RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/4572-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2020 op het verzet van [opposante] , te [vestigingsplaats] , opposante, (gemachtigde: mr. C.P. Zwaanswijk), Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzet dat opposante heeft ingediend tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 februari
- In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de burgemeester van de gemeente Woerden van 10 september 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld en de rechtbank niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 februari 2020 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet tijdig heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 3 februari 2020 niet juist was.
- Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 3 februari 2020 niet juist omdat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Opposante ging ervan uit dat zij één keer griffierecht verschuldigd was, omdat de grondslag van beide beroepen één en dezelfde bestuurlijke rapportage betreft met dezelfde verweerder. Daarnaast ontving opposante in beide zaken een vooraankondiging voor dezelfde zittingsdag met hetzelfde tijdstip. Opposante ging er daarom van uit dat zij één keer griffierecht verschuldigd was. Opposante stelt dat op zowel de griffierechtnota’s als herinneringsnota’s van beide zaken, [bedrijf] met zaaknummer 19/4574 en [opposante] met zaaknummer 19/4572, onder kenmerk enkel wordt verwezen naar ‘ [opposante] ’. Ook om die reden ging opposante er vanuit dat de nota’s enkel zagen op [opposante] en heeft daarom eenmalig het griffierecht voldaan met betalingskenmerk 2000 8591 0230
- Naderhand is gebleken dat de betalingskenmerk 2000 8591 0230 1008 zag op de zaak [bedrijf] .
- De rechtbank is het niet eens met opposant, omdat op zowel de griffierechtnota’s als de herinneringsnota’s in beide zaken onder het kopje ‘kenmerk van uw zaak’ wordt verwezen naar het juiste zaaknummer. De rechtbank int voor elke beroepszaak afzonderlijk griffierecht, ook als de beroepszaken nauw met elkaar samen hangen en dezelfde verweerder betreffen. De rechtbank stelt vast dat de griffierechtnota’s en herinneringsnota’s van beide beroepszaken op dezelfde datum zijn verzonden met dezelfde partijnamen, en tevens de correcte betalingskenmerken en zaaknummers vermelden. Bovendien zijn de nota’s naar een professionele rechtsbijstandsverlener verzonden van wie mag worden verwacht dat hij er mee bekend is dat wanneer er twee beroepen worden ingediend er ook tweemaal griffierecht moet worden betaald. Het dient daarom voor risico van opposante te komen dat zij niet tijdig het griffierecht heeft voldaan.
- Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 3 februari 2020 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier, op 12 juni
- Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.