelstelling van het slachtoffer is), maakt niet dat gezegd kan worden dat die reiskosten met dat doel zijn gemaakt (vgl. Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690) Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht. Aldus komt in totaal een bedrag van € 267,48 aan materiële schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking (opvragen medische informatie huisarts: € 41,80; en reiskosten medische behandelingen: € 225,68). Immateriële schadevergoeding Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bestaat recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In het onderhavige geval gaat het om laatstgenoemde categorie. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:794). De rechtbank overweegt dat, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde verkrachtingen door verdachte, het voor de hand ligt dat [slachtoffer] als gevolg hiervan immateriële schade heeft geleden. Dat sprake is van enig psychisch letsel is voldoende onderbouwd aan de hand van de door de benadeelde partij in het geding gebrachte stukken met betrekking tot haar psychologische behandeling. De rechtbank begroot de immateriële schade op € 7.500,
- De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering ten aanzien van de immateriële schade (ter hoogte van € 7.500,00) niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de bewijslevering voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel De door de benadeelde partij gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen. Als ingangsdatum daarvoor zal de rechtbank de datum hanteren waarop de eerste verkrachting heeft plaatsgevonden, te weten 22 juli
- Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 7.767,48 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 73 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Proceskosten Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren; - beveelt dat een gedeelte, groot 1 (één) jaar, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd: * zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd tussen 13:00 en 16:30 uur meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht, zo vaak en zo lang de reclassering die nodig acht; * verdachte werkt mee aan diagnostiek en indien geïndiceerd behandeling door forensisch psychiatrische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; * op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] ; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; Benadeelde partij - wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 7.767,48 (zegge: zevenduizendzevenhonderdzevenenzestig euro en achtenveertig eurocent), bestaande uit € 267,48 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade; - veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente 22 juli 2018 tot de dag van volledige betaling; - legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 7.767,48 (zegge: zevenduizendzevenhonderdzevenenzestig euro en achtenveertig eurocent), te betalen, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij geen betaling aan te vullen met 73 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; - veroordeelt verdachte in de kosten die [slachtoffer] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; - wijst af het meer gevorderde bedrag aan materiële schade ter hoogte van € 128,80; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor het meer gevorderde bedrag aan immateriële schade ter hoogte van € 7.500,
- Dit vonnis is gewezen door mr. M. den Besten, voorzitter, en mrs. E.J.W. Verhaagh en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december
- De voorzitter is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: primair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2018 tot 2 februari 2019 te Vianen en/of elders in Nederland, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het (telkens) brengen van [slachtoffer] naar een stille en/of afgelegen locatie en/of - ( telkens) toen die [slachtoffer] weg wilde lopen haar bij de hand heeft gepakt en haar teruggetrokken en/of - het (telkens) al dan niet dwingend zeggen tegen [slachtoffer] dat zij op haar knieën moest gaan zitten en/of - het (telkens) naar beneden duwen van die [slachtoffer] toen zij niet wilde knielen en/of - het (telkens) al dan niet dwingend zeggen dat [slachtoffer] haar mond open moest doen en/of - het één of meermalen (dwingend) zeggen tegen die [slachtoffer] dat zij zich moest omdraaien en/of - ( telkens) de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of - die [slachtoffer] met een telefoon heeft gefilmd, althans heeft gedaan alsof hij, verdachte, die [slachtoffer] met een telefoon filmde, terwijl zij zijn, verdachtes, geslachtsdeel in haar mond had en/of - die [slachtoffer] één of meermalen heeft gedreigd bovengenoemde filmopname openbaar te maken en/of te verspreiden, [slachtoffer] (geboren op [2003] ) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het (telkens) brengen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de mond van die [slachtoffer] en/of - het (telkens) brengen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de vagina van die [slachtoffer] ; subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2018 tot 2 februari 2019 te Vianen en/of elders in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de mond van die [slachtoffer] en/of - het brengen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de vagina van die [slachtoffer] . Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0900-2019035469 van 19 juni 2019, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, Team Zeden, doorgenummerd pagina 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van de terechtzitting van 25 november
- Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, pagina
- Een proces-verbaal van aangifte, pagina
- Een proces-verbaal van aangifte, pagina
- Een proces-verbaal van aangifte, pagina
- Een proces-verbaal van aangifte, pagina
- Een proces-verbaal van aangifte, pagina
- Een proces-verbaal van aangifte, pagina
- Een proces-verbaal van aangifte, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor aangeefster, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor aangeefster, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor aangeefster, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 75.