RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 8177297 AE VERZ 19-64 SM/1152 Beschikking van 19 februari 2020 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [verzoeker] , verzoekende partij, gemachtigde: mr. G.J. Knotter, tegen: de besloten vennootschap [verweerster] B.V., gevestigd te [vestiginsplaats] , verder ook te noemen [verweerster] , verwerende partij, gemachtigde: mr. L.A. Godwaldt. 1De procedure 1.1. [verzoeker] heeft een verzoekschrift voor een deelgeschil ingediend met bijlagen. De mondelinge behandeling was op 23 januari 2020. Op die ochtend zijn kort voor de mondelinge behandeling namens (AIG de aansprakelijkheidsverzekeraar van) [verweerster] stukken ingediend. Bij de behandeling was [verzoeker] aanwezig, vergezeld door zijn echtgenote. Hij werd bijgestaan door mr. Knotter. [verweerster] werd vertegenwoordigd door de heer [A] , productiemanager en de heer [B] , operationmanager. Voorts was aanwezig mr. L. Godwaldt. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. 2Het geschil 1.1. [verweerster] produceert voer voor honden en katten. [verzoeker] was operator/productiemedewerker bij [verweerster] . In de nacht van 26 op 27 november 2018 is er een snijmachine omgevallen. [verzoeker] is daardoor gewond geraakt. [verzoeker] heeft [verweerster] bij brief van 4 februari 2019 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van dit ongeval en haar verzocht het ongeval te melden bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar. In dit deelgeschil verzoekt [verzoeker] dat de rechtbank bepaalt dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Zijn subsidiaire verzoek dat [verweerster] wordt veroordeeld om het ongeval te melden bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar heeft [verzoeker] ter zitting ingetrokken, omdat hem na indienen van het verzoek bekend is geworden dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerster] (AIG) inmiddels bij de afwikkeling van de schade is betrokken. 1.2. [verzoeker] heeft de volgende beschrijving gegeven van het ongeval. Hij was alleen op de productieafdeling. In verband met een andere productiemethode moesten (snij)machines worden omgezet naar een andere lopende band. Bij een dergelijke omzetting moest er een snijmachine een stukje worden opgeschoven. Nadat hij dit had gedaan en hij zich had omgedraaid in de richting van de machine die daarnaast stond viel de snijmachine om en kwam bovenop hem terecht. Daardoor kwam hij ten val en kwam hij klem te zitten tussen beide machines. De snijmachine was ongeveer 2 meter breed en 1.60 meter hoog. Hij slaagde er in om de machine met zijn handen enigszins tegen te houden, maar vanwege het gewicht slaagde hij er eerst niet in om onder/achter de machine vandaan te komen. Pas na extreme krachtsinspanning is het hem gelukt om onder de machine vandaan te komen. Hij bloedde hevig en had een diepe schaafwond verticaal over zijn buik. Volgens [verzoeker] is de machine omgevallen omdat er een poot was afgebroken 1.3. [verweerster] is van mening dat zij niet aansprakelijk is, omdat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht als werkgever. Volgens haar is het onmogelijk dat de machine die 600 kg weegt zomaar is omgevallen. Zij heeft tegengesproken dat er een poot was afgebroken. Het ongeluk is volgens haar gebeurd omdat [verzoeker] de machine heeft verplaatst. Hij heeft dit gedaan terwijl dat niet tot zijn taak behoort en ook nog eens alleen. 2De beoordeling Ontvankelijkheid 2.1. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen het op bepaalde punten niet eens kunnen worden, waardoor de buitengerechtelijke onderhandelingen worden belemmerd. Een partij (of partijen gezamenlijk) kunnen in een deelgeschilprocedure de rechter verzoeken op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met buitengerechtelijke onderhandelingen, met als uiteindelijk doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Om dit rechtelijk oordeel te krijgen is het niet per definitie noodzakelijk dat partijen (nog) met elkaar in onderhandeling zijn. Juist als partijen het niet eens zijn over de aansprakelijkheid kan een oordeel van de rechter hierover de onderhandelingen (weer) op gang helpen. Als geen aansprakelijkheid wordt aangenomen is daarmee het geschil tussen partijen beslecht en als wel aansprakelijkheid wordt aangenomen kunnen partijen zich richten op de omvang van de schade en het causaal verband tussen de schade en het ongeval. Verder is het zo dat [verzoeker] letselschade heeft opgelopen bij het ongeval, waaronder in elk geval een flinke schaafwond. Hij heeft dus belang bij een uitspraak over de aansprakelijkheid. 2.2. Het voorgaande betekent dat het verzoek over de aansprakelijkheid geschikt is om in een deelgeschil te behandelen. Het verzoek zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld. [verzoeker] vraagt in deze procedure enkel een oordeel over de aansprakelijkheid. De kantonrechter beperkt zich daarom tot dat punt, en zal niet ingaan op de discussie van partijen over het causaal verband en de aard en omvang van de schade. Wettelijk kader 2.3. Artikel 7:658 lid 1 BW eist een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen en gereedschappen en van de organisatie van de werkzaamheden. De werkgever moet op grond van dit artikel die maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om ongevallen die zich bij de werkzaamheden zouden kunnen voordoen te voorkomen. Dit is de zorgplicht van de werkgever. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Artikel 7:658 BW heeft echter niet tot doel een absolute waarborg te geven voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke (veiligheids)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 2.4. Voor de stelplicht en bewijslast in het kader van artikel 7:658 BW gelden de volgende uitgangspunten: - de werknemer moet stellen en bij betwisting bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. In het algemeen is daarvoor voldoende dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. Dit betekent niet zonder meer dat de werknemer ook moet bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken en wat de oorzaak daarvan is (zie onder meer HR 4 mei 2011, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432); - als vast komt te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval in beginsel gegeven. Hij kan dan nog aan aansprakelijkheid ontkomen als hij stelt, en zo nodig bewijst, dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Van bewust roekeloos handelen is slechts sprake indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan werkelijk bewust is geweest. Schending zorgplicht 2.5. Vaststaat dat het ongeval is gebeurd terwijl [verzoeker] voor [verweerster] aan het werk was. [verweerster] heeft niet aangevoerd dat het ongeval is gebeurd door opzet van [verzoeker] of omdat hij roekeloos heeft gehandeld. Dat betekent dat [verweerster] in beginsel aansprakelijk is voor het ongeval, tenzij zij aantoont dat zij al die maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs noodzakelijk waren om het ongeval te voorkomen. 2.6. Ter zitting zijn foto’s van de snijmachine en van de plaats van het ongeval besproken. Uit deze foto’s en de toelichting van partijen daarop blijkt dat de machine vier poten heeft. Deze poten staan weer op vier klossen van kunststof. De poten staan ‘los’ op deze klossen. [verweerster] heeft uitgelegd dat in de klossen een uitsparing is gefreesd waarin de poten van de machine precies passen. Het verplaatsen van de machine moet volgens [verweerster] met twee personen gebeuren. De machine wordt met een pompwagen omhoog getild, dan moeten de klossen worden verplaatst en daarna moet de machine zo worden teruggeplaatst dat de poten weer precies in de uitgefreesde gedeelten van de klossen vallen. 2.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het niet waarschijnlijk is dat de poot van de machine is afgebroken. De poot stond immers al los op de klos. Het is aannemelijk dat (één van) de poten bij het verplaatsen van de machine door [verzoeker] niet precies is/zijn teruggeplaatst in de uitsparing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.