RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 7562333 UC EXPL 19-2031 MJ/1546 Vonnis van 4 maart 2020 inzake [eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam], zaakdoende te [vestigingsplaats 1] , verder ook te noemen [eiser] , eisende partij, gemachtigde: mr. J.W. de Haij, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gemeente Utrecht, verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. P.C. van As. 1De verdere procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het deelvonnis van 27 november 2019 de akte uitlating van [gedaagde] 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- Het deelvonnis van 27 november 2019 hield een tussenvonnis in. De kantonrechter heeft [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat partijen, in afwijking van artikel 6.
- van de overeenkomst van opdracht, zijn overeengekomen dat en per wanneer alle gewerkte overuren tegen een tarief van € 35,00 per uur zouden worden afgerekend. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten op welke wijze zij bewijs wil leveren. 2.
- [gedaagde] heeft daarop laten weten dat zij afziet van bewijslevering op dit onderdeel. 2.
- Dit betekent dat de door haar gestelde nadere afspraak met [eiser] niet is komen vast te staan en [eiser] recht heeft op uitbetaling van het verhoogde bedrag van de overuren, zoals door hem gevorderd. De kantonrechter verwijst naar overweging 2.17 van het deelvonnis. In het deelvonnis heeft de kantonrechter dit deel van de vordering van [eiser] berekend op een bedrag van € 581,
- Dit bedrag zal thans worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 14 december
- 2.
- Het in hoofdsom in het deelvonnis en dit vonnis toegewezen bedrag bedraagt € 14.715,00 + € 581,00 = € 15.296,
- Niet is bestreden dat [eiser] aanspraak heeft op vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten. Het gehanteerde tarief is redelijk en komt bij het toegewezen bedrag in hoofdsom uit op € 927,
- Dit bedrag zal worden toegewezen. 2.
- [eiser] heeft als de in het gelijk gestelde partij aanspraak op vergoeding van zijn proceskosten door [gedaagde] . Nu echter de proceshandelingen na het deelvonnis beperkt zijn gebleven tot uitsluitend een akte aan de zijde van [gedaagde] zelf, is er geen reden om bij dit eindvonnis nog een vergoeding toe te kennen boven het reeds toegewezen bedrag voor vergoeding van proceskosten. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 581,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 14 december 2018 tot de voldoening; 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 927,96 vergoeding van buitengerechtelijke kosten; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.