RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/1625-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 op het verzet van [opposant] , te [woonplaats] , opposant, (gemachtigde: mr. L.A.M. van der Geld). Procesverloop Opposant heeft beroep ingediend tegen de beslissing op bezwaar van 3 april 2019 van Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug. In de uitspraak van 15 januari 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard omdat verweerder het bezwaar van opposant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft dit gedaan omdat het bezwaar niet gericht was tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Opposant heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend. De zitting heeft plaatsgevonden op 3 november
- Opposant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen met bericht van verhindering. Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug is niet verschenen met bericht van verhindering. Overwegingen
- De rechtbank heeft de uitspraak van 4 juni 2020 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
- In deze verzetprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2020 in stand kan blijven. Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
- Opposant geeft in zijn verzetschrift aan dat de email van 21 maart 2019 wel een besluit is waar opposant bezwaar tegen kon maken. De email dient te worden aangemerkt als een buiten behandeling stelling waardoor er wel degelijk sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Er verandert met de email wel degelijk iets in de rechten, verplichtingen of bevoegdheden van opposant. Er wordt immers niet gestart met het pre-Bbz traject. Subsidiair geeft opposant aan dat als de rechtbank de email niet ziet als een besluit in de zin van 1:3 van de Awb, artikel 6:2, sub a Awb van toepassing is.
- De rechtbank volgt opposant hierin niet. Dat wat opposant aanvoert in verzet is in grote lijnen gelijk aan de gronden van beroep. Opposant heeft op 29 maart 2018 een aanvraag voor een Bbz-uitkering gedaan. Op 28 mei 2018 is deze aanvraag afgewezen. Uit het dossier blijkt niet dat er daarna nog een aanvraag is gedaan. Met betrekking tot de vraag of de email van 21 maart 2019 gezien moet worden als een besluit (in de zin van artikel 1:3 van de Awb, als een weigering een besluit te nemen of als een buiten behandeling stelling) sluit de rechtbank zich aan bij rechtsoverwegingen 3 en 4 in de uitspraak van de rechtbank van 15 januari
- Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2020 in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.