RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/2346 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2020 in de zaak tussen [eiser] , in leven voor het laatst wonende te [woonplaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder (gemachtigde: mr. M.P. van Asch). Procesverloop Bij besluit van 27 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bouwstop opgelegd. Ook heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, die inhoudt dat eiser geen verdere bouwwerkzaamheden op het perceel [adres] te [woonplaats] mag verrichten. De dwangsom bedraagt een bedrag van € 20.000,- ineens. Bij besluit van 1 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 30 januari 2020 heeft [A] (zoon van eiser) de rechtbank meegedeeld dat eiser op 19 januari 2020 is overleden en dat de erven de beroepszaak willen voortzetten. Op 3 februari 2020 heeft de griffier [A] telefonisch verzocht een notariële verklaring van erfrecht aan de rechtbank te sturen om te kunnen beoordelen wie de erfgenamen van eiser zijn en wie er bevoegd is om namens de erfgenamen op te treden in deze beroepsprocedure. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.