RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/5373 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats ] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.T. Meijhuis), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg). Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2019 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn WIA-uitkering niet wijzigt. Bij besluit van 20 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en hem een IVA-uitkering toegekend, gebaseerd op 75% van het minimumloon. Verzoeker heeft tegen het besluit van 20 november 2019 beroep ingesteld. Bij besluit van 11 februari 2020 heeft verweerder het besluit van 20 november 2019 gewijzigd en een IVA-uitkering toegekend, gebaseerd op 75% van het WIA-maandloon van verzoeker. Verweerder heeft op 3 november 2020 meegedeeld te kunnen instemmen met een veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 13 november 2020 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Overwegingen
- De rechtbank kan op grond van artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen.
- Verweerder heeft op 20 november 2019 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan omdat het dagloon in dat besluit onjuist zou zijn vastgesteld. Verweerder heeft op 11 februari 2020 een nieuw besluit genomen waarin het dagloon op een ander bedrag is vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder met dit nieuwe besluit aan verzoeker is tegemoetgekomen. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
- Verweerder heeft bij brief van 3 november 2020 ingestemd met een veroordeling in de proceskosten van verzoeker.
- De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Bpb vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht van € 47,- moet vergoeden. Beslissing De rechtbank: - veroordeelt verweerder tot betaling van € 525,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.