RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Zaaknummer/rekestnummer: 513655 / HA RK 20 302 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 9 december 2020 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van: [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , (verder te noemen: verzoeker). 1De procedure 1.
- Verzoeker heeft op 2 december 2020 een verzoek ingediend tot wraking van mr. A. Lanshage (de wrakingskamer begrijpt mr. S. Lanshage) in de zaak met zaaknummer C/16/511810 JE RK 20/
- 1.
- De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling. 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.
- Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. 2.
- Het middel van wraking is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter, bij wie uit zijn gedrag of overtuiging vooringenomenheid blijkt tegenover een partij - althans aan een partij die daarover de objectief gerechtvaardigde vrees heeft - (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. 2.
- Verzoeker heeft in de onderliggende zaak om uitstel gevraagd voor de zitting van 3 december
- Omdat de met de behandeling van de zaak belaste rechter niet in staat was hierop te beslissen in verband met afwezigheid heeft mr. Lanshage op dit uitstelverzoek beslist. Hij heeft het uitstelverzoek afgewezen. Eerstgenoemde rechter zou de zaak op de zitting van 3 december 2020 behandelen. Dit is dus niet de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is gericht. Dat betekent dat mr. Lanshage ongeacht de beslissing van de wrakingskamer geen bemoeienis meer zal hebben met de behandeling van zijn zaak. Verzoeker heeft daarom geen belang bij zijn verzoek tot wraking. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dit wrakingsverzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. 3De beslissing De wrakingskamer: 3.
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek; 3.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is gericht, andere betrokken partijen, alsmede aan de president van deze rechtbank; 3.
- bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/511810 JE RK 20/2165 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en mr. R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.