← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2020:6040

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummers: UTR 20/1574, UTR 20/1989 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder (gemachtigde: P.E.C. Botman). Procesverloop Bij besluit van 22 mei 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 vanwege verzwegen inkomsten. Over de periode van 1 april 2018 tot en met 31 mei 2018 heeft verweerder het recht op bijstand herzien. Bij besluit van 30 oktober 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder de teveel betaalde bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 teruggevorderd tot een bedrag van € 4.549,

  1. Bij besluiten van 3 april 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit over het primaire besluit I is geregistreerd onder UTR 20/
  2. Het beroep tegen het bestreden besluit over het primaire besluit II is geregistreerd onder UTR 20/
  3. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen loongegevens van Suwinet in te dienen. Verweerder heeft deze gegevens op 16 september 2020 ingebracht. Bij brief van 22 september 2020 heeft eiser hierop gereageerd. De rechtbank heeft partijen vervolgens op 13 oktober 2020 medegedeeld voldoende geïnformeerd te zijn en voornemens te zijn zonder nadere zitting uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen vier weken aangeeft mondeling te willen worden gehoord. Bij het uitblijven van een reactie, heeft de rechtbank op 17 november 2020 het onderzoek gesloten. Overwegingen Over de intrekking- en herziening
  4. Eiser voert aan dat verweerder het recht op bijstand onterecht heeft herzien en ingetrokken. Hij heeft in de betreffende periode twee keer in de maand een proefdag gehad bij [A] , handelend onder de naam [koeriersbedrijf] . In deze periode heeft hij alleen een vergoeding voor reis-en maaltijdkosten ontvangen. Ook [A] heeft dit schriftelijk verklaard. Voor eiser is niet duidelijk hoe het kan dat [A] verloonde uren aan de Belastingdienst heeft opgegeven, terwijl hij geen salaris en salarisstroken heeft ontvangen. Gelet op voormelde bijzondere omstandigheden mocht verweerder niet alleen van de gegevens van de Belastingdienst in Suwinet uitgaan, maar had verweerder nader onderzoek moeten doen naar de beweerde werkzaamheden en verloonde uren van eiser. Door een dergelijk onderzoek na te laten moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het recht op bijstand terecht heeft ingetrokken en herzien. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens van het Suwinet. Anders dan eiser stelt, is het dan aan hem om aan te tonen dat deze gegevens niet kloppen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Eiser heeft geen objectieve bewijsstukken in het geding gebracht, op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de informatie zoals die uit Suwinet blijkt. De gecorrigeerde aangifte inkomstenbelasting 2018 maakt dat niet anders. Niet is gebleken dat de Belastingdienst die aangifte heeft gevolgd. Over de terugvordering
  6. Gelet op r.o. 2 was verweerder was dan ook gehouden de ten onrechte ontvangen bijstand van eiser terug te vorderen. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden tegen de terugvordering aangevoerd, zodat ook in zoverre het bestreden besluit in rechte stand houdt.
  7. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Gena, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de griffier de rechter is verhinderd om te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2789, 24 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:637 en 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3293.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.