← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:6012

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/259269-20 Beslissing in hoger beroep op grond van artikel 87 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige raadkamer van 22 oktober 2020 in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (Suriname), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] . Het hoger beroep is achter gesloten deuren behandeld in de raadkamer van 22 oktober 2020. De officier van justitie, mr. R. Lemstra, is in raadkamer verschenen. De raadsvrouw van verdachte, mr. A. Yüksel, advocaat te Amsterdam, is niet verschenen. Zij heeft haar standpunt schriftelijk medegedeeld. Verdachte is evenmin verschenen. 1Het bevel van de rechter-commissaris De rechter-commissaris heeft bij bevel van 19 oktober 2020 de door de officier van justitie ingediende vordering tot inbewaringstelling toegewezen ten aanzien van het feit dat genoemd is in de vordering. De rechter-commissaris heeft overwogen dat er voldoende ernstige bezwaren tegen verdachte bestaan uit de thans bekende feiten en omstandigheden en dat daarnaast de volgende recidivegrond voor de voorlopige hechtenis aanwezig is: er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht; de voorlopige hechtenis is in redelijkheid noodzakelijk voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid. Het onderzoek is immers nog niet afgerond en de verdachte kan de voortgang hiervan belemmeren. Voor de rechter-commissaris vormden de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om de voorlopige hechtenis te schorsen. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het bevel van de rechter-commissaris tot schorsing van de voorlopige hechtenis. De officier van justitie heeft daartoe een appelschriftuur van 19 oktober 2020 overgelegd. De officier van justitie vindt het in het kader van de aard en ernst van de verdenking, de strafrechtelijke documentatie van verdachte en het bij de reclassering reeds uitgezette onderzoek van belang dat verdachte in voorlopige hechtenis zal verblijven. Volgens officier van justitie is geen sprake van onderbouwde, zwaarwegende persoonlijke belangen die maken dat van dat standpunt moet worden afgeweken. 3Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft op 21 oktober 2020 per e-mail gereageerd op het standpunt van de officier van justitie. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat verdachte zijn kamer bij het [naam organisatie] en zijn uitkering zal kwijtraken wanneer hij vast komt te zitten. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het hoger beroep binnen de wettelijke termijn van 14 dagen is ingediend. De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van verdenking van een ernstig strafbaar feit, namelijk een poging tot ontucht en dat er een grond voor de voorlopige hechtenis bestaat. De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt dat, gelet op de aard en ernst van de verdenking en het recidivegevaar, op dit moment een schorsing niet op zijn plaats is. Niet is gebleken van zwaarwegende persoonlijke belangen die een uitzondering hierop rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat onder de gegeven omstandigheden het maatschappelijk belang moet prevaleren boven het persoonlijk belang van verdachte. De rechtbank zal het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ten aanzien van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan ook gegrond verklaren en het schorsingsbevel vernietigen. De rechtbank verzoekt de officier van justitie wel om de reclassering opdracht te geven een schorsingsrapportage op te laten maken, zodat in de toekomst kan worden bekeken of een schorsing aan de orde is. 5De beslissing De rechtbank: - verklaart het hoger beroep van de officier van justitie gegrond; - vernietigt het bevel van de rechter-commissaris tot schorsing van de voorlopige hechtenis; - oordeelt dat de voorlopige hechtenis onverwijld ten uitvoer moet worden gelegd; Het bevel van de rechter-commissaris blijft voor het overige in stand. Aldus gedaan te Utrecht op 22 oktober 2020 door mr. E. Akkermans, voorzitter, mrs. Y.M. Vanwersch en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen als griffier. Deze beslissing is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en ondertekend.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.